Pleidooi voor een ‘ander Europa’: solidariteit in plaats van concurrentie

solidariteit in plaats van concurrentie
Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 2 november vindt in de Antwerpse Singel de ‘derde dag van het socialisme’ plaats onder het thema ‘Concurrentie en solidariteit’. Precies over dat thema gaat ook werkgroep 6 waarin de Latijnsamerikaanse solidariteit en samenwerking zullen worden afgezet tegen het Europese concurrentiedenken.

In linkse en progressieve kringen bestaat er een consensus over de absurditeit en de onaanvaardbaarheid van het huidige Europese beleid. Een soberheidsbeleid in tijden van crisis werkt contra-productief. Bovendien worden er maatregelen genomen – mede door onze nationale regeringen – die de democratie ondermijnen. Het pleidooi voor een ‘ander Europa’ is dus vanzelfsprekend. Maar wat betekent dit? Een ander en beter Europees beleid? Weg met de Europese Unie? Weg met de Euro? Een links Europees beleid? Er bestaat erg weinig duidelijkheid over deze belangrijke politieke keuzen en soms lijkt het er op dat men het debat zelfs uit de weg wil gaan. Het Europese thema verdeelt de linkerzijde, zoveel is zeker, en niemand wil die verdeeldheid nog groter maken.

 

Toch is duidelijkheid noodzakelijk. Ten eerste om de kiezers een heldere politieke keuze te kunnen aanbieden. Ten tweede om een politieke strategie te kunnen uitstippelen. Dit is moeilijk wanneer men niet eerst een doel bepaalt dat men met die strategie wil bereiken. Ten derde om vanuit de vastgestelde verscheidenheid op zoek te kunnen gaan naar die punten waarop de hele linkerzijde wel degelijk kan samenwerken. En tenslotte, om duidelijk te maken dat de keuze van de linkerzijde niet dezelfde is als die van de rechtse anti-EU partijen.

Fundamentele politieke keuzen

Grosso modo kunnen vier grote strekkingen onderscheiden worden aan de linkerzijde:

        De oplossing van de crisis vergt meer maar een ander en beter Europees beleid, een echte coördinatie van het beleid, een ernstige begroting en meer democratie. Dit is een standpunt tegen het neoliberale beleid, niet tegen de instellingen. Het wordt ingegeven door een overtuiging dat de Europese integratie nodig en wenselijk is.

        Er kan geen enkel heil worden verwacht van de huidige Europese Unie. Ze moet volledig geherstructureerd worden op een andere, meer democratische basis. Europese samenwerking blijft wel nodig en wenselijk. Het ‘andere’ Europa kan een intergouvernementele Europese samenwerking zijn, zonder bevoegdheidsoverdracht en integratie. In dit standpunt worden niet-democratische instellingen mee verantwoordelijk geacht voor de crisis en zijn ze een reden waarom er binnen die instellingen geen oplossing mogelijk is.

        De Euro was een brug te ver. Landen kunnen maar aan de crisis ontsnappen als ze uit de Euro en het neoliberale keurslijf ervan stappen. De EU hoeft daarvoor niet te verdwijnen. Dit standpunt is meer economisch dan politiek. De Euro berust op een foute constructie.

        De Europese Unie en de Euro zijn volstrekt onaanvaardbaar en ondermijnen de soevereiniteit en de democratie. Overigens, zowel de EU als onze nationale staten zijn in handen van dominante klassen die elk alternatief onmogelijk maken.

 

Dit zijn slechts krachtlijnen die vaak ook binnen de sociale bewegingen en politieke partijen bestaan, wat trouwens een reden is waarom ze zo weinig echt besproken worden. Ze komen ook zelden in een zuivere vorm voor. Er zijn ‘vele tinten van grijs’. Zo kan het soevereiniteitsdenken ook een rol spelen in het tweede standpunt, zoals de voorstanders van het eerste standpunten ook kunnen denken dat de Euro ‘een brug te ver’ was.

De bedoeling is het debat over deze alternatieven mogelijk maken en bevorderen. Alle standpunten zijn legitiem.

In een aparte bijdrage (hieronder) wil ik kijken naar de alternatieven die door een aantal linkse economen zijn voorgesteld. Zij gaan enkel in op het economisch beleid en de Euro, niet op de democratische en institutionele aspecten van de EU.

