15 mei 1948-2013: Israël vijfenzestig jaar terreur en kolonisatie

palestijnsevluchtelingen
Facebooktwittergoogle_plusmail

Op 15 mei 2013 bestaat de staat Israël 65 jaar. Na zoveel jaar bestaan nog steeds heel wat misvattingen over hoe die staat is ontstaan. Bijna vergeten is dat ons eigen land allesbehalve enthousiast was over de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Israël. Een historische terugblik van Lucas Catherine verheldert een en ander.
De kolonisatie van Palestina door Europese joden kwam echt op gang nadat de Engelsen Palestina na de Eerste Wereldoorlog als kolonie verkregen. Zij zorgden voor politieke en militaire steun. De ambities van die Europese, joodse kolonisten werden alsmaar groter: een ‘spiritueel tehuis’, waar zelfs Albert Einstein zich nog kon in vinden, werd een kolonistenstaat, waar hij zich niet meer kon in vinden: ‘Het idee van een Joodse staat met grenzen, een leger en een overheid, hoe beperkt ook, zal het judaïsme schaden…’ (Albert Einstein, Out of my latter years, 1950)

Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog stuurden de zionisten aan op het vertrek van de Britten. Zij voelden zich sterk genoeg om Palestina van hen over te nemen. Bruggen en spoorwegen werden opgeblazen, Britse officieren gegijzeld en geëxecuteerd. De grootste aanslag was een gezamenlijk actie van de Hagannah, het officiële zionistische leger en Irgun, een fascistische militie onder leiding van de latere premier Menahem Begin, die op 22 juli 1946 het King David Hotel in Jeruzalem opbliezen. Het hotel deed dienst als Brits hoofdkwartier. Er vielen 91 slachtoffers.

Tot dan hadden de Britten zich afgevraagd wat ze op het einde van hun mandaat op 1 augustus 1948 met Palestina zouden doen, een binationale staat achterlaten, of Palestina opdelen in een Joodse en een Arabische staat. Tijdens de Palestijnse Revolutie (1936-39) had Lord Peel, de Britse gezant, het idee geopperd om Palestina op te delen en in 1937 werd een eerste Brits verdeelplan opgesteld. In 1938 en 1946 volgden er nieuwe verdeelplannen. In februari 1947 maakte Groot-Brittannië echter bekend dat het voor het einde van haar mandaat Palestina wilde verlaten. Daarop ging in 1947 ook de VN zich met de kwestie bemoeien.
De Verenigde Naties stellen een verdeelplan voor

Met de Palestijnse belangen werd in de plannen van de VN weinig of geen rekening gehouden. In 1947 bezaten de Joden amper 7% van de grond en vormden ze een derde van de bevolking (608.000 op een totaal van 1.835.000). Toch wees het VN-verdeelplan hen 56% van het grondgebied toe. Volgens het plan zouden in de nieuwe Joodse staat 498.000 Joden en 407.000 Arabieren leven. Dit laatste cijfer was fout, want men ‘vergat’ er de 105.000 Arabische bedoeïenen bij te tellen.

In feite zou de ‘Joodse’ staat dus vanaf de start een Arabische meerderheid gehad hebben. De Arabische deelstaat zou 10.000 Joodse inwoners tellen en 725.000 Arabieren. Het plan voorzag ook een internationale zone, het ‘corpus separatum’ Jeruzalem, waarin 100.000 Joden naast een kleine meerderheid van 105.000 Arabieren zouden wonen. De drie gebieden zouden verenigd blijven in een economische en monetaire unie, een soort federale staat dus.

