Fransen en Britten nemen het militaire voortouw in de EU

VliegdekDeGaule
Facebooktwittergoogle_plusmail

Bij de militaire operaties tegen Libië was het duidelijk, er bestaat een tandem Parijs-Londen als het op militair optreden aankomt. In Mali speelde Frankrijk de absolute hoofdrol maar kon toch ook rekenen op de steun van Britse spionagevliegtuigen en enkele andere bijdragen van EU-lidstaten. Soms werd daar een gezamenlijke strijd van voormalige koloniale grootmachten in gezien tegen een nieuwe speler op het Afrikaanse veld, China met name. Op andere momenten werd er gewezen op een spanning tussen deze ex-koloniale staten en de alomtegenwoordigheid van het VS apparaat. Wat we in deze analyses zo goed als over het hoofd hebben gezien, is het Lancaster-akkoord van 2010 tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk over verhoogde militaire samenwerking.

In november 2010 tekenden president Sarkozy en premier Cameron een akkoord voor intensere samenwerking op vlak van defensie en veiligheid. Het gaat om de EU-landen met het hoogste defensiebudget, twee NPT-‘erkende’ kernwapenstaten van de EU, twee landen met een uitgebreid koloniaal verleden, twee landen met een hoge ‘oorlogbereidheid’ zoals aangetoond wordt door de dossiers van Libië en Mali alsook de wil van hun regeringen om in Syrië te interveniëren. Volgens de Sipri-cijfers spendeerden ze vorig jaar samen 92 miljard euro aan defensie, wat meer is dan Duitsland, Italië, Nederland, Polen en Spanje samen. In het Lancaster-akkoord was afgesproken om gezamenlijk oefeningen op te zetten tussen de Fransen en Britse land-,lucht- en zeemacht; sommige Britse officieren dienen voltijds op het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle. Franse officieren werken geregeld op de Britse. En naar verluidt zitten ze ook op schema om tegen 2016 een ‘Combined Joint Expeditionary Force’ (CJEF) klaar te hebben, zeg maar een gezamenlijke interventiemacht. Er komen grote manoeuvres in november, later dit jaar, om de CJEF-luchtcomponent te testen met de codenaam Exercise Joint Venture.

Beide landen achten zichzelf natuurlijke partners om een bepalende rol te spelen in de vorming van het veiligheids- en defensiesysteem van de Europese Unie. Voor hen is het beslissingsproces van de Europese Unie veel te traag op dit vlak en passen ze de uitzonderingsmogelijkheden toe die het Verdrag van Lissabon voorzien heeft. Inderdaad Het Verdrag van Lissabon biedt bepaalde lidstaten de mogelijkheid op militair gebied nauwer samen te werken in het kader van een permanente gestructureerde samenwerking . De permanente gestructureerde samenwerking staat open voor de lidstaten die voldoen aan twee basisvoorwaarden, die in het aan het verdrag gehechte Protocol nr. 10 zijn vastgesteld. De lidstaten moeten zich er met name toe verbinden:
-intensiever te werken aan de ontwikkeling van hun defensievermogens door deel te nemen aan multinationale strijdkrachten, aan de voornaamste Europese programma’s voor materieel en aan het werk van het Europees agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening;
-uiterlijk in 2010 in staat te zijn om indien nodig binnen een termijn van 5 tot 30 dagen en voor een periode van 30 tot 120 dagen gevechtseenheden en logistieke ondersteuning te leveren.
(artikel 42, lid 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie)

Ook de defensie-industrieën van beide landen verhogen hun samenwerking. Ze werken gezamenlijk aan een “Future Combat Air System,” voor 2030. In 2012 waren er trouwens plannen tussen Londen, Parijs en Berlijn om het Britse BAE Systems te laten fuseren met het Duits-Franse EADS om aldus een Europese militair-industriële reus te creëren. De zaak liep op het allerlaatste moment vast op een onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland over  de plaats van de maatschappelijke zetel. De analyse was toen dat Merkel het risico van jobverlies in de Duitse defensiesector niet wilde nemen in functie van de Duitse verkiezingen.

Deze ontwikkeling van bilaterale initiatieven tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk doet zich voor naast de bestaande EU battle groups. Deze laatste betreffen een samenwerking onder verschillende landen (de EU-lidstaten maar ook Noorwegen en Turkije)  om een speciale troepenmacht van zo’n 1500 soldaten samen te stellen, plus bevelvoering en logistieke diensten. Er zijn verschillende composities die sedert 2007 werden afgesproken en die onder het gezag van de Europese Raad staan. Ze werden tot nog toe nooit als dusdanig ingezet. Frankrijk participeert in een zestal battle groups, Groot-Brittannië in twee.

Op 19 december 2013 is er een specifieke bijeenkomst van de EU-leiders over het defensiebeleid. Het zogenaamde ‘pooling en sharing’ van militaire capaciteiten zal er hoog op de agenda staan.