Over het verdoemde Cambodja

cambodja1
Facebooktwittergoogle_plusmail

Van Pol Pot tot Hun Sen

Verkiezingen in Cambodja verlopen nooit rimpelloos. Dat was ook op 28 juli weer het geval. De regerende Cambodian People’s Party (CPP) heeft zich al tot winnaar van de verkiezingen uitgeroepen, maar de oppositie vecht dit aan. De partij van premier Hun Sen zou op grote schaal gefraudeerd hebben. De Cambodjanen leven al decennia met geweld, intimidatie en fraude. Het Khmers Rouges-regime bestaat niet meer, de praktijken nog wel. Walter Lotens reikt enkele achtergronden aan en baseert zich daarvoor op eigen waarnemingen en het uitstekende Cambodia’s curse, the modern history of a troubled land van de Amerikaanse journalist Joel Brinkley (*)

Democratisch Kampuchea, zegt dat nog iets? Daarvoor moeten we ongeveer veertig jaar terug gaan in de tijd. Tussen 1975 en 1979 was het de naam van Cambodja. Het werd gesticht toen de door Lon Nol geleide Khmerrepubliek werd verslagen door het Khmers Rouges-leger, dat na de nederlaag van de Verenigde Staten in Vietnam de hoofdstad Phnom Penh en de rest van het land veroverde. Wie waren toch die in het zwart geklede jonge soldaten die de Cambodjaanse hoofdstad al snel begonnen te ontruimen? Een zekere  Saloth Sar, beter bekend als Pol Pot (wat de verkorte vorm is van politique potentielle) die nog ooit in Frankrijk gestudeerd had, deelde blijkbaar de lakens uit. Wat was die politique potentielle? Een mengeling van extreem maoïsme en nationalisme, met name het idee van de raciale superioriteit van de Khmer. Hij wilde Kampuchea omvormen tot een etnische zuivere, klasseloze arbeidersmaatschappij. Onder zijn leiding werden de steden ontruimd, religies verboden en werden geld en private eigendommen afgeschaft.

 

L’année zéro

Aanvankelijk werd deze ‘socialistische revolutie’ in sommige linkse kringen van het Westen op enthousiasme onthaald. Laten we toch vooral niet vergeten dat het toenmalige AMADA niet alleen achter het Kampuchea van Pol Pot stond, maar ook achter het Albanië van Enver Hoxha en achter de Noord-Koreaanse dynastie van Kim Il-sung en diens zoon Kim Jong-il. De idolatrie was groot, ook voor Gunnar Bergström. Deze jonge Zweedse maoïst trok in 1978 met twee kameraden naar Cambodja om er een reportage te maken over het revolutionaire werk van de Khmers Rouges en het ‘democratische’ Kampuchea. Hij kwam terug met foto’s van lachende en doorvoede Cambodjanen, die welgezind stuwmeren, bruggen en wegen maakten. De genocide van het Cambodjaanse volk was toen nota bene al drie jaar aan de gang.

(Toul Sleng S-21 Phnom Penh (foto: Anne Van den Bril)

Dat zag ik in Phnom Penh. Ik bemerkte de angst in de ogen van de slachtoffers, meestal partijgenoten, – ook vrouwen en kinderen – die voor hun dood zorgvuldig in kaart werden gebracht. Het regime ging grondig te werk. De zwartwitfoto’s ervan zijn intussen de wereld rondgegaan. Ze hangen in Toul Sleng, een voormalige Franse middelbare school omgevormd tot folterplaats, en nu een museum. Dertig jaar later kwam Gunnar Bergström met zijn propagandafoto’s terug naar Phnom Pen en naar Toul Sleng om zijn verontschuldigingen aan te bieden aan het Cambodjaanse volk. Waartoe politieke idolatrie toch kan leiden.

Joel Brinkley: “Ongeveer twee miljoen Cambodjanen, een vierde van de totale bevolking, werden vermoord gedurende het bijna vier jaar durende schrikbewind van Pol Pot. Het was zijn bedoeling om een ruraal socialisme te vestigen en daarvoor moest elk spoor van twintigste eeuwse leven uitgeroeid worden. Tachtig procent van de Cambodjaanse leerkrachten en vijfennegentig procent van alle dokters werden vermoord, samen met alle geschoolde burgers. Cambodja werd, zoals Pol Pot het uitdrukte, teruggevoerd naar het jaar zero.”
Oorspronkelijk kwamen die berichten amper door in het Westen. Ook linkse figuren als Noam Chomsky verkeken zich op de situatie en het is pas door de publicatie van Cambodge, L’année zero van de Franse priester François Pinchaud, die al jaren in Cambodja woonde en waarover Jean Lacouture op 31 maart 1977 een recensie schreef voor The New York Times of books, dat Chomsky zijn standpunt moest bijstellen.

