To be or not to be?

altersummit
Facebooktwittergoogle_plusmail

Waarom radicaal links het zo moeilijk heeft met ‘Europa’.

Blockupy in Frankfurt, stakingen in Spanje en Portugal, rellen in Stockholm, een vakbondsbetoging in Brussel en … een ‘AlterSummit’ in Athene. De sociale vrede is ver zoek in de Europese Unie, wat met het bezuinigingsbeleid van de afgelopen jaren ook niet anders kan. Maar hebben de sociale bewegingen ook een alternatief? En zo ja, hoe ziet het er uit? Of zo nee, waarom niet?

Het is al bijna tien jaar geleden dat de belangstelling van de linkerzijde voor het Europese beleid een enorme boost heeft gekregen. Toen de Europese Conventie begin van deze eeuw in de startblokken stond, werd er nog schouderophalend over heen gekeken. Het ontwerp-grondwettelijk verdrag dat er uit voortkwam leidde tot eerste moeilijke discussies bij Attac Vlaanderen. Maar echte actie kwam er pas toen de referenda in Frankrijk en Nederland dat verdrag naar de prullenmand verwezen. Men ontdekte dat er kon gemobiliseerd, gevochten en gewonnen worden rond Europese dossiers.

Er is in die kleine tien jaar een enorme vooruitgang geboekt. Men heeft moeten vaststellen dat het Verdrag van Lissabon helemaal niets in marmer heeft gebeiteld, maar dat de Raad al twee verdragswijzigingen heeft goedgekeurd. Nieuwe verdragen worden nu uitgepluisd, de ‘sixpack’ wordt onder de loep genomen, de aanbevelingen van de Europese Commissie worden verguisd. Volkomen terecht, want wat de economisch-financiële crisis aan Europees beleid heeft opgebracht, is verre van positief. De Lidstaten van de EU besparen zich kapot, in Zuid-Europa heerst een regelrechte humanitaire crisis, de Frans-Duitse ‘vriendschap’ ligt op apegapen en de Euro, tja, de Euro, kan die overleven?

Iedereen beseft, zowel de voor- als de tegenstanders van de Europese Unie, dat het zo niet verder kan. Iedereen wil een ‘ander Europa’. Maar voor de enen betekent dit ‘meer Europa’, dit is een echte federatie met een gemeenschappelijk begrotingsbeleid en aangepaste verdragen en instellingen, voor de anderen betekent het zo weinig mogelijk of géén integratie, terug naar de natiestaten of hooguit een inter-goevernementele Europese Unie.

Terwijl ik mezelf in de eerste groep thuis voel, wil ik hier duidelijk onderstrepen dat m.i. beide standpunten legitiem zijn. Ze  gaan uit van verschillende politieke uitgangspunten. Als iemand wil geloven dat zelfs kleine landen zich in de gemondialiseerde wereld van vandaag het best zelf kunnen verdedigen, dan moet dat kunnen.
De argumenten die de tegenstanders van elke Europese integratie aanhalen hebben meestal te maken met democratie en soevereiniteit. Zoals de Nederlandse SP kunnen ze gewoon niet geloven dat democratie voorbij de landsgrenzen nog mogelijk is. Een volk moet soeverein voor zichzelf de beslissingen kunnen nemen die het wenselijk acht, en daar hoeft niemand anders zich mee te moeien. Het is een kwestie van zelfbeschikkingsrecht.

Persoonlijk ben ik het volledig oneens met deze argumenten, maar nogmaals, ze zijn volstrekt legitiem. Ik wil het in dit artikel evenwel hebben over de noodzaak om helderheid te brengen in het politieke debat, dit is, duidelijk te stellen aan welke kant men staat. Want welke kant men ook uit wil, men zal er een democratische meerderheid voor nodig hebben en dat kan slechts met een duidelijke boodschap. Voor alle duidelijkheid, de twee standpunten die ik hierboven schetste kunnen zowel links als rechts worden ingevuld

Gebrek aan kennis

Een eerste reden waarom die helderheid er vandaag niet is, is een schrijnend gebrek aan kennis van de instellingen en van het beleid. Toegegeven, het is niet makkelijk, maar de Belgische institutionele context is ook niet makkelijk. Journalisten die tot vandaag blijven spreken over ‘Europa’ zonder te vermelden of ze het hebben over de Europese Raad, de Raad van Ministers, de Europese Commissie of het Europees Parlement, zouden meteen de bons moeten krijgen. Want de politieke gevolgen van de beslissingen van die instellingen zijn telkens zeer verschillend. Journalisten dienen het publiek in te lichten en voor te lichten, maar wanneer ze niet eens weten of een beslissing definitief of bindend is, kan het publiek ook niet oordelen over hoe er kan of moet gereageerd worden. Een mededeling van de Europese Commissie kan nog in alle richtingen gewijzigd worden, een stemming in het Europees Parlement heeft zelden een definitief gevolg en na een besluit in de Raad van Ministers kan vaak nog gelobbied worden bij de nationale regeringen als men uiteindelijk iets anders wil. Hierover krijgen kijkers en luisteraars nagenoeg geen informatie.

