Radicaal linkse partijen in de EU: een sterkte of een zwakte?

Image 7
Facebooktwittergoogle_plusmail

De crisis duurt inmiddels zo’n vijf jaar. Hoewel ze begon in de Verenigde Staten, kreeg de Europese Unie er al zeer snel mee af te rekenen. Ierland, Griekenland, Spanje en Portugal werden bijgestaan door de ‘troïka’ om hun schuldenlast te beheren en de Euro niet in gevaar te brengen. Maar ook de andere Lidstaten, zonder behoefte aan noodmaatregelen, gingen op de begrotingsrem staan en begonnen te sleutelen aan hun arbeidsrecht. Ondertussen bedraagt de werkloosheid in de EU 11 %, de jeugdwerkloosheid 23 %, en bijna een kwart van de bevolking leeft met een armoederisico. Wie, op een enkele uitzondering na, hier géén voordeel uit haalt is de radicaal linkerzijde. Waarom is het vertrouwen in hun oplossingen zoek? En wat zijn hun oplossingen?

Geen eenheid in verscheidenheid

In een studie van 26 radicaal-linkse partijen met parlementaire vertegenwoordiging in de EU, stelt Luke March van de Universiteit van Edinburgh vast dat er sinds 2008 wel degelijk vooruitgang werd geboekt. De stemmenpercentages stegen met 25 %, maar dat is hoofdzakelijk te danken aan het Griekse Syriza dat bij de laatste verkiezingen meer dan 25 % van de stemmen haalde. Bovendien is de basis van waarop men in de jaren ’80 vertrok bijzonder laag. Grosso modo gaat de lijn sinds de jaren ’40 naar beneden. De relatieve stemmenwinst van de laatste jaren komt hoofdzakelijk van de sociaal-democratie die duidelijk in een crisis zit.

De vraag die ik in dit artikel wil proberen te beantwoorden is of de houding in verband met de Europese Unie voor radicaal-linkse partijen een sterkte of een zwakte is en hoe dat in de toekomst kan of moet evolueren. Bieden de partijen meer duidelijkheid dan de sociale bewegingen?

Een dergelijke vraag houdt geenszins in dat er slechts één enkele houding zou kunnen of mogen bestaan. In een studie voor de Rosa Luxemburg Stichting stelt de onderzoeker vier ideologische groepen vast binnen radicaal links.

De nieuwe Europese linkerzijde (met Syriza, Izquierda Unida, die Linke, de Franse en de Oostenrijkse KP’s, de Luxemburgers en Rifondazione Comunista) staan over het algemeen positief tegenover het bestaan van de EU. Tegelijk staan ze zeer kritisch tegenover het beleid.

In een tweede categorie zitten de ‘klassieke communisten’ (de Portugese, Griekse, Tsjechische en Slovaakse communistische partijen) die de EU enkel als motor van het neoliberalisme zien, waardoor de sociale tegenstellingen groter worden en het imperialisme hoogtij viert.

In een derde categorie worden de trotzkistische partijen ondergebracht (Portugese Bloco, de Franse LCR en LO, de Britse Socialist Workers Party, de Deense Rood-Groene Eenheidslijst). Ze zijn uitgesproken tegen de huidige EU, op eenzelfde manier als de ‘klassieke communisten’.

In een vierde categorie zitten de Scandinavische linkse partijen die van zeer kritisch tot afwijzend op de EU reageren.

Het mag echter duidelijk zijn dat de scheidingslijnen niet zo helder lopen als ze hierboven zijn geschetst. In zowat alle partijen heeft de ‘Europese kwestie’ voor verdeeldheid en hier en daar zelfs voor afsplitsingen gezorgd. Vaak heeft dat te maken met locale, historische omstandigheden, zoals in Midden-Europa, soms ook – een erfenis uit het verleden – met loyauteit aan Moskou.

De verdeeldheid kwam ten volle tot uiting bij de standpunten over het ontwerp van grondwettelijk verdrag in 2005. Slechts twee partijen waren uitgesproken voor, negen partijen waren voor een andere ontwerp-grondwet, drie partijen tegen elke vorm van grondwet en nog eens drie partijen tegelijk ook tegen lidmaatschap van de EU.