 

Pinchaud en Brinkley

Een gebrek aan terreinkennis en te veel ideologisch wishful thinking zullen hieraan zeker niet vreemd geweest zijn. ‘Omdat de bewoners van Utopia geacht worden in volstrekte harmonie met elkaar te leven, borrelt en kookt het voortdurend onder het glad gepolijste deksel waarmee de geïnteresseerde buitenstaander in eerste instantie kennismaakt. Alleen wie geen buitenstaander wil blijven, krijgt de kans om onder het deksel te kijken.’ Dat schrijft de Nederlands filosoof Hans Achterhuis zeer terecht in De erfenis van de utopie. Politieke fellow travellers zijn vaak niet de beste bron. Insiders als François Pinchaud beschikken doorgaans over veel betere informatie, maar hun stem klinkt in het verre buitenland nauwelijks door.

Het zal nog duren tot december 1978 voordat de verschrikkelijke waarheid aan het licht kwam. Toen versloeg het Vietnamese leger in een blitsaanval het Khmer Rouge-regime. Zij ontdekten de killing fields en vonden in het centrum van Phnom Penh Toul Sleng, de martelschool van de Khmers Rouges bekend onder codenaam S-21 en nu omgevormd tot een imposant genocidemuseum. Samen met Angkor Wat vormt het nu de toeristische pleisterplaats in het huidige Cambodja: thanatostoerisme doet tegenwoordig de kassa rinkelen. Ook in Vietnam waar de zeventiende breedtegraad, de toenmalige demarcatielijn tussen Noord en Zuid, wordt platgelopen.

Iemand die wel al vroeg terreinkennis heeft opgedaan is de Amerikaanse journalist Joel Brinkley. Hij was op dat ogenblik een uitzondering, want de Amerikanen hadden na de mislukte Vietnamoorlog hun buik vol van dat stuk Zuidoost Azië. In oktober 1979 werd de jonge journalist door de Louisville Courier-Journal uit Kentucky uitgestuurd om verslag uit te brengen over de toestand in Cambodja. Dat gebeurde natuurlijk in bijzonder moeilijke omstandigheden en het zal Joel Brinkley tekenen voor het leven. 29 jaar later, in 2008, trekt hij opnieuw en uitvoerig naar Cambodja, maar deze keer in opdracht van The New York Times.  Het resultaat is Cambodia’s curse, the modern history of a troubled land geworden, waarin hij de politieke gebeurtenissen in Cambodja van het Pol Pot-regime tot het huidige Hun Sen-tijdperk beschrijft.

 

Hun Sen

Wie is toch die man die ook nu weer voor de zoveelste keer de verkiezingen heeft gewonnen? En vooral: hoe gaat hij hiervoor te werk? Gedurende de Vietnamese bezetting die van 1979 tot 1989 duurde, werd een jonge Khmers Rouges officier, genaamd Hun Sen, tot eerste minister benoemd. Volgens Brinkley had hij nauwelijks school gelopen, maar was hij verstandig en keihard, zoals je kon verwachten van een jonge kerel opgeleid door de Khmers Rouges en achteraf door Vietnamese militairen. Zijn CPP-partij die aan de macht kwam nadat Vietnamese troepen het terreurregime van de Rode Khmers omver hadden geworpen, zwaaide al sinds 1979 de plak over Cambodja. In zijn jonge jaren was Hun Sen overigens zelf lid van de Rode Khmers, maar hij liep over naar Hanoi net voor de Vietnamese invasie. In 1985 werd deze man eerste minister van zijn land en hij is het nog steeds. In al die jaren is hij de sterke man van Cambodja geworden en heeft hij een status van totale machtshebber opgebouwd. Hun Sen is vooral op het platteland populair en is een van de langst regerende leiders in Zuidoost-Azië. In Cambodja doen de rechters, politiemensen en soldaten exact wat Hun Sen hun opdraagt. Onafhankelijke waarnemers melden dat de premier de nationale verkiezingscommissie volledig in zijn zak heeft. “Als de overheid of de cpp een klacht indient bij de verkiezingscommissie, dan krijgen ze altijd gelijk,” zegt Kem Ley, een politieke wetenschapper die jaren voor de Cambodjaanse regering werkte. “De oppositie daarentegen zal bij een klacht nooit haar gelijk krijgen,” schrijft Ate Hoekstra in De Groene Amsterdammer van 24 juli 2013. Kem Ley: “Mensen worden er financieel aangemoedigd om cpp te stemmen. Mijn moeder heeft al drie keer twintigduizend riel ontvangen.” Dat is drie keer bijna vier euro, een fors bedrag in een land waar een kwart van de bevolking nog geen euro per dag verdient. En dan zijn er nog de dorpen waar lokale cpp-leiders identiteitskaarten opkopen, om ze na de verkiezingen weer terug te geven. Of waar leden van de oppositie ontdekken dat ze plotseling niet meer als stemgerechtigde staan geregistreerd.

