De utopie van de vrije markt

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het is goed dat een filosoof het ook eens zegt: er is wat loos met dat onvoorwaardelijke en onzindelijke vrije-marktdenken. En als die stem dan van Hans Achterhuis is dan kun je je aan helder intellectueel vuurwerk verwachten. Achterhuis behoort, samen met Ton Lemaire, ongetwijfeld tot de absolute top van het Nederlandse filosofengilde. Zijn onderzoek naar ‘De utopie van de vrije markt’ uit 2010 ligt in het verlengde van ‘De erfenis van de utopie (1998) en ‘Utopie’ (2006) en beleeft nu al zijn vijfde druk. Toch wel eerder ongewoon voor een filosofische publicatie. De gedurfde standpunten die hij inneemt in maatschappelijk hete hangijzers, gekoppeld aan zijn heldere stijl, zal hieraan zeker niet vreemd zijn.

Kapitalistische utopie

Naar aanleiding van die twee boeken werd aan Achterhuis vaak de vraag gesteld of er, naast een technische en socialistische utopie, niet ook een kapitalistische utopie zou bestaan. Die prikkelende vraagstelling zette de filosoof aan het denken en heeft geleid tot dit boek. Hij constateert dat steeds meer mensen ervan overtuigd zijn dat het neoliberalisme, ondanks de vele wetenschappelijke Nobelprijzen voor Chicago-economen als Friedrich von Hayek en Milton Friedman, toch vooral een ideologie is.

Ayn Rand en Alan Greenspan

Veel minder bekend – en dat is de stelling van Achterhuis – is dat Ayn Rand, een Russisch-Amerikaanse denkster en romancier, die kapitalistische utopie van de vrije markt al in de jaren vijftig op een succesvolle manier heeft verwoord. Zij deed dit in haar vuistdikke roman ‘Atlas Shrugged’ uit 1957, die volgens een onderzoek onder Amerikaanse lezers na de Bijbel als het belangrijkste boek van de afgelopen eeuw werd beschouwd. Achterhuis benadrukt dat een van haar belangrijkste filosofische leerlingen Alan Greenspan, tot 2006 de president van de Fed, de Amerikaanse Federal Reserve Bank, was.
Hoewel Achterhuis theoretisch heel goed wist dat elke ideologie zichzelf als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid presenteert – het is de bril die bijna iedereen draagt – geeft hij nu ruiterlijk toe dat hij zich in een van zijn eerste boeken ‘De markt van welzijn en geluk’ deerlijk had vergist van vijand. Hij nam in dat werk niet de vrije markt op de korrel, maar wel het welzijnswerk. Het is naar mijn smaak één van de grote verdiensten van Achterhuis’ denken dat hij zich niet bezondigt aan het rationaliseren van de verkeerde inschattingen in eigen werk. Volgens hem was Michel Foucault in het filosofenwereldje één van de eersten om te wijzen op het neoliberalisme dat sluipenderwijs met pragmatisch gemotiveerde kleine stapjes zijn opmars maakte.

Wederkerigheid

In een zeer interessant hoofdstuk ‘Rol en geschiedenis van de vrije markt’ vermeldt Achterhuis een aantal historische en antropologische argumenten die aantonen dat de mens veel meer is dan de homo economicus waarvoor hij in het vrije-marktdenken wordt versleten. Zonder holistische benadering kan de samenhang in een traditionele gemeenschap niet worden begrepen. Het economische kan nooit worden losgemaakt van religieuze rituelen, morele verplichtingen, magische handelingen, enz. In traditionele samenlevingen speelde de markt een volstrekt ondergeschikte rol. Het veilig stellen van een ordelijke productie en distributie van goederen was het belangrijkste in een subsistentie-economie; het streven naar winst was daarin volstrekt onbelangrijk. Daarvoor verwijst Achterhuis op basis van het werk van Rutgerd Boelens over watervoorziening naar de kleine boerengemeenschappen in de Andes die nog als communale subsistentie georganiseerd zijn. In deze context krijgt de ‘gemeenheid’ zijn volle betekenis en gaat de homo reciprocans vooraf aan de homo economicus. Wederkerigheid in de betekenis van geven en ontvangen zijn morele maatschappelijke verplichtingen waaraan geen enkele lid van een samenleving zich kon en mocht onttrekken. Of anders gezegd: wie niet geeft, die niet leeft. In dat hoofdstuk verwijst Achterhuis ook naar de socioloog Emile Durkheim en zijn begrip van organische solidariteit dat aan de basis ligt van onze sociale zekerheid en dat een nieuwe wijze van solidariteit in een marktmaatschappij creëert. Volgens Foucault verbrak het neoliberalisme de organische solidariteit van de natie zoals Durkheim die beschreven had. Marktwerking kreeg het primaat oven gemeenschappelijk burgerschap.