De Palestijnen vonden dit verdeelplan onrechtvaardig en konden het niet aanvaarden. Ook in de VN zelf was er niet veel enthousiasme voor het plan en de Belgische vertegenwoordigers waren tegen. De kabinetchef van het ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde in november 1947: ‘Wij zullen ons bij de stemming in de commissie onthouden. Het verdeelplan vertoont teveel ernstige fouten en leemten: de twee geplande staten zijn erg verbrokkeld en om een continu territorium te krijgen moet men overal corridors voorzien. Men wou etnisch homogene blokken bekomen, maar dit is niet gelukt. Daarom denken wij dat er weinig kans op slagen is, ook al wordt dit bijgestuurd door een economische unie. Wij zijn er van overtuigd dat dit verdeelplan niet het hoofddoel zal bereiken, namelijk vrede in de regio.”
VN-Resolutie 181

Op 26 november 1947 stemde de Algemene Vergadering van de VN over dit verdeelplan. Belgisch vertegenwoordiger Van Langenhove uitte niets dan twijfels over het plan: “De Palestijnse kwestie grijpt ons, Belgen, ten zeerste aan. Wij hebben moeite om de bedoelingen van de zionisten te begrijpen. Onze Joodse landgenoten hebben hun nationaal tehuis bij ons in België. Niemand van ons heeft ze ooit zo behandeld dat zij een ander tehuis zouden gaan zoeken in Palestina. Tijdens de oorlog hebben zij met ons mee gestreden en veel Belgen hebben hun leven gewaagd voor hun Joodse landgenoten, zodat onze nationale eenheid er versterkt uitkwam… Wij zijn helemaal niet zeker dat het verdeelplan rechtvaardig is, wij twijfelen eraan of het uitvoerbaar is, en wij vrezen dat het vreselijke gevolgen zal hebben… Maar wat is het alternatief? Het alternatief is: geen oplossing, dat wil zeggen nog meer gevechten en nog meer chaos.”

Er wordt nogal eens beweerd dat VN-resolutie 181, waarin het verdeelplan beschreven staat, een beslissing van de internationale gemeenschap was, en daardoor de legitimatie van de uitroeping van de staat Israël. Dat klopt niet. Met deze resolutie gaf de Algemene Vergadering een aanbeveling aan de mandaatmacht Groot-Brittannië en aan alle lidstaten om dit verdeelplan te laten toepassen door de toekomstige regering van Palestina. Verder was deze aanbeveling niet onvoorwaardelijk geldig. De twee deelstaten waren verplicht om Jeruzalem een internationaal statuut te geven en om een economische unie te vormen.

Vanuit zionistische hoek wordt altijd beweerd dat de Joden het verdeelplan wel hebben aanvaard. Pro forma deden zij dat ook maar tegelijkertijd ageerden ze voor een Joodse staat in heel Palestina. Met het gevolg dat al in maart 1948 het probleem Palestina weer naar de Algemene Vergadering werd verwezen.
Terreurcampagne van de Haganah

Het officiële zionistische leger, de Haganah, begon aan een militaire tereurcampagne waarbij ze grote delen veroverde van het gebied dat volgens het  VN-verdeelplan Arabisch moest blijven: Haifa en omgeving werden veroverd  op 21 april 1948 , Jaffa en omgeving op 27 april, Centraal Galilea op 28 april, Tiberias, Safad en Oost-Galilea op 3 mei, Beisan en de vlakte eronder op 11 mei, Akka en West-Galilea op 14 mei, West-Jeruzalem op 14 mei.

Daarna riepen de zionisten op 15 mei 1948 eenzijdig de staat Israël uit. Ben Goerion werd de eerste premier en in de onafhankelijkheidsverklaring weigerde hij grenzen te vermelden (ook niet die van het VN-plan te erkennen), onder het motto “de toekomst kan ons nog verder brengen”.

Het is pas na 15 mei dat de ‘Arabische legers’ Palestina binnen vielen. Die Arabische legers moest je echter met een korrel zout nemen. Libanon en Syrië, net onafhankelijk van Frankrijk, hadden nog niet echt een leger en dat van Egypte en Jordanië stond nog onder Brits commando. In het totaal ging het om 20.000 man, terwijl het aan zionistische kant om 120.000 man ging. Zes tegen één dus, in het voordeel van de Zionisten. Je zal deze cijfers nooit vermeld zien in de Israëlische propaganda.
VN-bemiddelaar Bernadotte

Daarop stuurde de VN een bemiddelaar om de situatie recht te trekken, om namelijk niet alleen de zionisten terug te drijven naar de ‘grenzen’ van het verdeelplan, maar ook om het verdeelplan aan te passen. Dat was de Zweed Folke Bernadotte.

