Rebellen: eeuwige strijders tegen de gevestigde (wan)orde

Facebooktwittergoogle_plusmail

De geschiedenis wordt door de machthebbers geschreven om zichzelf en hun macht als uitzonderlijk, onveranderlijk, heldhaftig en onvermijdelijk voor te stellen. De geschiedenis zoals die in schoolboeken, herdenkingen en monumenten wordt vastgelegd weerspiegelt de manier waarop de machthebbers het verleden zien. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat protesten en opstanden tegen de bestaande regimes in die officiële geschiedschrijving worden verzwegen. Dat schrijft Anne Morelli, hoogleraar aan de ULB, in de inleiding op een werk over allerhande revoltes die zich in de loop der eeuwen in onze contreien hebben voorgedaan.

Ze onderstreept dat men de geschiedenis op twee manieren kan bekijken. Een defaitistische, waarbij men zegt dat er toch niets aan te doen is, dat er altijd koningen en machthebbers zijn geweest die altijd het laatste woord hadden. Of men kan beklemtonen dat onze voorouders, dankzij hun strijdvaardigheid, de gevestigde macht hebben uitgedaagd, de willekeur ervan hebben beperkt en hun toestand hebben verbeterd. Als men die tweede zienswijze volgt moeten rebellen als helden worden voorgesteld en niet als slechte voorbeelden zoals in geschiedenisboeken meestal het geval is.
In die boeken komen alleen buitenlandse revoluties aan bod die nu eenmaal niet verzwegen kunnen worden, bijvoorbeeld de Franse en Russische revoluties. Maar die worden meteen in een slecht daglicht geplaatst: ze waren gewelddadig, radicaal, uitzichtloos en draaiden op regelrechte catastrofes uit. Aan de terechtstelling van een koning, een tsaar en andere aristocraten wordt meer aandacht besteed dan aan de ellende van het volk dat de aanleiding tot die terechtstellingen was. Dit soort voorstellingen vindt men niet alleen in geschiedenisboeken terug. De Standaard publiceerde onlangs de bespreking van een boek over de Russische revolutie, waarin bittere tranen worden geplengd over het lot van de Russische aristocratie tijdens de revolutie van 1917, maar met geen woord wordt gerept over het eeuwenlange lijden van het Russische volk onder de tsaren.
Geweldloosheid wordt de jeugd heden ten dage als model voorgehouden. Anne Morelli vraagt zich af of dit niet gebeurt om onderwerping te prediken en sociale en politieke conflicten te vermijden. Daarbij wordt bewust verzwegen dat de meest ingrijpende sociale en politieke veranderingen zich niet via verkiezingen of het parlement hebben voltrokken, maar door heftig protest van de openbare opinie: de beperking van het aantal werkuren, het algemeen stemrecht, het stakingsrecht, de ziekte- en werkloosheidsverzekering.
Het boek over de rebellen doorheen de geschiedenis heeft dan ook tot doel een ereplaats te geven aan allen die in de loop der eeuwen de macht hebben doen plooien: van de calvinisten in de zestiende eeuw tot de Antwerpse havenarbeiders die in 1950 weigerden wapens voor de oorlog in Korea te lossen en hiervoor veroordeeld en gevangengezet werden.

Revoltes voor meer inspraak

Verscheidene auteurs behandelen in chronologische volgorde een aantal periodes uit onze ‘vaderlandse’ geschiedenis die met verzet, opstanden en omwentelingen te maken kregen. In zijn bijdrage over de strijd van de Galliërs tegen de Romeinen, noteert Serge Lewuillon dat het Franse Vichy-regime, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog met de nazi’s collaboreerde, van de nederlaag van de Galliërs misbruik maakte om de Fransen ertoe aan te zetten zich bij de nederlaag tegen nazi-Duitsland neer te leggen. Michel de Waha beschrijft hoe de boeren in de veertiende eeuw niet zozeer uit armoede in opstand kwamen, maar wel omdat ze geen inspraak kregen in het politiek-sociaal-economische stelsel. Zo ook streed de Vlaamse coalitie tijdens de Guldensporenslag van 1302 niet voor Vlaamse onafhankelijkheid, maar wel voor de politieke participatie van de ambachten in de steden van het graafschap Vlaanderen. Volgens Jan Dumolyn en Jelle Haemers bezweken Brussel, Brugge en Gent achtereenvolgens in 1489, 1490 en 1492 voor Maximiliaan van Oostenrijk weliswaar door de militaire overmacht van Maximiliaan, maar ook omdat een deel van de traditionele elite van de toenmalige Nederlanden ervan uitging meer te winnen te hebben bij een koninklijk bestuur in de belangrijkste steden dan bij een bewind van ambachtslieden en economische concurrenten.