Ik wil hier kort de belangrijkste kenmerken en breuklijnen ervan aangeven.

Enkele discussiepunten:

        Integratie, samenwerking of niets?

Wat opvalt in de geanalyseerde alternatieven is dat eigenlijk niemand tegen Europese samenwerking is, al is het standpunt van M’PEP wel erg minimalistisch. Als er niets ‘boven de natie’ gaat, kan dit enkel leiden, maximaal, tot een intergouvernementele samenwerking. Dit betekent dat er geen enkele bevoegdheidsoverdracht plaats vindt. Het is de manier waarop b.v. de OESO of de Raad van Europa werkt. Het is een formule die meer ruimte laat voor machtsrelaties en enkel de nationaal georganiseerde democratie (beperkt) aan bod laat komen.  

Europese ‘integratie’ betekent dat er ook een instelling is die het beleid kan uitvoeren en vorm kan geven aan een ‘Europees belang’, boven de nationale belangen. Dat is tot nog toe de Europese Commissie, die voor veel tegenstanders van de EU de grote boeman is. De Europese Commissie is niet meer dan een ‘executieve’ Commissie, een uitvoerend orgaan dat voor (bijna) alles wat het doet een mandaat nodig heeft van de Europese Raad, de vergadering van onze nationale regeringen.

Tegenstanders van de Europese Commissie zien vaak over het hoofd dat ze bezig zijn met gelijk krijgen. Sinds Barroso voorzitter is van de Europese Commissie, is deze instelling meer en meer een soort secretariaat van de Europese Raad geworden, en fungeert de EU de facto al als een intergouvernementele instelling. Met het Verdrag van Lissabon is die Raad trouwens formeel een ‘instelling’ van de EU geworden en met permanent voorzitter Van Rompuy vergadert hij ook veel meer dan vroeger het geval was. Dit leidt tot oeverloze, moeilijke discussies, want beslissen met 28 is niet makkelijk. De grote rol die de Europese Commissie speelt in het bepalen van het soberheidsbeleid, het controleren van de nationale begrotingen, enz. beantwoordt in detail aan het mandaat dat ze kreeg van de nationale regeringen.

        Een zijnskwestie of een wordingskwestie?  

Een tweede belangrijke discussiepunt gaat over de aard van de Europese instellingen en het gewicht dat men geeft aan de oorsprong ervan. Europa heeft, net zoals in de mythologie, vele vaders, maar voor velen is er één vader die er boven uit steekt. En die ene vader wordt verantwoordelijk geacht voor een onveranderlijk ‘DNA’, waardoor de Europese Unie geen ander beleid kan voeren dan wat ze nu doet. Er kan dan geen onderscheid gemaakt worden tussen instellingen en beleid.

Het zou mogen volstaan om te wijzen op de fundamentele ‘neoliberal turn’ die met het Verdrag van Maastricht werd genomen om deze stelling te ontkrachten. De Europese Economische Gemeenschap vroeger voerde een ander beleid dan de Europese Unie nu.

De Europese Unie kan nooit veel meer en erg anders zijn dan wat haar Lidstaten zijn. Internationale instellingen en staten zijn een afspiegeling van de heersende klasseverhoudingen. De dag dat er voldoende Lidstaten een progressieve regering hebben, zal het beleid onvermijdelijk ook veranderen en zullen de verdragen worden gewijzigd of vervangen. Dat is trouwens de weg die sommige Latijnsamerikaanse landen hebben gevolgd van zodra ze een linkse regering hadden. Ze begonnen meteen met een democratisch proces voor een nieuwe grondwet. Bovendien kan een lidstaat altijd weigeren een verdrag te ondertekenen of te ratificeren. De Tsjechische Republiek, toch geen grootmacht, heeft het begrotingspact niet ondertekend.

Als politieke instelling is de Europese Unie afhankelijk van wat de Lidstaten en de politieke meerderheden in die Lidstaten ervan maken. De Europese Unie is, net zoals de Staten zelf, een afspiegeling van de machtsrelaties binnen de Staten. Het heeft daarom iets paradoxaals te stellen dat niets kan veranderen, of dat Duitsland nooit zal veranderen. Dit is een apolitieke houding die de staat – en dus ook internationale instellingen – als een buiten de maatschappij staande instelling ziet.