De shock van de Chicago boys

In een laatste deel ‘De gerealiseerde utopie van de vrije markt’ bespreekt Achterhuis een aantal voorbeelden waarin gepoogd werd de neoliberale utopie te realiseren. Hij verwijst hiervoor naar voorbeelden uit Latijns-Amerika die in het kader van de neoliberale Washington consensus op het einde van vorige eeuw gestalte kregen. Daarvoor steunt hij onder meer op ‘De shockdoctrine’ van Naomi Klein die het optreden van de Chicago boys in het dictatoriale Chili onder Pinochet ontleedde. Ook de recentere wateroorlogen in Latijns-Amerika, die uitbraken naar aanleiding van de vermarkting van het water – ‘Biedt het water te koop aan en laat de markt de toekomst ervan bepalen’ was een slogan van IMF en Wereldbank’ – worden in het verhaal opgenomen en gekoppeld aan het werk van Rutgerd Boelens. Samen met Boelens onderstreept hij dat politici en ingenieurs die vaak oprecht menen dat ze op een neutrale, wetenschappelijk verantwoorde wijze vormgeven aan het waterbeheer, niet onderkennen dat de vooronderstellingen van hun interventies van neoliberale, kapitalistische aard zijn.

Mooie epiloog

In een mooie epiloog ‘Noch markt, noch staat’ laat Achterhuis het neoliberale kaartenhuis helemaal in elkaar zakken. Hij verwijst daarvoor naar Robert Skidelsky die de resultaten van het tijdvak van het keynesianisme en die van het tijdvak van de neoliberale Washington consensus met elkaar vergeleek. Wat blijkt? Van 1951 tot 1980 bedroeg de mondiale economische groei gemiddeld 4,8 procent, van 1989 tot 2009 3,2 procent. Mocht de wereldeconomie na 1980 jaarlijks met 4,8 procent zijn blijven groeien dan zouden we op dit moment een vijftig procent hogere welvaart hebben gekend. Een bijzonder pijnlijke vaststelling voor de utopisten van de vrije markt.

Achterhuis wijst ook op het ideologisch vacuüm aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Volgens hem is er dringend behoefte aan nieuwe aansprekende maatschappijbeelden en aan overtuigende morele en politieke idealen. ‘Er zal, rekening houdend met de ideeën van Keynes, een nieuwe economische en sociale politiek dienen te worden ontwikkeld.’ (p. 299)

Het goede leven

Het ‘goede leven’ situeert zich volgens de filosoof veelal buiten de markt, maar ook buiten de staat: ‘In wederkerigheidsrelaties, in de oikos met mensen die onze naaste zijn, in de gemeenschappelijk met anderen om greep op ons leven te krijgen’ (p.299). En hij besluit:‘Als een dergelijke reflectie op het ‘goede leven’ zich uitstrekt tot de wijdere horizon van markten en overheden die op elastische wijze met onze oikos zijn verbonden, dan kan dit bijdragen aan het terugdringen van zowel markten als overheden wanneer die in bepaalde opzichten te ver zijn gegaan.’(p. 299).
Mochten president Rafael Correa van Ecuador en president Evo Morales van Bolivia Hans Achterhuis kunnen lezen dan zouden zij zeker heel hard knikken bij de laatste zin van dit andermaal zeer inspirerende boek van deze Nederlandse filosoof.

De utopie van de vrije markt
Hans Achterhuis
Lemniscaat
2011
317
9789047702572
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.