Het einde van de verzorgingsstaten?

europesevlaggen rep2
Facebooktwittergoogle_plusmail

De uitdagingen voor de Europese verkiezingen van 2014 aan de vooravond van de Europese Raad van 27 en 28 juni 2013

Eind juni vindt de gebruikelijke Europese Raad plaats in Brussel. Eens te meer staat het ‘economisch bestuur’ (‘economic governance’) op de agenda, en ook de ‘sociale dimensie’ van de economisch-monetaire unie (EMU). Wie mocht denken dat hiermee een stap wordt gezet in de richting van het zo vaak geëiste ‘sociaal Europa’ komt bedrogen uit. Zoveel is zeker. Maar wat wordt het dan wel?

 

Het ‘economisch bestuur’ dat met de financieel-economische crisis in een stroomversnelling is geraakt, wordt met horten en stoten ingevoerd. Na publicatie door de Europese Commissie van een jaarlijks ‘Groeirapport’, begint het Europese ‘semester’ dat zorgt voor een coördinatie van het begrotingsbeleid van de Lidstaten; de wetgeving van de ‘sixpack’ en de ‘twopack’ regelt in detail de manier waarop de Europese Commissie kan toekijken op het beleid van de nationale regeringen. Het ‘Begrotingsverdrag’ legt een ‘gouden regel’ (begrotingsevenwicht) en de sancties bij niet-naleving verdragsrechtelijk vast. Het ‘Euro+ Pact’ dat vanuit institutioneel oogpunt het meest verbazingwekkend is – de nationale regeringen formuleren aanbevelingen over zaken waarvan ze toegeven dat ze niet tot de Europese bevoegdheid behoren – geeft aan dat er geen grenzen staan op de politieke wil van de Lidstaten om hun neoliberale soberheidsideologie door te drukken. Er zit verder nog een ‘Bankunie’ in de pijplijn.

Wat eind deze week wordt besproken is een ‘Stappenplan voor een waarachtige Economisch-Monetaire Unie’. Dat plan werd al goedgekeurd op de Europese Raad van December 2012, maar sommige aspecten ervan, net als de ‘sociale dimensie’, staan nu op de agenda .

Over het stappenplan zelf wil ik hier kort zijn, om meer aandacht te kunnen besteden aan de ‘sociale dimensie’. Het is de bedoeling een ’veerkrachtiger en beter geïntegreerde EMU’ tot stand te brengen die externe economische schokken kan opvangen, het Europees model van sociale cohesie kan vrijwaren en de Europese invloed mondiaal kan bestendigen’. ‘Meer Europa’ is geen doel op zich, zo stelt de tekst, maar een middel in dienst van de Europese burgers, door hun welvaart te verhogen. Meer integratie moet daarom gepaard gaan met een grotere democratische legitimiteit en meer ‘accountability’.

Inhoudelijk komt het er op neer dat de Lidstaten vrijwillig een individuele overeenkomst afsluiten met de Europese Commissie waardoor nog meer beleidsdomeinen onder toezicht komen en er ‘meer convergentie’ ontstaat. Er worden dan niet langer sancties uitgeschreven maar er wordt financiële steun beloofd aan wie het contract goed naleeft. Hiervoor wordt – buiten de EU begroting – een potje aangelegd waarmee b.v. ook korte termijn werkloosheidsvergoedingen kunnen betaald worden mocht er zich in een land toch nog een bijzondere schok voordoen. Dat zijn de ‘solidariteitsmechanismen’. Hoe dan ook komen de sociale uitgaven dan onder Europees toezicht zoals dat in het ‘semester’ al is georganiseerd. Dat betekent ook, kort samengevat, dat de inspanningen voor de coördinatie van het economisch beleid niet langer enkel macro zijn, maar ook de micro-economie en de sociale uitgaven gaan omvatten.

Er zijn drie manieren om hierop te reageren: men kan deze logica aanvaarden in naam van de instandhouding van de economisch-monetaire unie en de Euro, men kan deze logica afwijzen wegens een te ver gaande bevoegdheidsoverdracht die de soevereiniteit van landen in gevaar brengt, of men kan deze logica verwerpen wegens haar neoliberale inslag. Mijn keuze gaat naar dat laatste.

 

De ‘sociale dimensie’

Wat kan de ‘sociale dimensie’ van de economisch-monetaire unie in zo’n context betekenen?