        Technisch of politiek?

Ten derde moet worden gewezen op de verschillende redenen die worden vermeld om uit de Euro te stappen. Voor sommigen zijn dat politieke redenen – soevereiniteit en democratie -, voor anderen zijn het economische redenen – ‘het kan niet werken’. Voor nog anderen is het gewoon onvermijdelijk, de Eurozone zal sowieso uiteenspatten.

Het belang van politiek

Er zijn uiteraard nog vele andere discussiepunten, zoals de mate waarin we van een internationale instelling als de Europese Unie ook sociaal beleid verwachten, en zo ja, op welke vlakken. Daarover gaat discussie nu niet, hoewel ook dit punt dringend moet uitgeklaard worden.

Hopelijk geven bovenstaande punten voldoende duidelijk het belang van politiek debat aan. De Europese Unie is geen technische aangelegenheid, maar is bepalend voor de manier waarin we als democratie vorm kunnen geven aan onze directe omgeving, aan ons land, aan ons continent, aan onze wereld. De Europese dimensie is één schakel in die moeilijke ketting van verantwoordelijkheden en mogelijkheden. De interdependentie van onze landen en economieën staat buiten kijf, hoewel grote landen als Duitsland en Frankrijk uiteraard meer mogelijkheden hebben om een zekere autonomie na te streven.

Zeker voor alle tegenstanders van de Europese Unie is het belangrijk dat ze precies aangeven waar ze naar toe willen. Afbreken om her op te bouwen kan niet alleen lang duren, het resultaat staat nooit van te voren vast. Onze nationale regeringen zijn minstens even verantwoordelijk voor het neoliberale beleid als de Europese Unie zelf. Is onze grootste vijand een ideologie of zijn het instellingen? Of beide?

De wereld verandert. Stabiele, homogene samenlevingen komen er bijna niet meer in voor en dat zal wellicht nooit meer anders zijn. Die diversiteit kan aanleiding geven tot conflicten die nog nauwelijks in een zuiver nationale context zijn op te lossen. Daarover gaat  het debat: over de toekomst van ‘Europa’, over onze toekomst, met onze lokale gemeenschappen, deelstaten en nationale staten, transnationale samenwerkingsverbanden op continentaal en mondiaal vlak.  

Wij stellen solidariteit boven concurrentie. De vraag is: hoe willen we dat doen?

 

 Werkgroep Latijns Amerikaanse solidariteit tegenover Europese consurrentie

Dag van het socialisme – 2 november 2013 – werkgroep 6: de alternatieven

Francine Mestrum

 

Wij willen een ander Europa’

De roep naar een ‘ander’ Europa is algemeen in linkse en progressieve kringen. Het huidige soberheidsbeleid dat door al onze regeringen wordt gevoerd en door de Europese Unie wordt opgelegd en gepromoot is politiek, economisch en sociaal onaanvaardbaar en contra-productief. Het veroorzaakt meer problemen dat het oplost. Hierover bestaat een consensus.

Maar wat is een ‘ander’ Europa? De meningsverschillen binnen linkse bewegingen en partijen zijn erg groot. Het Europese thema heeft de linkerzijde altijd al verdeeld en dat is nog steeds zo. Om een debat hierover te bevorderen volgt hieronder een overzicht van standpunten en alternatieven van linkse economen. Ze gaan niet over de democratische en institutionele aspecten van de Europese samenwerking maar enkel over het economisch beleid en de Euro.

 

Flassbeck & Lapavitsas: uit de Euro, in de EU

BronBron: Flassbeck, H., C. Lapavitsas (2013) The systemic crisis of the euro – true causes and effective therapies’, Study for the Rosa-Luxembourg Foundation (RLF),http://www.rosalux.de/fileadmin/rls_uploads/pdfs/Studien/Studien_The_systemic_crisis_web.pdf/

 

F&L pleiten voor een geordend verlaten van de Economisch Monetaire Unie (EMU). Zij vinden de oprichting van die EMU wel economisch verantwoord, maar denken dat het plan té ambitieus was. Ze stellen dat zeker voor kleine open economieën vlottende wisselkoersen niet leefbaar zijn. Monetaire autonomie is in hun ogen een theoretische fictie.

 Vandaar dat ze ook na het verlaten van de EMU pleiten voor een andere vorm van een Europees Muntsysteem, met afspraken over de wisselkoersschommelingen en convergentie van de inflatiepercentages. Ze stellen ook dat door in de EU en de interne markt te blijven, die EU eventueel voor een soort ‘veiligheidsnet’ zou kunnen zorgen. Want hoe dan ook zullen de gevolgen zwaar zijn. Men moet proberen te vermijden dat mensen hun geld van de bank halen, en dus moeten er controles op het kapitaalverkeer ingevoerd worden. Een sterke devaluatie tov de Euro is onvermijdelijk. De auteurs gaan niet in op de details van deze gevolgen.

De schuld voor de mislukking van de Euro leggen ze hoofdzakelijk bij het mercantilistisch economisch model van Duitsland dat competitiviteit boven samenwerking verkiest. Doen wat Duitsland voorschrijft, met name iedereen zijn competitiviteit laten verbeteren, is theoretische onzin. De huidige programma’s van de troïka zijn contraproductief. Het begrotingsbeleid verergert de situatie en het arbeidsmarktbeleid leidt tot deflatie.

In de kern van het fout lopen van het systeem zit de sterke correlatie tussen inflatie en productiviteit. Beide moeten samen evolueren. Als het inflatiedoel, zoals in de EMU, rond de 2 % ligt, mogen de lonen ook niet veel sterker stijgen of dalen. Duitsland heeft zijn lonen echter zwaar onder druk gezet. De Europese Centrale Bank (ECB) had daarvoor moeten waarschuwen.

Een ander beleid van Duitsland zou een oplossing kunnen betekenen. Men kan echter niet van mensen verwachten dat ze hun fouten openlijk toegeven. Vandaar dat de geordende exit volgens hen het enig haalbare is.

Antwoord van Andrew Watt: http://www.social-europe.eu/2013/07/why-left-wing-advocates-of-an-end-to-the-single-currency-are-wrong/?utm_source=feedburner&utm_medium=feed&utm_campaign=Feed%3A+social-europe%2FwmyH+%28Social+Europe+Journal%29

 

Albarracin, D. et al., in de euro, in de EU

http://gesd.free.fr/euromania.pdf

Het ‘manifest’ van deze economen is een korte tekst met duidelijke uitgangspunten en duidelijke conclusies.

Ook hier is het uitgangspunt dat enerzijds het huidige beleid gewoon absurd is en enkel dient om de winstvoet te herstellen en de belangen van het financieel kapitaal veilig te stellen, anderzijds dat Europese samenwerking absoluut noodzakelijk is.

De auteurs weigeren de uitstap uit de Euro omdat dit een valse oplossing zou zijn. De vijand is immers niet de Euro of de EU,maar een neoliberaal beleid dat niet in het belang is van de mensen. Een uitstap uit de Euro sluit niet uit dat een zelfde soort beleid met nationale munten wordt verder gezet, inclusief de speculatie. Zij sluiten daarom niet uit van te dreigen met een uitstap uit de Euro, maar dit is niet de vooropgestelde strategie.

Het doel moet zijn een linkse regering in het zadel te helpen die meteen komaf kan maken met het neoliberale keurslijf. Er moeten middelen gevonden worden om de overheidstekorten te financieren los van de financiële markten, controle op het internationaal kapitaalverkeer, herschikking van de schuldenlast met een onmiddellijk moratorium en een democratische audit om een deel van de schulden ook kwijt te schelden.

Dit alles houdt een breuk in met de huidige EU-regels, maar die politieke confrontatie moet een linkse regering aandurven. Op die manier kunnen mensen in andere EU landen eveneens overtuigd worden van het belang van een ander beleid. ‘Geen offers voor de Euro’. De recente verdragswijzigingen hebben trouwens aangetoond dat de regels inderdaad kunnen worden aangepast. Deze coöperatieve strategie berust op ideeën voor een ander ontwikkelingsmodel en een nieuwe architectuur voor Europa.

 

 

Les économistes atterrés: in de euro, in de EU

http://www.atterres.org/page/manifeste-d%C3%A9conomistes-atterr%C3%A9s

De Franse ‘verbijsterde economen’ zeggen niet uitdrukkelijk dat ze voor Europese integratie zijn, maar al hun voorstellen zijn duidelijk gesitueerd in een Europees kader. Ze zijn niet eenparig over alle details van de analyse en de voorstellen, maar wel over de grote krachtlijnen ervan.

Ze werken met tien ‘valse stellingen’ van het huidige Europese neoliberalisme. Ze hebben allemaal te maken met de overheersing door de financiële markten en de focus op de overheidsschuld. Waar in de rest van de wereld sprake is van een licht herstel, gaat het beleid van de EU totaal de verkeerde kant op.

De tien ‘valse stellingen’ die ze aanklagen zijn: 1) de financiële markten zijn efficiënt; 2) de financiële markten bevorderen de economische groei; 3) de financiële markten kunnen de solvabiliteit van de staten beoordelen; 4) de overheidsschuld is het resultaat van te hoge uitgaven; 5) de overheidsuitgaven moeten naar beneden om de schuld te verminderen; 6) de overheidsschuld is een zware erfenis voor onze kleinkinderen; 7) om de overheidsschuld te financieren moeten de financiële markten gerustgesteld worden; 8) de EU verdedigt het Europese sociale model; 9) de Euro beschermt ons tegen de crisis; 10) de Griekse crisis heeft een economisch bestuur en Europese solidariteitsmechanismen voortgebracht.

Al deze stellingen worden vakkundig ontkracht en er worden telkens voorstellen geformuleerd om uit de impasse te geraken. Kapitaalbewegingen moeten gecontroleerd worden, financiële speculatieve markten moeten afgescheiden worden van de reële economie; ondernemingen moeten rekening houden met de belangen van alle betrokkenen; hoge inkomens moeten belast worden en financiële voordelen moeten herzien worden als ze niet tot een hogere werkgelegenheid leiden; de fiscaliteit moet meer herverdelend worden gemaakt; ratingagentschappen mogen niet oordelen over de rente die landen moeten betalen; een audit van de overheidsschuld; verbetering van de sociale bescherming; investeringsprogramma’s in onderzoek en ontwikkeling en ecologische transitie; de ECB moet staten kunnen financieren; de overheidsschuld moet geherstructureerd worden; sociale opwaartse convergentie; een waarachtige macro-economische coördinatie; Europese fiscaliteit en een echte Europese begroting; een groot plan voor economische en ecologische reconversie. Mocht de Euro uiteen spatten, dan moet er een intra-Europees monetair systeem met een gemeenschappelijke munt worden ingevoerd.

Het doel van deze uitvoerige  voorstellen van de ‘verbijsterde economen’ is vooral om mogelijkheden aan te tonen voor een alternatief beleid en hierover een debat te beginnen. Het staat voor hen vast dat de staten uit de greep van de financiële markten moeten gehaald worden. De herstructurering van de EU zal beginnen met enkele akkoorden tussen landen die resoluut kiezen voor een ander beleid.

 

 

 

Frédéric Lordon : uit de Euro, ook uit de EU ?

« Contre une austérité à perpétuité »,  Monde Diplomatique, augustus 2013

Lordon is lid van de ‘verbijsterde economen’. Hij pleit wel resoluut voor een exit uit de Euro maar zegt in zijn artikel niets over het voortbestaan van de EU.

Uitgangspunt is dat de EU-constructie een gigantische operatie van depolitisering is die de volkssoevereiniteit ondermijnt en derhalve ook de democratie. De wil en de bedoeling van de Euro bestaat erin alle macht te geven aan de kapitaalmarkt. De Euro is niet hervormbaar, want de regels ervan zijn in marmer gebeiteld in onveranderlijke verdragen. De Euro hervormen zou betekenen dat je de macht van die kapitaalmarkt afneemt en dat zal nooit aanvaard worden. Daarenboven zal Duitsland ook nooit of te nimmer een ander beleid aanvaarden en zal zich nooit plooien naar een meerderheid die een alternatief beleid zou voorstellen.

Er zijn dus twee mogelijkheden:

        Zich neerleggen bij een eindeloze machteloosheid

        Veroorzaken wat men eigenlijk wil voorkomen: de terugkeer van nationale munten.

