Een oorlog wegens gezichtsverlies

obama syrië
Facebooktwittergoogle_plusmail

Geostrategische belangen, economie, religie, culturele verschillen, militaire belangen, misschien zelfs – laat me even het voordeel verlenen van de twijfel – een beetje een bekommernis om mensenrechten of het respect voor internationaal recht… het speelt allemaal mee in beslissingen over oorlog en vrede. Politieke leiders zijn ego’s, ja narcisten zelfs, die voortdurend in de schijnwerpers vertoeven. Zij moeten zich ten aanzien van hun kiespubliek standvastig en besluitvaardig tonen. Nobelprijswinnaar voor de vrede Obama heeft maanden geleden al in Syrië zijn ‘rode lijn’ gedeclameerd. Niet omwille van de tienduizenden slachtoffers of de honderdduizenden vluchtelingen, maar omwille van een aanval met chemische wapens. Misschien was het in een opwelling ingegeven door zijn ijver om zich van een lastpost te ontdoen dat hij meteen in de richting van Damascus wees?

 

Veel vragen

De contradictoire en onzekere informatie bleek niet te hinderen, dat er geen bewijzen waren en de beschuldiging wars was van veel logica evenmin. Zou al-Assad zo gek zijn om politieke zelfmoord te riskeren terwijl er geen echte militaire noodzaak bestond op het terrein? Ik ken het antwoord niet, ik stel gewoon de legitieme vraag die ik te weinig zie stellen. Op gevaar af gebrandmerkt te worden als een al-Assad-boy – zo gaat dat in deze zwart-wit wereld – overweeg ik dat ook een false flag-operatie of de niet-bedoelde ontploffing van een stockage van gifgas zoals in een artikel met geciteerde getuigenissen van ter plaatse wordt beweerd, tot de mogelijkheden behoren.

Een andere vraag die me niet loslaat is: waarom weigert Washington en Parijs te wachten op de bewijslast van de VN-inspecteurs vooraleer ten strijde te trekken? Er is mij geen militaire of strategische noodzaak bekend die een onmiddellijke reactie rechtvaardigt. Geleverde bewijzen garanderen op zijn minst de steun van belangrijke bondgenoten waar Washington bijna vergeefs naar hengelt. Alleen de Franse president Hollande lijkt – 88 jaar na bloedige Franse bombardementen op Damascus – het oorlogsspel mee te willen spelen. Dat al-Assad 6 jaar geleden de rode loper kreeg uitgerold om in Parijs deel te nemen aan de Franse nationale feestdag is inmiddels al voer voor het vergeten geheugen.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Obama zichzelf met de rug tegen de muur heeft geduwd. Zijn rode lijn is overschreden en dus moeten de VS optreden ook al is het scepticisme bij de publieke opinie en zijn internationale bondgenoten groot. Veel NAVO-lidstaten willen niet meedoen zolang er geen echte bewijzen zijn en er geen mandaat is van de VN-Veiligheidsraad, twee zaken waarop ‘supermacht’ VS niet wil wachten. Het woord ‘gezichtsverlies’ valt. Er is geen weg meer terug. Obama weet ook wel dat een militaire aanval in Syrië wel eens tot een uitslaande brand kan leiden die een hele nu al instabiele regio in vuur en vlam kan zetten. Nu moet hij de meubels redden en alle registers opentrekken om zijn geloofwaardigheid te behouden, liefst zonder de zaken ter plaatse te laten escaleren, zoals in Irak is gebeurd.

 

‘Beperkte en precieze’ operatie

Al-Assad moet gestraft worden, als een stoute schooljongen. Geen grote oorlog, maar een operatie die ‘beperkt en precies’ is. Frankrijk doet mee, oef voor Washington, maar dit is Mali niet. In de media vind ik de vraag niet terug die spontaan in me opwelt: wat is het strategische doel van een ‘beperkte en precieze’ aanval? Al-Assad zal er niet door uit het zadel worden gelicht. Voor de gewapende oppositie is dit al evenmin een grote hulp want zij zouden graag de luchtsteun krijgen voor een grondoperatie zoals dat in Libië het geval was. Nu weet Obama ook wel, behalve dat er escalerende risico’s aan een oorlog zijn verbonden, dat hij riskeert aan de zijde te vechten van radicale internationale Jihadi’s, die Washington in Mali, Jemen en Afghanistan hardnekkig en mijns inziens vruchteloos bevecht. Geen conflict waar de contradicties zo groot zijn als in Syrië. Ook zal een aanval geen sikkepit veranderen aan het chemische arsenaal ter plaatse of die nu in handen is van het regime of van de oppositie. Het enige wat hij kan redden is m.a.w. gezichtsverlies.

 

Colin Powell II, het mediaoffensief

Obama’s minister van Buitenlandse Zaken John Kerry moet nu deze oorlog ‘tegen gezichtsverlies’ verkopen als een noodzakelijk operatie tegen een kwaadaardig regime. Met mathematische precisie kleeft hij een – in vergelijking met eerdere berichtgeving sterk opgetrokken – getal op het aantal doden van de gasaanval:1.429 doden onder wie 426 kinderen. Om “onze bronnen en methodes” te beschermen kunnen we de van ‘duizenden’ bronnen beschikbare bewijslast afkomstig van de Amerikaanse inlichtingendiensten niet vrijgeven, zo klinkt het. Ik lees op de voorpagina van De Morgen ‘VS komen met bewijs chemische aanval Syrië’. In het artikel zoek ik vruchteloos naar het bewijs waarvan sprake in de kop. Slordigheidje van de eindredactie?

Ik herinner me nog goed de getuigenis voor de VN-Veiligheidsraad door de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell met zijn ‘bewijzen’ over Iraakse massavernietigingswapens op die bewuste 5 februari 2003. Het is goed om deze nog eens (hier) te lezen en parallellen te trekken (“Ik kan u niet alles vertellen wat we weten”). Powell loog dat het ervan afdroop, maar de op oorlog voorbereide media brachten het met grote ernst. Powell was tegen een oorlog in Irak, maar zoals onderzoeksjournalist Woodward na lange gesprekken met hem schreef, een loyale soldaat klaar ‘to play the game of his boss’. Een jaar later moest Powell voor het parlement toegeven dat hij op het verkeerde been werd gezet. Zijn conclusie luidde dat “de creatie van een nieuwe nationale inlichtingendirecteur kan voorkomen dat dit type van foute inlichtingen … dat Irak over massavernietigingswapens beschikt” de wereld wordt ingestuurd.

Als Kerry over ‘bewijzen’ beschikt afkomstig van diezelfde inlichtingendiensten die de laatste jaren alleen maar in diskrediet zijn geraakt, dan moet hij daar dan maar echt mee uitpakken. Maar Kerry durft meer dan tien jaar na Collins pijnlijke presentatie voor de VN-veiligheidsraad zonder blozen zeggen: “De vraag luidt niet wat we weten, maar wat we doen”. Neen mijnheer Kerry, als je Syrië aanvalt willen we weten wat jij weet. Daar heeft de wereld en vooral de Syrische bevolking recht op. Kerry, die tijdens zijn persconferentie beweert dat de VS altijd hebben geprobeerd (sic) om de universele waarden na te leven, zou zich beter eens afvragen hoe het komt dat Irak de afgelopen decennia vele honderdduizenden doden heeft te betreuren.

 

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers