Wandelen met Flora

Facebooktwittergoogle_plusmail

In 2010 verscheen van Nick Meynen Nepal, nieuwe wegen in de Himalaya. Het was een goed en ook goed onthaald boek dat uitstak boven de grote hoop van reispublicaties waarmee we overrompeld worden. Ik noemde in een bespreking voor www.uitpers.be (nr. 121) Nick Meynen – en ook Ann De Craemer van wie ik een boek gelijktijdig besprak – “schrijvers met een dubbele blik”.

“Bij het reizen gaat het zowel om het macro als om het micro gegeven, zowel om de ruime context als om het individu dat zijn rondedansje maakt in die context. Het gaat dus, anders gezegd zowel over Kuifje als Afrika. Nick Meynen (en Ann De Craemer) weten in hun werk op een boeiende manier om te springen met de Kuifje-in-Afrika-problematiek. Zij vertrekken allebei van wat ik zou willen noemen ‘de dubbele blik’. Daarmee bedoel ik dat zij niet alleen focussen op de schoonheid van de natuur en de belangrijkheid van culturele artefacten, maar ook oog hebben voor alle uitingen van de mens die in dat landschap rondloopt. Je kijkt niet alleen met je ogen, maar ook met wat je als kennis in je achterhoofd meedraagt.”

Die dubbele blik is ook nu weer in Meynens nieuw boek “Wandelen met Flora”  zeer sterk aanwezig. Nick Meynen draagt in dit boek niet alleen een rugzak met zich mee. Hij is niet alleen wandelaar, maar hij ontdubbelt zich ook voortdurend tot wat hij óók is: geograaf, activist, journalist en – jawel – vader. Vandaar de titel.

Met vrouw en zeer klein kind

Meynen wandelt met zijn vrouw Fany en zijn dochtertje Flora door de Pyreneeën. Van Hendaye in Frans Baskenland tot Argelès-sur-mer aan de Middelandse Zee. Duizend kilometers stapwerk. Op zich niet zo bijzonder. De tocht krijgt echter een heel ander karakter wanneer je weet dat er een baby mee is. Enkele maanden oud is Flora wanneer ze in 2009 uit Hendaye vertrekken en twee jaar later – het gezinnetje maakt de tocht in drie delen – is Flora een nieuwsgierige, nu en dan meestappende peuter. Dat is de eerste en belangrijkste verhaallijn van dit boek. Onderweg ontmoeten ze een dame die bij het zien van de rugzakken en de baby Flora tussen haar tanden sist dat Nick en Fany des gens inhumains zijn. Hun tocht en enkele vragen op internet maakten een discussie los, waarmee ook Amerikanen zich moeiden die Nick en Fany maar een stelletje onverantwoorde mafkezen noemden. Niets is echter minder waar. Beide ouders springen op een zeer scrupuleuze manier om met deze zeker niet evidente onderneming. Ze hebben er lang over nagedacht. Meynen formuleert het dilemma van ‘wandelen met baby’: “Een trektocht met een baby impliceert hoe dan ook dat je zoveel mogelijk onzekerheden weg moet werken. Je kunt van hem of haar geen doorzettingsvermogen vragen. Je moet de essentie van de hele onderneming er zo veel mogelijk uithalen om het voor die baby tot een verantwoorde activiteit om te vormen. Is het dan wel de moeite om het te doen?” (p. 44) Dat is het spanningsveld waarin de onderneming zich situeert. Wie het boek verder leest, weet dat het antwoord volmondig “ja” is.

Nick Meynen probeert zich ook te verplaatsen in de bovenkamer van zijn dochtertje: “Wat is dat toch met die twee? Plots draagt mama me elke dag in een doek die me dicht tegen mijn bron van troost en voeding drukt. Niet in de benauwde omgeving van dat bakstenen hol, maar in een wereld zonder grenzen. Als ik ontwaak, blijkt mijn bron meteen voorhanden. Er is geen kinderbedje waar ik mij eerst nog moet uitschreeuwen. Tweehonderdzevenentachtig slokken en een half uur later staat die rare gast met zijn stoppelbaardje klaar om over mijn rug te wrijven. Ik kan rustig mijn boertje in zijn oor laten, met of zonder een overschotje melk. Thuis zou dat niet het geval zijn.” (p. 78)