Op basis van de voorlopige en betwiste verkiezingsresultaten heeft de CPP van Hun Sen het lang niet zo goed gedaan. De regeringspartij moest zich tevreden stellen met 68 van de 123 zetels. In 2008 behaalde de CPP nog 90 zetels. De CNRP (Cambodja’s  Nationale Reddingspartij), de enige grote oppositiepartij, haalde 55 zetels en bij monde van Sam Rainsy, de belangrijkste oppositieleider, betwist zij deze uitslag. Volgens hem ontbraken er zo maar liefst 1,3 miljoen namen op de kiezerslijsten in de stembureaus. Sam Rainsy is al jaren  de belangrijkste politieke tegenstander van Hun Sen. Hij was ooit minister van Financiën en leefde sinds 2005 in Parijs omdat hij veroordeeld werd voor smaad nadat hij de CPP van corruptie had beschuldigd. Veertien dagen voor de verkiezingen kreeg hij gratie waardoor hij snel naar zijn land terugkeerde om de laatste dagen voor de verkiezingen de CPNR-campagne te leiden. Oppositieleider Sam Rainsy heeft zichzelf al uitgeroepen tot de nieuwe premier, op basis van eigen tellingen die de CNRP 63 zetels geven en de CPP 60. De Nationale Kiesraad wordt er door Sam Rainsy andermaal van beschuldigd onder een hoedje te spelen met Hun Sen en zijn CPP. Het blijft intussen niet tot een partijtje bekvechten tussen de twee grote politieke tenoren. Voortdurend en op verschillende plaatsen in het land grijpen er protestbetogingen plaats. In Pnomh Penh rollen de legertanks binnen om de orde te herstellen.

cambodja2
(foto:Anne Van den Bril)

Weggegooide hulp

Een van de vragen waarmee Brinkley naar Cambodja afreisde, was te weten te komen wat de inspanningen van de Verenigde Naties hadden opgeleverd. Na het vertrek van de Vietnamezen in 1989 bleven de Khmers Rouges onder Pol Pot grote delen van het land controleren. In 1992 en 1993 gingen de Verenigde Naties dan over tot de bezetting van Cambodja. 16000 militairen en 5000 specialisten kwamen ter plaatse om het land uit het moeras te helpen. De hele operatie om Cambodja te ‘democratiseren’ en een nieuwe grondwet te bezorgen duurde twee jaar en kostte volgens Brinkley om en bij de drie miljard dollar. Wanneer de blauwhelmen vertrokken bleven Unicef, Unesco, the World Food Program en andere internationale organisaties zoals de Wereldbank, maar ook de Amerikaanse USAID, uitdrukkelijk aanwezig. Ongeveer tweeduizend donoren en ngo’s kwamen ter plaatse en zij bleven, zelfs als bleek dat de leiders van het type Hun Sen een brutale machtsstrijd voerden en alleen maar lippendienst bewezen aan de democratische principes. Zoals ook Mozambique werd Cambodja een donor darling, maar het zorgenkind gedroeg zich allesbehalve als een volgzame leerling.