De verschillen zijn grotendeels terug te brengen tot twee fundamentele punten. Het eerste punt is de beoordeling van de EU op zich, een instelling die mee evolueert met de politieke meerderheden zoals ze in de Lidstaten bestaan – en dus vatbaar voor verandering – of een per definitie kapitalistische en niet-hervormbare onderneming. Het tweede punt van verschil is het besef of de afwijzing van de onderlinge afhankelijkheid van landen. Kunnen landen het individueel nog zien te redden in deze gemondialiseerde wereld en is socialisme in één land mogelijk? Van het antwoord op deze vragen hangt af of men een Europees beleid wenselijk, noodzakelijk dan wel verwerpelijk vindt. In geen enkele partij heerst hierover een echte consensus. Het idee van een Europese integratie verdeelt de linkerzijde, zoveel is zeker.

Europese samenwerking

Dit maakt Europese samenwerking alvast niet makkelijk. In het Europees Parlement heeft er altijd een communistische fractie bestaan. Aanvankelijk zetelden er enkel Fransen en Italianen in die nota bene nooit samen vergaderden, maar om praktische redenen wel één fractie vormden. Vandaag zetelen er 17 partijen uit 13 landen in de fractie van ‘Verenigd Links – Noordelijk Groen Links’. Het is, naast de fractie van de nationalisten, de meest heterogene fractie van het Europese Parlement. Hiermee wordt bedoeld dat er bij de stemmingen in het EP uiteenlopend wordt gestemd door de leden van de fractie. De ‘cohesie’ van de fractie bedraagt 87,61 % bij stemmingen over openbare vrijheden en justitie; 86,59 % bij stemmingen over internationale handel; 85,84 % bij stemmingen over werkgelegenheid en sociale zaken. Ter vergelijking: de meest coherente fractie in het EP is die van de Groenen. Ze haalt 94,57 %.

Hier hebben de verschillen minder met de inhoud van het beleid te maken, dan wel met de vraag of de EU als legitiem beleidsniveau wordt erkend. Zoals Gabi Zimmer, huidig voorzitter van de fractie, het op een lezing in Brussel recent aangaf, zijn heel wat afgevaardigden hoegenaamd niet geïnteresseerd in een betere Europese samenwerking. De meeste partijen, zo zei ze, zijn nog té veel met zichzelf bezig, ze hebben de mislukking van het staatssocialisme nog niet verwerkt. Hun ergste vijand is nooit de rechterzijde, maar de afgevaardigden van een andersdenkende linkerzijde. En op die manier wordt de radicaal-linkerzijde als een amoebe die zich opdeelt en opdeelt tot er tenslotte niets meer overblijft…

Niet alle partijen die lid zijn van de fractie van ‘Verenigd Links’ zijn ook lid van de Europese Linkse Partij (ELP). Hierin zitten ook partijen van landen buiten de EU en zonder enige parlementaire vertegenwoordiging. Maar sommige leden van ‘Verenigd Links’ zijn helemaal geen lid van de ELP, zoals de Griekse KKE en de Nederlandse SP.

Het is dus zo goed als onmogelijk om eensgezinde standpunten en zelfs om duidelijke scheidingslijnen te trekken. Zelfs voor punten waarrond er inhoudelijk een zekere overeenstemming te bereiken zou zijn – zoals een sterker sociaal beleid – zijn er grote verschillen over wie dat beleid dan moet gaan voeren, de EU dan wel de nationale regeringen.

Een sterke radicaal-linkse beweging die eensgezind met een duidelijke programma naar de Europese verkiezingen trekt – eventueel zelfs met één kandidaat die bij een overwinning Commissievoorzitter zou kunnen worden – zit er niet in. Ook al zijn er twee kandidaten die voldoende Europese bekendheid genieten, Alexis Tsipras van Syriza en Jean-Luc Mélenchon van het Front de Gauche, ze maken weinig kans op een algemeen akkoord.

Doet het er toe?

Een andere vraag die wel moet gesteld worden is of de Europese standpunten van al deze linkse partijen ook een invloed hebben bij de Europese verkiezingen. De legitimiteit en de geloofwaardigheid van de EU heeft met de crisis en de opgelegde soberheid een flinke deuk gekregen. Het lijkt niet haalbaar om naar de kiezers te gaan met een eis voor meer Europese integratie, wat, volgens sommige partijen, nochtans echt nodig is om duurzame oplossingen te vinden.

In feite zijn de standpunten van de kiezers vrij tegenstrijdig. Zowat 32 % van de Europese kiezers denkt momenteel dat hun land het beter zou doen zonder EU-lidmaatschap en 45 % zegt ontevreden te zijn met het huidige EU-beleid. Slechts 41 % van de kiezers denkt dat de EU de goede weg opgaat.

