Brits parlement verbaast vriend en vijand.

handsoffsyria
Facebooktwittergoogle_plusmail

De stemming in het Brits parlement waarmee premier Cameron werd tegengehouden om te participeren aan een militaire aanval op Syrië, is van bijzonder politiek belang.  Ze stopte het elan waarmee enkele westerse landen op weg waren naar een nieuwe overtreding van het internationaal recht. Uit de zwaar morele toon van de officiële verklaringen is zo af te leiden dat men inderdaad zeer goed weet dat er geen juridische grond is voor een militaire interventie. De toestand vroeg naar een alert parlement om het eigengereid gedrag van regeringsleiders tegen te gaan.

dissidentie

Waarom durven enkele tientallen leden van de Britse Conservatieve Partij en de Liberaal Democraten hun eigen voormannen tegen te spreken? Ze maken zich op die manier wellicht definitief ongeliefd bij het partij-apparaat. Naar verluidt heeft dit veel van doen met de publieke opinie die volgens peilingen uitgesproken tegen een interventie in Syrië is. Kennelijk is de perceptie van de oorlogen tegen Irak en Afghanistan die van een mislukking, van een nutteloos, geldverslindend en weerzinwekkend optreden. De succesrijke vredesmobilisaties van jaren geleden (2003) tegen die oorlogen hebben wellicht bijgedragen tot het bewustzijn bij de brede bevolking dat oorlog geen oplossing brengt. De feiten in Irak en Afghanistan hebben deze mening verder onderbouwd. In welke mate heeft bijvoorbeeld Bradley Manning met het publiek maken van Amerikaanse oorlogsmisdaden, hier een versterkende rol gespeeld?  

Bovendien is het in Syrië moeilijk een zwart-wit beeld te schetsen: goede kant tegen slechte kant. Er heerst verwarring en onbegrip. Mensen vernemen dat er bij de opstandelingen zogenaamde AlQaida-groepen opereren met steun uit Saoedi-Arabië en Qatar. Tegelijkertijd heeft de officiële propaganda een beeld in de hoofden van de mensen geprent dat AlQaida de baarlijke duivel is. Menig burger zit met de vraag: “Gaan wij nu objectief deze groepen helpen door de zittende president – weze het een dictator – te helpen verjagen?”  

Waarschijnlijk heeft een en ander ook te maken met een toch wel groeiend algemener anti-regeringsklimaat in Groot-Brittannië, waar onder meer de ‘bedroom-tax’ heel wat ongenoegen opwekt.  Deze taks werd in april dit jaar door de huidige regeringscoalitie, conservatieven en liberaal-democraten, ingevoerd waarbij elke woning die een vrije slaapkamer heeft wordt belast. Dit komt bovenop andere onpopulaire maatregelen, onder andere in de gezondheidszorg. De premier beschikt al enige tijd niet meer over dezelfde goodwill bij het brede publiek als voorheen. Voor steeds meer mensen wordt het duidelijk: nieuwe belastingen om dan overheidsgeld in een zinloze oorlog te verspillen is meer dan een brug te ver.

trans-Atlantisme

Opmerkenswaard is het feit dat de ultieme verdediging van de Britse premier het had over het belang om een betrouwbare partner van de VS te zijn en te blijven. Cameron had al publiekelijk zijn concreet militaire steun aan de Amerikaanse aanvalsplannen toegezegd. Dus een afhaken kan alleen maar de de Britse belangen schaden, was zijn redenering. In elke geval heeft deze publiekelijke blamage Camerons imago als leider een behoorlijke – fatale? – klap gegeven. Hoe zit het nu nog met de Angelsaksische band en de trans-Atlantische eenheid?  Het was Winston Churchill die tijdens de Tweede Wereldoorlog een verbond Washington-Londen nastreefde: Groot-Brittannië was over zijn imperiale hegemonie heen en moest, om nog belangrijk te kunnen zijn op het wereldtoneel, sterk aanleunen bij de nieuwe grootmacht. Buiten de ‘troubles’ over de atoombom tussen beide landen – een Amerikaanse wet verbood in de jaren 1950 nucleaire samenwerking ook met ‘bondgenoten’ – heeft deze trans-Atlantische band steeds stand gehouden. De populaire pers bedacht premier Blair met de term “schoothondje van Bush” tijdens de Irak oorlog.