Bernadotte was een lid van de Zweeds koninklijke familie en voorzitter van het Internationaal Rode Kruis. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog had hij duizenden joden en verzetsstrijders uit Nazi-Duitsland kunnen redden. Hij werd bijgestaan door generaal Lundström, commandant van de UNO-troepen en persoonlijk vertegenwoordiger van Bernadotte.

Bernadotte herzag het verdeelplan, waarbij Akka, Haifa en Lydda tot de Arabische staat zouden behoren, net als het grootste deel van Galilea en de Negev. Jeruzalem, met inbegrip van West-Jeruzalem zou uit de Joodse staat worden gelicht. Daarnaast beval hij de oprichting aan van een speciaal VN-organisme voor de Palestijnse vluchtelingen die door het Israëlisch leger waren verdreven. Alleen dit laatste werd postuum uitgevoerd. De United Nations Relief Works Agency (UNRWA) bestaat nog steeds.

Een van de zionistische militaire commandanten, de latere generaal en minister Ygal Allon schreef dan ook in zijn geschiedenisboek van het Israëlisch leger Shield of David: “Israël was geschokt en dacht er niet aan dit soort voorstel maar in overweging te nemen… maar gelukkig, voordat hier sprake kon van zijn, werd Bernadotte vermoord.”

Bernadotte werd inderdaad op 17 september 1948 door zionistische extremisten vermoord. Dat gebeurde in de wijk Qatamun van Jeruzalem. Het VN-konvooi bestond uit meerdere auto’s. De auto voor die van Bernadotte werd bestuurd door de Belgische majoor Massart, lid van de VN-troepen. Hij was later een van de belangrijkste getuigen, naast generaal Lundström, die verklaarde: “Ik ben ervan overtuigd dat dit een weloverwogen en zorgvuldig geplande moord was. De plek waar ze de auto’s van het konvooi tot stilstand lieten komen was welbedacht. De moordenaars wisten niet alleen in welke auto graaf Bernadotte zat, maar ook op welke zetel in de auto hij zat.”

De twee politieke verantwoordelijken voor die moord waren Yitzhak Shamir (latere eerste minister) en Natan Yalin Mor (nu lid van de vredesbeweging Peace Now-Vrede Nu). De drie moordenaars verklaarden lid te zijn van Khazit haMoledit, Het Vaderlandfront, een tot dan toe onbekende organisatie, die later ook nooit meer van zich liet spreken.

Bizar is wel dat Michael Bar Zohar, de officiële biograaf van de toenmalige zionistische leider en eerste premier, Ben Goerion, schreef: “In Ben Goerions dagboek vond ik op datum van 19 september de namen van de drie moordenaaars. Eén van hen werd later een intieme vriend van Ben Goerion.”
Israël, opgericht met terreur en geweld

De staat Israël en zijn grenzen werden dus niet opgericht door de VN, maar door terreur en geweld, als onderdeel van een expansionistische kolonisatie-ideologie. De Belgische politici stonden dan ook zeer weigerachtig om deze uitbreidingsgezinde staat te erkennen.

De socialistische politicus Paul-Henri Spaak, toen eerste minister en minister van buitenlandse zaken, verklaarde dan ook op 3 juni in de Senaat: “…de oprichting van een Joodse staat, met een onbegrensde immigrateie van Joden, vertegenwoordigt voor de Arabische wereld een zeer ernstig probleem en zelfs een gevaar … van uitbreiding naar andere Arabische staten.“

Geef toe dat onze politici wel doorhadden wat er gebeurde, alleen wilden zij niet ingrijpen. De juridische erkenning van Israël liet trouwens op zich wachten tot 16 januari 1950! Pas dan kwam er een officiële vertegenwoordiging in Tel Aviv, en dan nog zou de Belgische minister van buitenlandse zaken, ditmaal de katholiek Van Zeeland, de Israëli’s erop wijzen dat “deze (erkenning) door de Belgische regering betekent niet dat België de de territoriale grenzen van Israël erkent.”

Dat zijn onze huidige ministers ondertussen al lang ‘vergeten’. Nu erkennen zij zelfs de facto de bezetting van heel Palestina.

Lucas Catherine, historicus van Vergeten Zaken.