Toch denkt 81 % van diezelfde kiezers dat de nationale begrotingen inderdaad in evenwicht moeten gebracht worden, 23 % denkt dat de EU beter geschikt is dan de nationale regeringen om de crisis op te lossen; in alle Lidstaten is er een meerderheid om te pleiten voor strenge Europese regels op de financiële sector en op fiscale paradijzen. Een grote meerderheid denkt dat de gezondheidszorg nationaal moet blijven, maar bijna de helft van de mensen wil wel een Europees werkgelegenheidsbeleid. Er is dus wel degelijk een potentieel voor duidelijke en constructieve standpunten.

Misschien hebben diegenen die denken dat het Europese thema niet zoveel electoraal gewicht heeft, wel gelijk. De Europese verkiezingen blijven in eerste instantie nationale verkiezingen en het zijn nationale thema’s die de doorslag geven bij het stemgedrag.

Toch is hiermee de kous niet af.

Want het lijdt, ten eerste, geen twijfel dat een sterke eensgezinde politieke groep met een aantrekkelijke boodschap en een duidelijk alternatief wel degelijk het verschil zou kunnen maken in de verkiezingen. Men hoeft zich dan niet uit te spreken over de mate waarin de Europese integratie al dan niet moet versterkt worden, maar over een sterk sociaal-economisch beleid met uitzicht op werk en bescherming. Een grotere consensus hierover zou mogelijk moeten zijn. De kans dat het gebeurt is echter bijzonder klein. Of omgekeerd, dat al diegenen die pleiten voor een ‘ander Europa’, eindelijk eens zeggen wat ze daar precies mee bedoelen, welke instellingen en verdragen ze weg willen of willen wijzigen, en hoe.

Ten tweede heb ik in een recent artikel al moeten vaststellen dat ook bij de sociale bewegingen er weinig eensgezindheid bestaat over ‘Europa’. Men prijst zich gelukkig dat bewegingen, vakbonden en enkele partijen een akkoord hebben kunnen vinden rond een ‘manifest’ en een ‘alter-summit’ in Athene, maar inhoudelijk staat men nergens en men durft het debat niet eens te voeren, want men weet dat het de kleine groep verdeelt.

Ten derde is het even duidelijk dat alle nieuwe sociale bewegingen, van ‘occupy’ tot ‘indignados’, vooral niets met de klassieke partijen willen te maken hebben. Men zet zich af tegen deze ‘oubollige’, patriarchale en hiërarchische structuren, men zet zich af tegen de representativiteit, en men gaat zijn eigen weg. Wat we ook mogen denken over de slaagkansen van deze nieuwe bewegingen, het feit dat ook radicaal-links er geen aanknoping mee vindt, geeft te denken.

Ten vierde moet nog een ander punt onderstreept worden. De partijen die enig succes hebben, zoals de Nederlandse SP en het Griekse Syriza, zijn ook de partijen die hun ‘radicaliteit’ hebben opgegeven en duidelijk kandidaat zijn om regeringsverantwoordelijkheid op te nemen. Het is een punt dat voor nog meer verdeeldheid zorgt. Wie op facebook de ruzies tussen Syriza- en KKE-militanten in Brussel wil volgen, zal begrijpen dat ’radicaal-links’ lang geen ‘politieke familie’ vormt.

Tenslotte zijn er de individueel-psychologische problemen waar radicaal links moet mee afrekenen. Ze liggen aan de basis van veel te veel interne twisten die ook in de buitenwereld worden opgemerkt en het vertrouwen volledig ondermijnen. ‘’De ideologie van de linkerzijde is té vaak een onderdeel van de persoonlijke identiteit van mensen”, aldus de secretaris van de Ijslandse partij op de Brusselse conferentie. Deze linkse partij zat vier jaar lang in de regering, maar is bij de jongste verkiezingen genadeloos afgestraft, volgens hun eigen analyse wegens té veel intern geruzie.

Het is ook dat laatste punt dat er toe leidt dat totaal onbegrijpelijke beslissingen worden genomen. Hoewel het sociaal beleid het punt vormt waarover de grootste overeenstemming wordt bereikt tussen alle radicaal-linkse partijen, wordt een onderzoeksproject om nu eens concreet in te vullen wat een ‘sociaal Europa’ al dan niet kan betekenen, genadeloos verworpen. Men wil eerst uitzoeken wat ‘de crisis’ betekent en of het kapitalisme aan het kapseizen is of niet …

Wat men ook mag denken van de Europese Unie en de noodzaak of de overbodigheid van de Europese integratie, het lijkt me vast te staan dat de radicaal-linkerzijde geen toekomst kan hebben als ze de puntjes niet op de ‘i’ zet. Europese maatregelen lijken me hier en daar wel degelijk nodig zijn, b.v. om fiscale of sociale dumping tegen te gaan. Eensgezindheid zit er niet in, maar men zou klare wijn kunnen schenken in plaats van met een onduidelijke boodschap naar de kiezer te gaan. Radicaal-links is klein, maar kan niet groeien zonder te weten hoe het wil groeien.

