“Ik, president van Bolivia, gekidnapt in Europa”

evo morales snowden
Facebooktwittergoogle_plusmail

 

Het publiek maken van de vertakkingen van de Amerikaanse spionagedienst door Edward Snowden hebben bij de politieke dirigenten in Europa weinige reacties losgemaakt. Toch hebben zij niet geaarzeld om het vliegtuig van de Boliviaanse president Evo Morales, die ervan verdacht werd de voortvluchtige klokkenluider aan boord te hebben, aan de grond te houden. De versie van de feiten door Evo Morales (*)

 

Op 2 juli 2013 vond één van de meest ongewone voorvallen plaats in de geschiedenis van het internationaal recht, met name het verbod opgelegd aan het presidentieel toestel van de plurinationale staat Bolivia om over het Frans, Spaans, Italiaans en Portugees grondgebied te vliegen en vervolgens mijn veertien uur durende hechtenis op de luchthaven van Wenen. Weken nadien blijft deze aanslag op het leven van een officiële delegatie, veroorzaakt door staten die prat gaan op hun democratische principes en het respecteren van de wetten, verontwaardiging oproepen bij burgers, sociale organisaties, internationale organisaties en regeringen van over de hele wereld.

Wat is er gebeurd? In Moskou, even voor een vergadering met Vladimir Poutine, werd ik door een medewerker op de hoogte gebracht dat er technische problemen met onze vlucht waren: het bleek onmogelijk om, zoals oorspronkelijk voorzien, verder naar Portugal te vliegen. Na mijn onderhoud met de Russische president bleek al snel dat het probleem niet technisch was. Onze minister van Buitenlandse Zaken David Choquehuanca was erin geslaagd een tussenstop te organiseren op het Spaanse Las Palmas de Gran Canaria en om een nieuw vluchtschema te laten goedkeuren. Alles leek dus in orde, maar, eens in de lucht, kreeg ik van kolonel Celiar Arispe die die dag het toestel bestuurde, te horen: “Parijs heeft de toelating om over het Franse luchtruim te vliegen ingetrokken. De piloot was niet alleen verrast, maar ook verontrust. Wij konden proberen om terug naar Rusland te vliegen, maar dan liepen we het risico zonder brandstof te geraken. Daarom nam kolonel Arispe contact op met de controletoren van de Weense luchthaven met de vraag een noodlanding te mogen uitvoeren. De Oostenrijkse autoriteiten zijn bij deze bedankt voor de toelating.

Terwijl ik in een klein kantoor samen met mijn vice-president Álvaro García Linera en met David Chuquisanca de situatie besprak en vooral zocht naar de reden voor de weigering van Frankrijk, informeerde de piloot ons dat ook Italië ons de doorgang over zijn luchtruim weigerde. Op dat ogenblik kreeg ik bezoek van de heer Alberto Carnero, Spaans ambassadeur in Oostenrijk. Hij kondigde aan dat er een nieuw vluchtschema om me naar Spanje te brengen was goedgekeurd. Alleen, verduidelijkte hij, moest hij vooraf het presidentiële toestel inspecteren. Dat was een conditio sine qua non om naar Las Palmas de Gran Canaria te mogen vertrekken. Toen ik hem vroeg naar de redenen voor deze eis, vermeldde de heer Carnero de naam van Edward Snowden, die voor een Amerikaanse organisatie die spionageactiviteiten ontwikkelde, had gewerkt. Ik antwoordde hem dat ik die naam alleen van uit de pers kende. Ik heb tevens aan de diplomaat duidelijk gemaakt dat mijn land de internationale conventies respecteert en dat ik in geen geval om het even wie aan Bolivia wil uitleveren.

De heer Carnero, in voortdurend contact met de heer Rafael Mendívil Peydro, ondersecretaris voor Spaanse vreemdelingenzaken, bleef echter aandringen.

U zult dit vliegtuig niet inspecteren,” zei ik zeer nadrukkelijk. “Indien u niet gelooft wat ik zeg, dan behandelt u de president van Bolivia als een leugenaar.”

De Spaanse diplomaat onderbrak even het gesprek om nieuwe consignes van zijn overste te ontvangen en vroeg me nadien hem uit te nodigen voor een koffietje in het vliegtuig.

Houdt u me voor een misdadiger?” vroeg ik hem. “Indien u eraan houdt om in het vliegtuig te komen, dan zal dat met geweld moeten gebeuren. En ik zal geen weerstand bieden tegen een militaire of politionele operatie want daarvoor heb ik de middelen niet.”