Lordon stelt voor om gemeenschappelijke munten in te voeren (Eurofranken, europesetas, euroguldens…) die niet extern en niet onderling rechtstreeks inwisselbaar zijn. Een nieuwe ECB zou fungeren als een soort wisselkantoor maar geen bevoegdheid hebben over monetair beleid. Extern zouden er vlottende wisselkoersen zijn, intern wel vaste pariteiten. In een soort keynesiaans mechanisme zouden landen in geval van grote tekorten of overschotten op de betalingsbalans verplicht zijn te devalueren of te revalueren.

Lordon ziet hierin niet zozeer een economische maatregel, maar het herstel van de soevereiniteit en van de democratie.

De gemeenschappelijke munt kan gepaard gaan met een gemeenschappelijke markt, maar enkel met vergelijkbare landen en economieën (b.v. met minimum of gemiddelde lonen die niet lager liggen dan 75 % van de minimum of gemiddelde lonen van de anderen). De gemeenschappelijke munt sluit Europese samenwerking niet uit, hoewel de exit uit de euro wel een zware politieke schok zou veroorzaken die zo’n samenwerking enige tijd bemoeilijkt. Het is echter onvermijdelijk. Want provoceren we die breuk niet, ze komt hoe dan ook op ons af.

 

Deze voorstellen komen in grote mate overeen met die van Jacques Nikonoff (voormalig voorzitter van Attac Frankrijk), huidig voorzitter van M’PEP (Mouvement d’éducation populaire – http://www.m-pep.org/ ) en auteur van ‘Sortons de l’Euro’ (Mille et une Nuits, 2011).

Nikonoff gaat wel verder. Een exit uit de Euro is tegelijk en onvermijdelijk ook een exit uit de EU, en ook al biedt dit geenszins een oplossing voor de crisis, het is een onvermijdelijke voorafgaande voorwaarde. Anders is er geen ‘demondialisering’ mogelijk, zomin als een transitie naar een ‘socialisme van de 21ste eeuw’. Alle Europese instellingen moeten worden afgebouwd om tot een echte samenwerking tussen naties te kunnen komen. ‘Il n’y a pas d’au-delà de la nation’ (p. 454).

 

Jacques Sapir, Frans econoom, stelt dat de Euro moet worden ontbonden. De onevenwichten zijn immers te groot en Duitsland wil niet corrigeren. Hij denkt dat voor landen als Griekenland en Portugal dit kan leiden tot een devaluatie met 45 tot 50 %, voor landen als Spanje, Portugal en Frankrijk met 30 % …

Voor een debat over de Euro tussen J. Sapir en J.-L. Mélenchon (6/7/2013 op M6 Arretsurimage zie https://www.youtube.com/watch?v=tQx4UM8YFhU )

 

Euromemorandum : in de Euro, in de EU

http://www.euromemo.eu/euromemorandum/euromemorandum_2012/

http://www2.euromemorandum.eu/uploads/euromemorandum_2013.pdf

Bij de economen die het jaarlijks ‘Euromemorandum’ schrijven is er geen sprake van exit uit de euro of uit de EU. Wel van eenzelfde vaststelling dat het huidige beleid van de EU volledig de verkeerde kant opgaat en meer problemen veroorzaakt dan oplost.

De alternatieve oplossingen zijn, van de ECB een ‘lender of last resort’ maken; de financiële sector terugschroeven; een financiële transactietaks invoeren; een openbaar Europees ratingagentschap instellen; een audit van de schuldenlast maken; een vermogensbelasting; een gemeenschappelijk begrotingsbeleid; een gecoördineerd loonbeleid; arbeidstijdvermindering; volledige vakbondsrechten herstellen; openbare diensten opnieuw instellen; vrijhandel vervangen door sectoraal gedifferentieerde overeenkomsten; investeren in onderzoek en ontwikkeling; de interne effectieve vraag aanzwengelen.

De tekst van 2013 is meer toegespitst op mondiaal bestuur met een pleidooi voor een mondiale economische Raad, een hervorming van het IMF, transparantie in belastingzaken, tegen de privatisering van ‘the commons’. En voor een nieuw soort multilateralisme.

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.