En in België?

In België lijkt de PVDA op winst te staan, o.m. omdat meer en meer mensen het vertrouwen in de sociaal-democratie aan het opgeven zijn. Dat zou een prachtig uitzicht op een geloofwaardig en aantrekkelijk alternatief kunnen bieden, maar is het er? Komt het er? De vijf filmpjes die door de partij werden verspreid zijn erg goed, net zoals het boek van Peter Mertens dat de crisis begrijpelijk uitlegt aan de mensen. Maar dan? ‘Welk Europa willen wij?’ is de titel van de filmpjes, maar er komt geen antwoord op de vraag. Een ‘sociaal Europa’, zo wordt op het eind gezegd, tja, dat wisten we al, maar wat betekent dat? Meer Europees sociaal beleid? Minder Europees sociaal beleid? We komen het niet te weten.

Een portie utopie is onontbeerlijk bij het uitwerken van een alternatief. Maar die utopie moet ook vorm krijgen in een aantal concrete voorstellen die beantwoorden aan wat de mensen willen en verlangen. Het kiwi-model voor de gezondheidszorg, een miljonairstaks, een openbare bank, het zijn goede voorstellen. Maar hoe pak je het neoliberalisme aan met tegelijk meer en minder markt? Wat betekent ‘socialisme’ nu precies? Hoe sterk is het – al dan niet – verschillend van het socialisme van vorige eeuw? Telkens wanneer moeilijke vragen worden gesteld, komt er een antwoord dat heel sterk herinnert aan de oude vormen en gedachten. Een dialoog is niet altijd makkelijk. Terwijl ondertussen, door marxistische denkers, een bibliotheek is vol geschreven over wat en waar het denken van Marx moet worden aangevuld of gecorrigeerd, is elke openlijke kritiek hier nog taboe. Men wil ons nog steeds doen geloven dat Cuba en Venezuela goede voorbeelden zijn voor een socialisme bij ons. Tja… Ik vraag me dan af hoe veel mensen hier naar zo’n socialisme kunnen snakken?

De radicaal-linkerzijde in de EU is aan een ernstig gewetensonderzoek toe. Het resultaat daarvan zal geen eensgezindheid zijn, zoveel weten we al. Maar een duidelijke visie op het Europese integratieproces en op de beleidsniveaus die men wil inschakelen voor een aantal belangrijke sectoren, zou een grote kans bieden voor meer helderheid en meer aantrekkelijkheid. Niet de meningsverschillen vormen een probleem, wel het verbergen ervan, de valse consensus die nergens op berust.

Ten tweede lijkt een duidelijke breuk met een bepaald verleden om alle angst die er bij veel mensen nog leeft, weg te werken, me zeer welkom. Wie wil er vandaag nog ‘socialisme’ als er nog steeds het gebrek aan respect voor mensenrechten, democratie en persoonlijke vrijheden rond hangt? Als kleine ondernemingen vrezen dat hun bedrijf zal genationaliseerd worden? Dat de winkelrekken zullen leeg zijn? Wie wil dat? Waarom kan daar rond geen duidelijkheid komen? Uiteraard is dat niet het beleid dat kleinlinkse partijen vandaag voorstaan, maar dat ze breken met een bepaald verleden zou moeten gezegd worden. Want dat zijn precies de punten die de rechterzijde met veel leedvermaak aanhaalt om elk links alternatief als ongeloofwaardig af te schilderen.

Tenslotte zou het goed zijn niet langer uitsluitend naar vijanden te zoeken binnen de eigen politieke familie. De vijand is niet links, hij is rechts, neoliberaal en conservatief. En er kan al zoveel gedaan worden zonder eerst de EU te veranderen, zonder eerst het kapitalisme af te schaffen, zonder eerst … De locale verkozenen van de PVDA weten dat zeer goed en kunnen een belangrijke ervaring overbrengen bij hun militanten.

Kortom, het zou onaanvaardbaar zijn mocht deze crisis niets meer zijn dan een gemiste kans voor de linkerzijde. Er is in dit land plaats voor een partij links van de sociaal-democratie. Maar ze moet wel een groot publiek kunnen aanspreken met een heldere boodschap, met antwoorden op de vragen waar mensen mee zitten. Een boodschap die veel mensen in de brede samenleving doet verlangen naar een links beleid.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.