 

Het Cambodjatribunaal

Tot op vandaag is de invloed van de Khmers Rouges nog steeds aanwezig in Cambodja, ondanks het Cambodjatribunaal dat zich al jaren verdiept in de killing fields. Het tribunaal is een merkwaardige hybride constructie. Hoewel het strikt genomen een nationale rechtbank is, kwam het tot stand na een akkoord tussen de Cambodjaanse regering – Hun Sen dus – en de Verenigde Naties waardoor deze juridische instantie zowel uit Cambodjaanse als buitenlandse rechters bestaat. Het tribunaal begon zijn werkzaamheden in 2006 en in 2007 kreeg Kaing Guek Eav, ook bekend als Duch en directeur van S-21, 35 jaar gevangenisstraf. Als enige overlevende topman van de Rode Khmers zat hij al sinds 1999 gevangen. Pol Pot stierf al in 1998 in bizarre omstandigheden. Leng Thirith,  schoonzus van  Pol Pot, de machtigste vrouw binnen het regime en minister van Sociale Zaken, werd in 2012 van vervolging ontslagen omdat zij vermoedelijk Alzheimer heeft. Ieng Sary, minister van Buitenlandse Zaken onder de Khmers Rouges en zwager van Pol Pot, overleed dit jaar op 87-jarige leeftijd. Enkele andere oudjes van de Khmers Rouges-kopstukken, met name Khieu Samphan en Nuon Chea, gekend als brother No.2, zijn overgemaakt aan het tribunaal, maar de rechtsgang stagneert.  Oorspronkelijk hoopte het tribunaal tegen 2009 zijn werk te kunnen afronden, maar in 2013 is het einde nog lang niet in zicht. Geldgebrek en gebrek aan politieke interesse maken het tribunaal vleugellam. Het tribunaal wordt betaald door de VN-lidstaten. De internationale sponsors laten het afweten. De bijdragen zijn vrijwillig en moeten elk jaar bij elkaar worden gesprokkeld. Sinds haar oprichting heeft het tribunaal aan geloofwaardigheid verloren door inmenging van de Cambodjaanse regering. Een Zwitserse, een Duitse en een Franse onderzoeksrechter stopten er mee vanwege de constante tegenwerking van de Cambodjaanse regering.

cambodja3

Phnom Penh (foto: Anne Van den Bril)

 

En de Cambodjaan, hij ploegde voort

En hoe gaat het met gewone Cambodjaan? Op het eerste gezicht hebben zij een grote sprong voorwaarts gemaakt. Bijna iedereen is er nu gemotoriseerd. Wie als toerist in Phnom Penh de straat probeert over te steken riskeert zijn leven. De gemotoriseerde tweewieler regeert er. Het toerisme neemt fors toe. Tussen 2008 en 2009 met 26 procent en in de eerste helft van 2010 bezochten meer dan 1,2 miljoen toeristen Cambodja. Volgens Joel Brinkley is het grootste probleem voor het land Hun Sen en zijn partij. Een groot aantal Cambodjanen en buitenlandse waarnemers menen dat zolang Hun Sen aan de macht is er geen fundamentele maatschappelijke veranderingen zullen plaatsvinden. De man is geboren in 1952 en is nu dus 61 jaar. Hij kan dus nog gemakkelijk tien of twintig jaar in leven én aan de macht blijven in Cambodja. De politieke situatie lijkt een beetje op die in Suriname, waar Desi Bouterse president is kunnen worden en wil blijven om uit de greep van het gerecht te blijven, maar daardoor een hele bevolking gijzelt.

In zijn epiloog schrijft Joel Brinkley: “Vele landen hebben te maken met leiders die de bevolking hebben doen lijden, maar geen enkel land heeft in haar recente geschiedenis zoveel geleden als de Cambodjaanse bevolking. Geen enkel ander volk heeft leiders gekend die een vierde van de bevolking heeft uitgemoord en die na de val van het Khmers Rouges-regime vervangen werden door nieuwe hebzuchtige figuren. Geen enkele ander volk is zo getraumatiseerd geworden, een trauma dat trouwens wordt overgedragen op een volgende generatie. Cambodjanen verwachten niets. Zij hebben geen ambitie en geen dromen. Zij willen alleen gerust gelaten worden.”

 

(*) Joel Brinkley, Cambodia’s curse, the modern history of a troubled land, Public Affairs, New York, 2011, 387 blz. ISBN 9781610391832

Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.