Nog minder informatie wordt er gegeven over de nationale voorbereiding van de dossiers. Het is niet de Europese Commissie die beslissingen neemt, maar meestal de Europese Raad, dit zijn onze nationale regeringen. Er wordt steen en been geklaagd over het gelobby op Europees niveau, terecht, maar hoe de Belgische regering haar standpunten voorbereidt en wie daar invloed bij heeft, wie zal het weten? Sociale bewegingen laten hier een uitgelezen kans voorbij gaan om de inhoud van de beslissingen mee te bepalen. Er wordt actie gevoerd tegen beslissingen die er niet langer toe doen – zoals tegen de ratificatie van het begrotingsverdrag – maar slechts zelden is er actie over een dossier dat  nog in bespreking is, zoals b.v. de voorbereiding van de Europese Raad waar eind juni zal beslist worden over de ‘sociale dimensie’ van de economisch-monetaire unie.

Hetzelfde geldt voor richtlijnen en verordeningen. Aan een verordening kan een nationale staat niets meer veranderen, ze is ‘erga omnes’, en moet ongewijzigd in het nationale recht worden toegepast. Een richtlijn echter vermeldt enkel de doelstelling, de manier waarop die doelstelling wordt bereikt kan door de nationale parlementen worden ingevuld en laat altijd heel wat marges toe. De waarheid wordt hier vaak heel wat geweld aangedaan door onze nationale voorlichters die maar wat graag een zwarte piet toeschuiven naar ‘Europa’ en niet graag vertellen dat het onze politici zijn die hebben beslist over een privatisering bijvoorbeeld…
Tenslotte is er het meer bewuste dan onbewuste vertekenen van de informatie bij sommige bewegingen.

Steevast wordt de Europese Commissie als boeman afgeschilderd, terwijl ze niet meer dan een executieve – een uitvoerende – Commissie is die dus niet kan handelen zonder mandaat van de Europese Raad – onze nationale regeringen. Men weet dit – dat hoop ik althans – maar men weigert deze informatie mee te geven omdat men zich zo kan verzetten tegen ‘Europa’ zonder dat men moet zeggen dat onze nationale regering mee dit mandaat geeft. Het enige antwoord dat dit argument oplevert is dat in de Raad zogenaamd Duitsland alleen beslist en kleine landen geen stem hebben. Er zijn genoeg voorbeelden om aan te tonen dat dit helemaal niet klopt, de tegenstem van de Tsjechische Republiek bij het begrotingsverdrag is er het jongste van.

Ook het jongste protest tegen de aanbevelingen van de Commissie zijn meer dan hypocriet. Men kan het oneens zijn met deze aanbevelingen, maar men moet wel weten dat het onze eigen nationale regering is die de Commissie een mandaat heeft gegeven om al deze zaken effectief te bekijken. Neoliberaal? Jazeker, maar Belgische ambtenaren hebben meegeschreven aan deze aanbevelingen en het gaat niet op te stellen dat de Commissie ‘te veel macht heeft’ als onze regering eerst deze macht aan de Commissie geeft.    

Tenslotte vind ik het pijnlijk om te zien hoeveel tijd en energie gestoken wordt in acties tegen het begrotingsverdrag. Dit is beslist een slecht verdrag dat er nooit had mogen komen, maar men kan het niet meer tegenhouden want voldoende landen hebben het al geratificeerd. Het is inderdaad schandelijk dat onze parlementsleden het niet eens grondig bespreken, maar dat hadden ze vooral vooraf moeten doen en de hoorzittingen met de sociale bewegingen hadden ook vooraf moeten plaats vinden. Nu voorhouden dat men het alsnog wil blokkeren is de mensen een rad voor de ogen draaien. Trouwens, alles wat in het verdrag staat is inmiddels al vastgelegd in wetteksten, zoals de ‘sixpack’ en, erger nog, de ‘twopack’.

Gebrek aan durf

Een tweede euvel waar linkse bewegingen vaak aan leiden als ze het Europese beleid moeten bespreken is een gebrek aan durf. Ze weten zelf niet of ze ‘voor’ dan wel ‘tegen’ de Europese Unie zijn, omdat beide houdingen voorkomen bij hun leden en ze dus hun bestaan niet op de helling willen zetten door duidelijk voor één richting te kiezen.

