Oorlog integraal deel van de westerse diplomatie

oorlog is politiek
Facebooktwittergoogle_plusmail

Het Westen gebruikt militaire interventie als een normaal instrument in de internationale relaties en de wereldpolitiek. Dat doet ons denken aan een uitspraak van Clausewitz: “oorlog is een voortzetting van de politiek met andere middelen”. Het is kenmerkend voor de heersende ideologie, het wordt maatschappelijk aanvaard. Hierdoor wordt het volkenrecht echter wel met de voeten getreden. Dergelijk beleid zal voor het merendeel van de wereldbevolking zwaar negatieve gevolgen met zich meebrengen.

De grote oorlogsconflicten van de voorbije twintig jaar, de NAVO-oorlogen tegen Joegoslavië, Afghanistan, Irak, Libië en nu de dreiging van een westers militair optreden tegen Syrië, tonen duidelijk dat het Westen een
agressieve politiek voert om zijn belangen veilig te stellen en zijn greep op grondstoffen te verzekeren.

 

Aantasting van het volkenrecht

Het volkenrecht, dat vorm kreeg na de tweede wereldoorlog, wil vooral oorlog en dus de vernietiging van mensenlevens op grote schaal vermijden. De oorlogsgebeurtenissen in Europa en de Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945, waarbij duizenden Japanse burgers omkwamen, hadden ten overvloede getoond hoe afschuwelijk en gruwelijk moderne oorlogen wel konden zijn. Men streefde ernaar om een wereldorde van vredeshandhaving tot stand te brengen. Maar de koude oorlog heeft er voor gezorgd dat dit project vlug van de tafel verdween en niet realiseerbaar was.

Het volkenrecht richt zich vooral op een algemeen geweldverbod. Volgens art.2 alinea 2 en 4 van het VN-Handvest is niet alleen het aanwenden van geweld maar ook de geweldbedreiging in de internationale betrekkingen verboden. Het artikel 1 handelt uitvoerig over het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren, het artikel 2 alinea 2 handelt over de niet aantasting van de soevereiniteit van de staten.

Op deze bepalingen van strikt geweldverbod zijn er maar twee uitzonderingen. Ze worden beschreven in de Artikels 42 en 51. Artikel 51 handelt over het individuele en collectieve verdedigingsrecht tegen een militaire agressie. Artikel 42 bepaalt dat alleen de VN-veiligheidsraad het recht heeft om militaire maatregelen uit te vaardigen, in overeenstemming met het artikel 39, wanneer er een gevaar bestaat voor de wereldvrede of wanneer er een agressie tegen een soevereine staat is gepleegd.

Ondanks deze volkenrechtelijke bepaling heeft het Westen bij het Kosovo conflict van 1999, de “humanitaire militaire interventie“ als verpakking gebruikt om toch ten oorlog te trekken tegen een soevereine staat. Het argument dat onze leiders bleven herhalen was: om de mensenrechten te beschermen mag de “internationale gemeenschap” zich boven de niet inmenging en boven het geweldverbod plaatsen. Het is volgens hun redenering dan weliswaar niet legaal maar wel legitiem en noodzakelijk.

Tijdens het Balkanconflict heeft dit hulpsyndroom ook sommige groenen, bepaalde vredesorganisaties en andere militanten in de armen van het agressieve NAVO optreden gedreven. Het verhinderen van een humanitaire catastrofe werd zo handig gebruikt als verkoopsargument voor de oorlog tegen Joegoslavië in 1999.

Met het daarna opgeklopt debat over beschermingsverantwoordelijkheid, gekend onder de naam “Responsibilty to Protect”, wordt in feite de terugkeer van oorlogen als politiek middel goedgepraat. Onder het begrip Responsibilty to Protect wordt een positieve handeling gepropageerd om verantwoordelijkheid op te nemen voor het beschermen van mensenlevens. Maar hierbij wordt wel het basisprincipe van non-interventie naar de prullenmand verwezen. In het eindrapport van de Algemene VN vergadering van 2005 vindt men de notie van R2P terug, niet als een nieuw volkenrechtnorm want dat kan de algemene vergadering niet beslissen, maar als een privé opdracht voor de statengemeenschap tegenover hun eigen bevolking.

Met de bescherming van burgers tegen gifgasaanvallen heeft het door het westen gewenst militair optreden in Syrië niets te maken. Een militaire interventie tegen Syrië zal immers leiden tot een oncontroleerbare, gewelddadige oorlog.

Raketaanvallen vanop Amerikaanse oorlogsboten of militaire basissen in de regio zullen vele burgerslachtoffers en grote vernielingen met zich meebrengen. De Syrische bevolking zal het grootste slachtoffer zijn in deze strafexpeditie. Er is hier van bescherming geen sprake; dergelijke strategie biedt geen bescherming voor chemische gasaanvallen of harde repressie van het Assad regime. Het verhaal over precisiewapens is een illusie, oorlog beschermt niet maar doodt.

 

Energiebeveiliging

Inmiddels maakt een nieuwe discussie al een tijdje haar opgang, het openlijke propageren van het recht op grondstoffen- en energiebeveiliging.

Condoleeza Rice heeft tijdens haar ambtsperiode als staatssecretaris van G.W.Bush de grondstoffendiplomatie op de dagorde geplaatst: deze moest het richtsnoer worden van het Amerikaans buitenlands beleid tegen ieder land dat zich niet wil onderwerpen aan de Amerikaanse wereldpolitieke en economische dictaten. De werkelijkheid van deze grondstoffendiplomatie was minder diplomatie maar meer militaire interventie en oorlog. De eerste staatssecretaris van president Obama, Hillary Clinton, heeft tijdens een toespraak in 2012, een nieuwe VS diplomatie verkondigd, namelijk de energiediplomatie. Hiermede wilde ze duidelijk maken dat bij schaarser wordende energiegrondstoffen de VS zich meer moet bekommeren voor het veilig stellen van de controle en toegang tot grondstoffen. Het is een camoufleren van de gewelddimensie van haar energiediplomatie die de VS in praktijk heeft gebracht in de Golf crisis, Afghanistan, Irak en Libië.

Het wordt voor vele sabelslepers-politici alsmaar duidelijk dat hun versluierde tactiek voor oorlog niet langer aanvaard zal worden. Bijgevolg is het nodig men duidelijke taal te spreken en moeten we het publiek vertellen wat de ware doelstelling is, namelijk het veiligstellen van de fossiele energiegrondstofvoorraden voor de rijke industrie landen ten nadele van andere staten. Deze strategieën om de toegang tot de grondstofbronnen te verzekeren dient niet de burgers van de westerse staten maar de aandeelhouders. Met het volkenrecht heeft dit alles niets te maken.

Strafmaatregelen zijn volkomen vreemd aan het volkenrecht. Militaire strafmaatregelen zijn niets anders dan een wraakveldtocht, wat volkomen in strijd is met het internationaal en dus bestraft moet worden. De enige instantie die hiervoor bevoegd is het Internationaal Strafhof in Den Haag, niet het Witte Huis of Pentagon in Washington, niet Parijs of London.