Monique Weis onderstreept dat de opstand van de provincies van de Nederlanden tegen Filips II van Spanje niet alleen religieuze, maar ook politieke motieven had. Reeds onder Karel V, de vader van Filips II, was een ketter niet alleen iemand die het katholieke geloof afviel, maar ook iedereen die zich tegen de sociale en politieke orde verzette. De integriteit van de staat kon volgens die vorsten alleen maar behouden blijven als de eenheid van godsdienst gewaarborgd bleef.  Anne-Laure Van Bruaene spreekt de wijd verspreide mening tegen dat het calvinisme in de tweede helft van de zestiende eeuw vooral in de noordelijke  en minder in de zuidelijke Nederlanden actief zou zijn geweest. Het tegendeel was waar. In steden als Antwerpen, Brussel, Mechelen, Brugge en vooral Gent heerste gedurende een aantal jaren een militant calvinistisch regime. De leiders van die regimes namen het vanzelfsprekend op tegen de Spanjaarden, maar maakten het ook Willem van Oranje niet gemakkelijk omdat die een religieus compromis met de Spanjaarden nastreefde.

In diezelfde zestiende eeuw en vooral in de zeventiende eeuw stak in de zuidelijke Nederlanden een andere religieuze subversie op, maar dan wel een reactionaire: het jansenisme. Dat beweerde, in navolging van Augustinus, dat alleen die gelovigen gered worden die daartoe door God zijn uitverkoren. Wat de gelovige doet speelt daarbij geen rol. Bruno Bernard schrijft dat de twist tussen jansenisten en Rome niet tot het louter religieuze beperkt bleef. In 1653 bestond de Raad van Brabant het zelfs twee pauselijke brieven te vernietigen waarin de aartsbisschop van Mechelen en de bisschop van Gent op de korrel werden genomen omdat ze zich onvoldoende tegen het jansenisme verzetten.

Belgische revolutie ‘gestolen’?

Als het over omwentelingen in onze streken gaat, kan een hoofdstuk over de Belgische revolutie van 1830 niet ontbreken. Els Witte gaat dieper in op het debat dat al jarenlang tussen historici woedt: ging het in 1830 om een proletarische opstand die nadien ‘gestolen’ werd door de burgerij die opnieuw haar macht vestigde of speelden eerder nationalistische beweegredenen en de strijd voor vrijheid een rol? Witte besluit dat die vraag nog altijd niet bevredigend kan worden beantwoord. Het boek besteedt ook aandacht aan opstanden waar velen allicht nooit van gehoord hebben of die uit het collectieve geheugen zijn verdwenen: de poging van Belgische en Franse republikeinen om in maart 1848 de monarchie in België omver te werpen; de anarchistische opstanden in de tweede helft van de negentiende eeuw in Verviers en de stakingsgolf van juni-juli 1932 die ontketend werd door de mijnwerkers van de Borinage en tegen de vakbonden was gericht.

Gita Deneckere beschrijft hoe de mensenrechten die in de Belgische grondwet werden erkend (recht op het indienen van petities, op vergadering, op vereniging)  een hefboom voor de sociale strijd werden. Ze besluit dat het discours over de mensenrechten heden ten dage de socialistische ideologie heeft vervangen. Daarbij gaat ze allicht iets te kort door de bocht. De zogenaamde socialistische politieke partijen en vakbonden hebben ongetwijfeld de socialistische ideologie vaarwel gezegd en sociale rechten zijn mensenrechten. Maar wie voor sociale rechtvaardigheid opkomt (leefbare lonen en pensioenen, recht op ziekte- en werkloosheidsuitkeringen, menswaardige arbeidsomstandigheden, kwaliteitsonderwijs voor iedereen, betaalbare of beter nog gratis gezondheidszorg, eerlijke fiscaliteit enz.) zal met een beroep op de mensenrechten weinig of geen resultaten boeken. De kapitalistische samenleving erkent die mensenrechten immers niet of alleen maar in de mate dat het kapitalisme er niet door in het gedrang komt.

Verzet, koningskwestie, eenheidswet

Het boek eindigt met bijdragen over drie belangrijke crisismomenten in de Belgische geschiedenis: het neerslaan van het verzet na de Tweede Wereldoorlog; de koningskwestie en de staking van 1960-1961. Tal van verzetsstrijders beoogden tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen het stopzetten van de nazi-bezetting, maar wilden na de oorlog een samenleving uitbouwen waar sociale en politieke gelijkheid zou heersen. Om dit te voorkomen ging het Belgische establishment al in het najaar 1944 over tot de uitschakeling en ontwapening van het verzet. De uitschakeling van het verzet werd de voorwaarde voor het herstel van het West-Europese kapitalisme in het raam van het verenigde Europa, de huidige Europese Unie.

Eind juli 1950 ontstond onmiddellijk na de terugkeer van Leopold III een opstandig klimaat wanneer de zesde algemene staking in de Belgische geschiedenis uitbrak. Leopold III moest aftreden. In de winter van 1960-1961 volgde de staking tegen de eenheidswet van eerste minister Gaston Eyskens die een frontale aanval was op de sociale rechten van de loontrekkenden. De eenheidswet kwam er toch met de steun van de Belgische Socialistische Partij.

Als de KU Leuven een faculteit Mens en Wereldbeelden wil oprichten, moet dit boek verplichte lectuur worden, al moet niet tot de oprichting van die faculteit worden gewacht om dit leerrijke boek te lezen.

Rebellen - Van de Galliërs tot de indignados
Anne Morelli (red.)
EPO
353
9789491297236
Rebelles et subversifs de nos régions - des Gaulois jusqu'à nos jours
Nancy Seghers