Na mijn woorden bond de ambassadeur in, maar hij benadrukte dat hij in die omstandigheden ons vluchtschema niet kon goedkeuren. “Om negen uur zullen wij u meedelen of u al dan niet mag vertrekken. Ondertussen gaan we overleggen met onze vrienden,” verduidelijkte hij.

Vrienden? Maar wie zijn dan die ‘vrienden’ waaraan u refereert? Frankrijk en Italië waarschijnlijk?” Hij weigerde mij te antwoorden en trok zich terug…

Ik heb toen van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Argentijnse presidente Cristina Fernández, een uitstekende advocate die me raad geeft in juridische kwesties, te consulteren en ik nam ook contact op met de Venezolaanse president Nicolás Maduro en de Ecuadoraanse president Rafel Correa die allebei erg bezorgd waren. President Correa had me in de loop van die dag al herhaalde malen gebeld. Die solidariteit betekende een grote ondersteuning voor mij: “Evo, zij hebben niet het minste recht om je vliegtuig te inspecteren!” herhaalde hij telkens. Ik wist natuurlijk dat een presidentieel vliegtuig dezelfde status heeft als een ambassade. Deze raadgevingen en de aankomst van de ambassadeurs van de ALBAi versterkten me in de overtuiging om van me af te bijten. Neen, wij zullen noch aan Spanje, noch aan een ander land – en zeker niet aan de Verenigde Staten – toestaan om ons vliegtuig te controleren. Wij zullen onze waardigheid, onze soevereiniteit en de eer van ons vaderland verdedigen. Wij zullen geen chantage aanvaarden. De ambassadeur van Spanje dook even later nog eens op. Bezorgd en nerveus verklaarde hij dan we konden vertrekken. En zo zijn we kunnen opstijgen…

Dit verbod om over te vliegen, gelijktijdig uitgevaardigd door vier landen en gecoördineerd door de CIA tegen een soeverein land, met als voorwendsel dat wij misschien Edward Snowden vervoerden, illustreert nogmaals het politieke overwicht van de Verenigde Staten in de wereld. Voor 2 juli, de dag dat wij werden vastgehouden, was iedereen al op de hoogte van de middelen die de Verenigde Staten ter beschikking hebben om hun territorium en bevolking te beveiligen. Maar die dag heeft Washington wel alle regels van de welvoeglijkheid met de voeten getreden. Dat land heeft alle internationale conventies geschonden en een deel van het Europese continent gekoloniseerd. Dat is een schande voor de Rechten van de Mens, een van de verworvenheden van de Franse revolutie. Met dit geval wordt nog maar eens geïllustreerd dat het imperium geen enkele beperking aanvaard, noch legaal, noch moreel, noch territoriaal. In de ogen van de hele wereld is het voortaan duidelijk dat die mogendheid elke wet, soevereiniteit of mensenrecht kan overtreden. De macht van de Verenigde Staten berust op een militair-industrieel apparaat dat betrokken is bij verschillende vormen van invasies die trapsgewijs plaatsvindt: na de militaire verovering, wordt de vrije markteconomie doorgevoerd, een toch wel zeer beperkte invulling van democratie, en tenslotte wordt het volk onderworpen aan de vraatzucht van de multinationals. Sporen van dit imperialisme – militair of economisch – zijn aanwezig in Irak, Afghanistan, Libië en Syrië. Sommige van deze landen werden bezet omdat ze ervan verdacht werden vernietigingswapens te bezitten of terroristische organisaties te beschermen. Het zijn landen waar duizenden inwoners werden gedood zonder dat het internationaal strafhof in werking is getreden.

De verspreiding van de Amerikaanse invloed gebeurt ook ondergronds via chantage en intimidatie. Het toedienen van een ‘exemplarische straf’ is zo een van de repressiemiddelen die herinneren aan de koloniale stijl waarmee de inheemsen van Abya-Yala onderdrukt werden. ii Deze repressie gaat nog steeds voort en wordt uitgeoefend op volkeren die zich willen bevrijden en op politieke leiders die in naam van de gewone mensen hun land willen besturen. Deze politiek van ‘de exemplarische straf’ bestaat nog steeds in Latijns Amerika: denk maar aan de coup tegen Hugo Chávez van Venezuela in 2002, tegen de Hondurese president Manuel Zelaya in 2009, tegen Rafael Correa in 2010 en tegen de president van Paraguay, Fernando Lugo, in 2012 en natuurlijk ook tegen onze eigen regering in 2008 via het optreden van ambassadeur Philip Goldberg. ‘Het exemplarische voorbeeld’ als middel om te beletten dat de inheemsen, de arbeiders, de boeren en de sociale bewegingen in opstand zouden durven komen tegen de heersende klasse.‘Het voorbeeld’ om wie weerstand biedt te laten knielen en de anderen te terroriseren, heeft echter bij gewone over de hele wereld geleid tot meer strijdvaardigheid.