Het Europees Vakverbond heeft het afgelopen jaar heel wat voorstellen geformuleerd om een sociale ramp af te wenden. Van een sociaal Pact met voorrang van sociale rechten boven economische vrijheden, tot investeringsplannen, een sterkere sociale dialoog, invoeren van een Europees minimumloon en behoud van de nationale bevoegdheid over loonvorming en collectieve onderhandelingen.

Het mag voorlopig niet baten. De enige concrete maatregel die dit jaar werd goedgekeurd is een ‘garantie’ in het kader van een werkgelegenheidspakket voor jongeren. Jonge mensen die werkloos worden of na hun studies geen baan vinden moeten binnen de vier maanden een aanbod krijgen voor een kwalitatieve job, voor verder gezette opleiding, een leercontract of een stage. Voor de periode 2014-2020 wordt hiervoor een bedrag van 6 miljard Euro uitgetrokken, waarvan de helft uit het Europees Sociaal Fonds komt. Dit alles staat in een ‘aanbeveling’ aan de Lidstaten en is dus niet juridisch bindend .

Een uitgelekte versie van de conclusies die voor de Europese Raad van eind juni 2013 worden voorbereid tonen aan dat die ‘sociale dimensie’ bijzonder vaag blijft en dat de regeringen niet verder komen dan enkele mooie woorden.

De Raad van de Europese Unie heeft ondertussen echter de voorstellen van de Europese Commissie over ‘sociale investeringen’ goedgekeurd . In tegenstelling tot de voorstellen uit de academische wereld wordt dit door de Europese Unie alweer gezien als een mogelijkheid tot hervorming en bezuiniging op de sociale uitgaven – met name pensioenen en gezondheidszorg – en wordt er eveneens in gesteld dat dit onder toezicht van de Commissie in de activiteiten van het ‘semester’ kan opgenomen worden.

Met andere woorden, de ‘sociale dimensie’ waarvan sprake voert geenszins een gewijzigde logica in, maar verankert het sociale beleid in de economische zienswijze en plaatst het mee onder toezicht. Het is een bevestiging van de eerder gemaakte vaststelling dat het sociale beleid in dienst komt te staan van groei en concurrentievermogen.

 

Een sociale ramp

Volgens het jongste verslag van de Europese Commissie bedraagt de werkloosheid in de EU 10,8 % (26,2 miljoen mensen) en 11,9 % in de Eurozone (19 miljoen mensen), met een piek in Griekenland van 27 %. 23,6 % van de jongeren in de EU, bijna 6 miljoen mensen, zijn werkloos. In Spanje en Griekenland is dat meer dan 55 %. Meer en meer mensen raken ontmoedigd en trekken zich terug uit de arbeidsmarkt. Almaar meer gezinnen hebben financiële moeilijkheden en kunnen het hoofd niet boven water houden. De schuldenlast loopt op. Nagenoeg een kwart van de bevolking in de EU leeft met een armoederisico.
Het kan dus niet verbazen dat dit gevolgen heeft op de migratiepatronen. Immigratie naar de EU neemt lichtjes af, migranten hebben hier ook een dubbel zo groot werkloosheidsrisico als EU-burgers. De emigratie daarentegen neemt toe. Jonge hooggeschoolde arbeidskrachten uit Spanje en Portugal vertrekken naar de ex-kolonies in Latijns Amerika en Afrika. Anderen, ook uit Griekenland en Italië trekken naar Noord Europa, vooral Duitsland. Het verhoogt de concurrentie op de arbeidsmarkt en drukt op de lonen.

Ondanks de moeilijkheden op de arbeidsmarkt zijn alle overheden bezig met het inperken van hun sociale uitgaven. Waar ze in het begin van de financiële crisis hun sociale uitgaven lieten meegroeien met de toenemende behoeften is aan die trend nu een eind gekomen. Hoewel de situatie erg verschillend kan zijn van land tot land, is de inkomensdistributie in de meeste landen wel degelijk veranderd. Vandaag kan de sociale bescherming haar rol van ‘automatische stabilisering’ dan ook niet meer spelen . Tel daarbij dat de lonen in heel wat landen en sectoren aan het dalen zijn en de arbeidsmarkt almaar flexibeler wordt. De precaire arbeid neemt toe. Van economische of sociale zekerheid is nog nauwelijks sprake.