Dit is duidelijk het geval bij de vakbonden die formeel gezien de Europese integratie altijd gesteund hebben – zeker het Europees Vakverbond – maar waarvan individuele leden en ook lid-organisaties soms een andere houding verdedigen. Dit is op termijn onhoudbaar, omdat meer en meer beleid Europees wordt uitgevaardigd en er een sterke syndicale oppositie tegen het huidige beleid nodig is. Die oppositie neemt echter een andere vorm aan als men ook tegen de Europese Unie zelf is. Met uiteenlopende houdingen een strijd aangaan zal onvermijdelijk de slagkracht aantasten.

Het is aan dit euvel dat de ‘Alter Summit’ lijdt, een alliantie tussen vakbonden en sociale bewegingen. Het zeer positieve aan deze alternatieve top die van 7 tot 8 juni in Athene wordt gehouden is dat hij inderdaad deze alliantie heeft mogelijk gemaakt. ABVV en ACV zitten erin, de Franstalige LBC speelde een doorslaggevende rol, samen met het Transform! Europa netwerk dat verschillende progressief communistische stichtingen verenigt (in Griekenland Syriza en niet de KKE, in Portugal de Bloco de Ezquerda en niet de PCP). De ‘Alter Summit’ is daarom geslaagd waar de Europese Sociale Fora zijn mislukt. Er werd een gemeenschappelijke tekst goedgekeurd en men staat open voor samenwerking met politieke partijen. Voor dit punt verdient de ‘Alter Summit’ niets dan lof.

De prijs voor deze politieke vooruitgang is echter politieke vaagheid. Waar de progressief communistische partijen gekend zijn voor hun openheid voor het Europese beleid – geen afwijzing van de Europese Unie maar oppositie tegen het neoliberale beleid – is van deze openheid niets te merken in de gemeenschappelijke tekst. Waar zowel de vakbondsvertegenwoordigers als de mensen van Transform! blijven beweren dat hun houding niet veranderd is,  moet toch worden vastgesteld dat er in alle voorbereidende vergaderingen een sterke invloed was van notoire ‘anti’s’. In het manifest wordt de EU nauwelijks vermeld en nagenoeg alle eisen – vaak slogans – zijn voor het nationale niveau. Van enig begin van alternatief is geen sprake, tenzij het een nationaal beleid wordt. Het manifest leert ons waar de deelnemende organisaties tegen zijn, maar niet wat voor ‘Europa’ ze dan willen, en of ze er een willen.

Dit is een gemiste kans, vooral omdat er volgend jaar Europese verkiezingen zijn en er bitter weinig tijd over blijft over om met een gemeenschappelijk eisenplatform naar voren te komen. Een standpunt over de institutionele voorstellen die ondertussen op regeringsniveau worden voorbereid is er dus ook niet.

To be or not to be?

Het lijkt er op dat sommige radicaal linksen hebben beslist niet te willen bestaan op Europees vlak. Terwijl juist dat noodzakelijk is om te beginnen met een echte oppositie. Een alliantie sluiten is erg belangrijk, maar zonder akkoord over de inhoud heeft een alliantie niet de minste zin. Want ze zal uit elkaar vallen van zodra die inhoud op tafel komt.

Waar andere bewegingen, zoals het ‘Forum civique’, ‘Ander Europa’ en ‘Rood’, of partijen zoals de PVDA in België wel een standpunt innemen, waar men het eens of oneens mee kan zijn, is dit voor ‘Alter Summit’ onmogelijk gebleken. Het is mossel noch vis. Het kan alle kanten uit. Overigens, de Griekse KKE, oud bondgenoot van de PVDA, heeft de ‘Alter Summit’ al verweten het kapitalisme te ondersteunen. Over duidelijkheid gesproken.

De verantwoordelijkheid van de radicaal linkerzijde is daarom zeer groot. Bij de Europese verkiezingen van 2014 is het risico bijzonder groot dat de ‘anti’s’ – meer van rechts dan van links – een grote aanhang zullen verwerven. Dit kan de Europese instellingen volledig verlammen. Misschien is dat wat ook de linkse ‘anti’s’ willen. Ze zijn dan wel mee verantwoordelijk voor de gevolgen die minder door hen dan wel door de rechterzijde zullen bepaald worden. Ik vind dit een erg zorgwekkend vooruitzicht, want nationalisme is niet waar vandaag behoefte aan is.

Hoe zeer we het huidige beleid ook moeten veroordelen – daarover bestaan weinig meningsverschillen aan de linkerzijde –, het beleid verwarren met de instellingen is voorbij gaan aan de kracht van politiek, van burgerbewegingen en van democratie. Geen enkele politieke instelling heeft een ‘DNA’, een ‘waar gelaat’ dat moet ontdekt worden. Integendeel, instellingen worden gemaakt en gekneed door de mensen die er in en er rond werken. De grote strijd die vandaag moet gevoerd worden is een ideologische strijd tegen het neoliberale beleid en voor een systeemverandering, niet een strijd tegen instellingen en voor een onhaalbaar ‘opnieuw beginnen’.  

Francine Mestrum

Zie ook: www.altersummit.eu

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.