De aanslag waarvan wij het slachtoffer zijn geworden legt de twee gezichten van eenzelfde onderdrukking bloot: het imperialisme en het kolonialisme, dat zijn politieke en ideologische tweelingbroer is. Het aan de grond houden van een presidentieel toestel en zijn bemanning – iets wat onmogelijk leek in de 21ste eeuw-, toont aan dat er nog steeds vormen van racisme bestaan in de schoot van sommige Europese landen. Voor hen vormen de inheemsen en de democratische en revolutionaire processen waarin ze betrokken zijn een obstakel op de weg naar beschaving. Dat racisme gaat schuil achter de arrogantie en de meest ridicule “technische” verklaringen die een politieke beslissing, genomen in een kantoor in Washington, moeten camoufleren. Het gaat dus om regeringen die niet kunnen inzien dat zij zelf gekoloniseerd worden en die de reputatie van hun meester ongeschonden proberen te houden.

Wie over een imperium spreekt, denkt aan koloniën. Door in te gaan op orders van buitenaf hebben zekere Europese landen hun ondergeschikte status toegegeven. Het koloniale karakter van de relatie tussen de Verenigde Staten en Europa is versterkt sinds de aanslagen van 11 september 2001 en is in 2004 voor iedereen duidelijk geworden wanneer bekend werd dat geheime vluchten met Amerikaanse militaire toestellen zogenaamde krijgsgevangenen naar Guantánamo en Europese gevangenissen transporteerden. We weten vandaag dat deze ‘terroristen’ gefolterd werden, maar dat is een realiteit waaraan zelfs organisaties voor de mensenrechten aan voorbij gaan.

De ‘oorlog tegen het terrorisme’ heeft het oude Europa gereduceerd tot de rang van kolonie. Die ‘oorlog tegen het terrorisme’ is een vorm van staatsterrorisme die het leven van miljoenen mensen uitlevert aan de willekeur van het imperium. Onze hechtenis was een aanslag op het internationaal recht en kan daarom een breekpunt worden. Europa is de bakermat geweest van nobele ideeën als vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Het continent heeft in grote mate bijgedragen aan de wetenschappelijke vooruitgang en de verspreiding van de democratie. Op dit ogenblik echter is Europa nog maar de schaduw van zichzelf: de landen van dit continent waar eens de Verlichting en revolutionaire ideeën ontstonden worden nu bedreigd door vormen van neo-obscurantisme.

Wat wij hebben meegemaakt kan een aanleiding zijn voor alle volkeren en regeringen van Latijns Amerika, de Caraïben, Europa, Azië, Afrika en Noord-Amerika om een solidair blok te vormen tegen de onwaardige houding van de landen die betrokken zijn bij die schending van het internationaal recht. Het is tevens een uitstekende gelegenheid om de sociale bewegingen te mobiliseren in hun strijd voor een andere wereld, gebaseerd op solidariteit en complementariteit. Het is de taak van de volkeren om zo’n wereld op te bouwen.

Wij zijn ervan overtuigd dat alle volkeren van de wereld, ook van Europa, de agressie waarvan wij het slachtoffer werden, hebben aangevoeld. Wij interpreteren hun verontwaardiging als een indirecte manier om hun verontschuldigen aan te bieden die nog altijd niet werden uitgesproken door de betrokken regeringen. iii

 

*Le Monde Diplomatique nr. 713 van augustus 2013, vertaling Walter Loten

Noten

i Zijn lid: Antigua en Barbuda, Bolivia, Cuba, Ecuador, Nicaragua, Dominicaanse Republiek, Sint-Vincent en de Grenadines en Venezuela (alle voetnoten van de redactie)

ii Abya-Yala is de naam die de Kuna, inheemsen van Panamá en Colombia, vóór Colombus aan het continent gaven.

iii Intussen hebben Lissabon, Madrid, Parijs en Rome officieel hun excuses aangeboden aan La Paz.