In 2012 maakte het Europees Vakbondsinstituut een studie over het veranderende arbeidsrecht . Hieruit blijkt zeer duidelijk dat de nationale regeringen niet hebben gewacht op ‘het diktaat’ van de Europese Commissie maar nagenoeg overal flexibilisering invoeren. Het is daarom een illusie te geloven dat een behoud van nationale bevoegdheden iets aan die situatie zal veranderen.
In januari 2013 hebben een aantal Europese juristen dan ook een manifest uitgegeven waarin zij herinneren aan de vele plechtige beloften die de staats- en regeringsleiders op tal van internationale vergaderingen herhalen. Desalniettemin stellen ze vast dat de arbeidsmarkt gedereguleerd wordt, dat de mechanismen voor collectieve onderhandelingen ondermijnd worden en dat de vakbonden verzwakken. Ze roepen de regeringen op om hun legale verplichtingen krachtens het Verdrag van Lissabon en het Handvest van grondrechten te respecteren. Zij zijn van oordeel dat de Verklaring van Philadelphia niet langer wordt geëerbiedigd.

We mogen geen enkele illusie koesteren. Onze regeringen zijn niet van plan de oude basisprincipes van onze verzorgingsstaten te handhaven – burgerschap en gelijke rechten, universalisme, ont-markting en organische solidariteit. Ze gebruiken de Europese instellingen om via min of meer bindende maatregelen een nieuw systeem in te voeren waarin het sociaal beleid in dienst staat van de economie en mensen slechts minimaal worden beschermd. Dat dit gebeurt in een context waarin op internationaal vlak de loftrompet wordt gestoken over sociale bescherming – ook door de Europese Commissie – is meer dan ironisch.

 

Van Europese integratie naar mondialisering

Het spreekt voor zich dat een Europees project dat zijn mensen geen economische of sociale bescherming te bieden heeft, maar integendeel alle beschermingsmechanismen afbouwt, werknemers opzet tegen armen en armen tegen werknemers, geen enkel draagvlak kan hebben bij de bevolking. Ook de democratische legitimiteit komt meer en meer in gevaar, niet enkel door de tekortkomingen in de Europese procedures, maar ook door de hypocriete houding van regeringen die in de Europese Raad maatregelen goedkeuren die ze later op nationaal vlak veroordelen.

Het Europese project wordt op deze manier van zijn substantie beroofd en stilaan dringt het besef door dat dit voor de Europese verkiezingen van 2014 dramatische gevolgen kan hebben. Indien een grote minderheid van eurosceptici of van extreem-rechts in het Parlement komt, kan de EU onbestuurbaar worden. Misschien zullen sommigen dat niet erg vinden, zeker niet al diegenen, aan de linkerzijde, die nooit in de democratische input van het Europees Parlement hebben geloofd, en, aan de rechterzijde, zij die maar al te graag de democratische vertegenwoordiging van de burger zien verdwijnen.

Nog niet alles is verloren, maar het water staat nu wel aan de lippen. Daarom moet er op de grote verantwoordelijkheid van de linkerzijde worden gewezen.

Met de diverse voorstellen van de sociaal-democratie en van de vakbonden zouden we zeker nog heel wat van onze verzorgingsstaten en van ons ‘sociaal model’ kunnen redden. Helaas is de sociaal-democratie zelf een heel stuk opgeschoven naar het centrum en is op heel wat punten ongeloofwaardig geworden. Een goed voorbeeld is de ‘Beginselverklaring’ van de SPA, waarin wel de ‘welvaartstaat’ wordt geprezen, maar waar die toch geen apart hoofdstuk meer verdient. Zo’n hoofdstuk is er wel voor armoedebestrijding, precies wat neoliberalen voorschrijven. Het hoofdstuk over ‘werk’ sluit eveneens in heel wat punten aan bij de nieuwe trends die het sociale beleid en het werkgelegenheidsbeleid in dienst stellen van de economie, de groei en de markt. De Europese tekst die onder het voorzitterschap van Caroline Gennez werd geschreven, bevestigt een aantal belangrijke principes die niet altijd in de praktijk worden gebracht .

Kleinlinks is op Europees vlak een slagveld. Men slaagt er niet in ook maar enige mate van duidelijkheid te verschaffen, en zeker niet om tot enige convergentie te komen . Sommigen zijn radicaal tegen de EU en tegen elk idee van Europese integratie, anderen zijn vooral tegen de overdracht van soevereiniteit. Een onderscheid tussen beleid en instellingen wordt niet gemaakt. In feite reageert men zoals Bart De Wever: beleid niet goed? Verander de instellingen. Men wil een ‘ander Europa’, een ‘sociaal’ en ‘democratisch’ Europa maar men kan niet zeggen wat dit betekent.