De verbazing in de VS over deze stemming in Londen was dan ook bijzonder groot. Het noopte de regering Oabama tot kunst- en vliegwerk. De laatste weken was de balans in regeringskringen kennelijk doorgeslagen in het voordeel van de interventionisten. De Arabische Golfstaten moeten als goede klant van de bewapeningsindustrie te vriend worden gehouden. De publieke opinie in de VS is echter net zoals in het Verenigd Koninkrijk eveneens tegen deze interventie gekant. Zolang de militaire operaties kunnen verkocht worden als een optreden van de internationale gemeenschap zou het publiek die misschien nog wel slikken. Maar als de trouwste bondgenoot al afhaakt, dan moet er toch iets haperen aan de verantwoording voor deze nieuwe oorlog? Plots werd Frankrijk de eer van oude, trouwe geallieerde toebedeeld. Maar president Hollande moet in eigen land ook steeds meer rekening houden met de afwijzende houding van z’n rechtse concurrent UMP.

twijfel

In de VS lijkt de traditionele spanning tussen Pentagon en Buitenlandse Zaken weer volop te spelen. Minister Kerry ontpopt zich tot het morele geweten van de wereld om een militair optreden te verantwoorden. Hij heeft kennelijk nooit van Fallujah 2004 en VS bombardementen met chemische wapens gehoord? Bovendien kan men  op die manier de spionagepraktijken verantwoorden, met name het afluisteren van zogenaamde gesprekken over gifaanvalsplannen tussen Syrische regerings- en legerkringen. In  kringen van het Pentagon heeft men vragen bij het scherpstellen van de vijand, van de volgende militaire stap, kortom met de algemene strategische aanpak. Binnen de Republikeinen worden er grote vraagtekens geplaatst bij  mogelijke, beperkte bombardementen. Enerzijds zijn er de hardliners die een grote schoonmaak in Syrië bepleiten, en dus niet gediend zijn met een beperkte bestraffing. Anderzijds verklaarde iemand als Sarah Palin – Republikeins running mate van John McCain in de presidentsrace tegen Obama in 2008, die zeer kort bij de Tea Party staat – dat de USA helemaal niet moet optreden wanneer Syriërs andere Syriërs uitmoorden.  

De VS elite lijkt verdeeld of gedesinteresseerd. De president wordt door mede- en tegenstanders onder druk gezet om alles in volledige samenhang met het Congres te beslissen, “omdat er geen fundamentele belangen voor de VS in het geding zijn”. Het Congres maant de president aan om niet dezelfde fout te maken als bij de beslissing om Libië te bombarderen. Inderdaad, het belangrijkste doel voor de VS is de staat Syrië te verzwakken om haar te beletten nog een internationale rol te spelen. Het betreft hier immers zowel een politiek en militair bondgenoot van Iran, als een Arabisch nationalistische speler tegen Israël. Een situatie van chaos is een uitstekend middel tot verzwakking. Meer moet dat niet zijn. Vooral ook niet omdat er zich geen interessante vervanger aandient: de oppositie tegen de Syrische president bulkt van de fundamentele, interne tegenstellingen.

Er moet een einde komen aan de desastreuze situatie van de Syrische bevolking. Een aantal internationale spelers hamert vandaag op het belang van een politieke oplossing in Syrië. Dat doet de vredesbeweging eveneens. Kan de volksvertegenwoordiging van de NAVO-lidstaten voldoende beïnvloed worden om hier met alle krachten op in te zetten?

besluit

Britse parlemenstleden durfden tegen hun leiders in te gaan omdat ze zich gecontroleerd voelden door hun kiezers. Opiniepeilingen toonden een brede afkeer van een oorlog in Syrië. Deze anti-oorlogshouding bij de publieke opinie heeft vele oorzaken. Een ervan is de aanhoudende agitatie en bewustmaking  van de openbare opinie tegen de oorlog die de vredesbeweging wereldwijd heeft kunnen realiseren. Het voorspelde, totale fiasco van de wederopbouw – concreet, economisch, sociaal, politiek – van de kapot gebombardeerde landen, het breed bekend geraken van oorlogsmisdaden van de westerse legers zijn even zoveel gronden waarom mensen hun leiders niet meer blindelings volgen.
Deze stemming heeft de voorwaarden voor de aangekondigde interventie behoorlijk gewijzigd en doet andere tegenstellingen op de voorgrond treden.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.