Wandelisme

Je leest het: “Wandelen met Flora” is veel meer dan een reisgids die praktische wenken geeft om met een kind op stap te gaan. Meynen is niet alleen een wandelaar, maar ook een auteur die op een vernuftige manier allerlei beschouwingen in het boek vermengt waardoor het wandelverhaal veel diepere dimensies krijgt. Het boek is een ‘ons’ verhaal zolang het over de vermetele gezinstocht gaat, maar krijgt op vele bladzijden ook een extra ik-dimensie. Meynen citeert even Ton Lemaire (“De kunst van het wandelen heeft niets te maken met prestaties, uitdaging of wedijver. Het is veeleer het vermogen om het juiste pad te vinden, een pad dat naar het hart van het landschap leidt.”) en voegt er dan als persoonlijke noot aan toe: “Geef mij maar een mooi pad waarvan een meertje in het dal en een mooie pas de ijkpunten van een zelfuitgestippelde route vormen. En met een geografische logica die me af en toe uitnodigt om stil te staan bij een grotere geheel.” (p. 54)

Een op zich eerder prozaïsche passage over het gewicht dat je in de rugzak meeneemt is voor Meynen aanleiding om te filosoferen over het ‘consuminderen’ en daarbij komen er heel wat namen van maatschappijkritische auteurs als Ton Lemaire, Peter Mertens, Paul Verhaeghe, Anneleen Kenis en Mathias Lievens, maar ook Robert Macfarlane, Michael Foley en Alain de Botton om de hoek kijken. Nergens wordt de tekst echter een omgevallen boekenkast. Daarvoor waakt de doserende hand van de auteur.  Nick Meynen noemt zichzelf een ‘wandelist’, geen wandelaar. Hij ziet wandelen als een religieus ritueel, als een atheïstische religie. “Voor mij is het wandelisme niet alleen een soort van religie, het is ook een manier om een nuance te brengen in het materialisme waar ik deel van uitmaak en het is een manier van kennisvergaring.” (p.  173) En daar schuilt een hele wereldbeschouwing achter. Voor Meynen is het wandelisme een manier om terug te keren naar de basis van het leren dat zowel via de zintuigen, het buikgevoel als het brein verloopt. “Dat sluit aan bij het ervaringsgericht onderwijs waar ik als kleuter en in de lagere school mee opgroeide: leren uit ervaring werd me met de paplepel meegegeven. De opkomst van participatieve leermethodes het meer klassieke onderwijs is ook in ons land volop bezig en loopt parallel aan de opkomst van het wandelisme: kennis komt al doende, niet meer ex cathedra.” (p. 174)

Wandelen en schrijven

Meynen ontpopt zich niet alleen tot filosoferende wandelaar of omgekeerd. Hij is ook aanwezig als een niet belerende geograaf en geoloog die met zijn geoefend oog sporen van geologische vensters die miljoenen jaren teruggaan in de tijd in de natuur aantreft. Na zijn beschrijving van een geologisch venster schrijft hij deemoedig: “Ziedaar een van de redenen waarom zowel geografie als wandelen mij zo fascineren. Ik ken weinig activiteiten die meer ego kunnen vernietigen, dan staren naar een rots met stenen die 570 miljoen jaar oud zijn.” (p.154)

“Wandelen met Flora” is een mooi boek van een ‘wandelist’, maar ook van een schrijver die een eigen stemgeluid aan het ontwikkelen is. No hay camino, se hace camino al andar (er bestaat geen weg, de weg ontstaat al lopend) is een uitspraak van Antonio Machado die niet alleen opgaat voor Nick Meynens wandelisme, maar ook voor zijn schrijven: al schrijvende begint hij steeds meer in zichzelf de schrijver te ontdekken.

In vergelijking met zijn vorige boek hecht Meynen steeds meer belang aan een gestileerde verwoording en een sterke opbouw – hier en daar schuift hij naadloos fragmenten in die verwijzen naar vorige reizen. Het beeld van de draak dat heel het boek meegaat en waarmee hij als geograaf op de serie bergketens wijst die op de oost-westas liggen, is een van die literaire vondsten.

Het gaat in “Wandelen met Flora” dus niet alleen om het plezier van het wandelen, maar ook om het plezier van het schrijven. Dat verraadt Nick Meynen al in zijn eerste zinnetjes: “Ondergedoken in haar draagdoek en door moedergeur bedwelmd voelt Flora het nirwana wenken. Een paar passen in een monotone en zachte cadans volstaan. Zij slaapt, wij stappen en de tijd mag ook een dutje doen.” (p. 13)

Wandelen met Flora
Nick Meynen
EPO
2013
207
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.