Men staart zich blind op ‘lobby’s’, ‘Europese Ronde Tafels’ en ‘het volk’ dat zijn ‘zeg’ niet zou hebben, maar men ziet niet dat ondertussen in alle Europese landen de democratie en de verzorgingsstaten worden afgebouwd. Men wil niet begrijpen dat de Europese Unie niet meer is dan de optelsom van haar Lidstaten. Durft er iemand beweren dat de sociale bescherming kan gered worden als ze in de buurlanden verdwijnt? Durft er iemand beweren dat een hoge fiscaliteit een oplossing kan zijn als de buurlanden de belastingen naar beneden halen?
Wat men niet wil zien is dat niet de EU de vijand moet zijn, maar wel een ideologie die samenlevingen ontbindt, die herverdeling en solidariteit uit het woordenboek schrapt, die de concurrentie tot dogma verheft.

 

Besluit

Ik wil hieruit drie punten halen tot besluit.

Ten eerste, als men de ‘sociale dimensie’ van het Europese project wil redden, en op zijn minst de nationale verzorgingsstaten wil behouden, zijn er dringend bindende, Europese normen nodig. Dit is niet enkel nodig voor de bescherming van mensen, maar tevens voor de legitimiteit en voor het draagvlak van dat project zelf. Een muntzone kan ook niet bestaan zonder stevige solidariteitsmechanismen, niet in de betekenis van het huidige stappenplan, maar solidariteit in het beheer van de schuldenlast, solidariteit tussen regio’s en landen, solidariteit tussen mensen.

Het argument van de onbetaalbaarheid gaat niet op. Een beperkte financiële transactietaks, een ernstige strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking, een afschaffing van fiscale paradijzen zijn voldoende om de EU een degelijke begroting te geven waarmee Europees beleid kan gevoerd worden en de werkloosheid en de armoede kunnen bestreden worden.

Ten tweede, om dat te bereiken moet komaf gemaakt worden met een nefaste ideologie die al decennialang de Europese integratiegedachte ondermijnt. We hoeven hierover geen romantische of nostalgische ideeën te hebben, maar een realistisch en pragmatisch besef van wat individuele landen nog kunnen betekenen in een wereld waarin de economie en de financiën zijn gemondialiseerd – inclusief de productieprocessen zelf. Even realistisch moeten we zijn over de gevolgen van een doorgedreven concurrentiestrijd tussen mensen, regio’s en landen. Een terugkeer naar de nationale staten kan niet anders dan op termijn tot conflicten leiden. De Europese Commissie herleiden tot een secretariaat van de Europese Raad mag dan al de natte droom van veel liberalen en linksen zijn, het leidt in het beste geval tot een impasse.

Ten derde, het is een illusie te denken dat de beleidsmensen van vandaag nog geloven dat ze bezig zijn met ‘het oplossen van de crisis’. Sommigen zijn de draad volledig kwijt, en weten niet langer wat ze nog kunnen doen. Anderen weten zeer goed wat de kansen zijn in deze veranderende tijd. Zij laten zich inspireren door zij die actief aansturen op een afbouw van verzorgingsstaten en het instellen van minimale sociale bescherming in dienst van de economie. Zij luisteren naar diegenen die, zoals in het krantenartikel van deze week , erop wijzen dat de neoliberale mondialisering niet langer verzoenbaar is met een volwaardige democratie. Voor hen kan een nieuw tijdperk beginnen.
Het zijn niet enkel de verzorgingsstaten en de democratie die gevaar lopen. De Europese integratie zelf staat op de helling. Voor diegenen die in de EU enkel een interne markt hebben gezien – zoals de Britten -, komt nu ook het einde van dat tijdperk in zicht. Met het vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS waarover de onderhandelingen nu beginnen, kan de EU gewoon overbodig worden. Het kan dus ook het einde worden van een Eurozone met een eigen economisch en sociaal beleid dat model zou kunnen staan voor de rest van de wereld. Het kan het einde worden van een project waarin naar collectieve Europese oplossingen voor mondiale uitdagingen wordt gezocht. Het kan de triomf van de neoliberale ‘mondialisering’ worden.

Dit zijn zeker geen punten die op de politieke agenda van de EU staan. Het zijn wel ontwikkelingen die mogelijk worden als de Europese beleidsmakers – onze regeringen – zich niet herpakken en daadkrachtig een economische en sociale oplossing zoeken voor de rampzalige situatie van vandaag.

Dit wordt de uitdaging voor de verkiezingen van 2014.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.