“Irak: een volk werd verraden – Straffeloosheid voor altijd?”

vluchtelingen Irak
Facebooktwittergoogle_plusmail

De recente geschiedenis van Irak wordt getekend twee ingrijpende gebeurtenissen: op 2 augustus 1990 was er de Irakese invasie in Koeweit en op 19 maart 2003 de invasie van Irak door de Verenigde Staten samen met het Verenigd Koninkrijk. Het is – zacht uitgedrukt – twijfelachtig of de politieke leiders hieruit lessen hebben getrokken. Irakezen worden nog altijd onrechtvaardig behandeld. Het blijft er levensgevaarlijk en onrustig. Dat is de gruwelijke realiteit, ook vandaag. Het collectieve lijden van een natie is overal te zien. Dat kan niet verborgen blijven. Een trieste balans door Hans Christof Graf von Sponeck, voormalig VN-adjunct-secretaris-generaal en de VN humanitaire coördinator voor Irak.

 

De verwarde situatie in Irak herbergt een eindeloos aantal tragedies:

Etnische spanningen en sektarisme zijn uitgegroeid tot een belangrijk element in het Iraakse politieke leven, sinds de VS / VK invasie van 2003. Deze polarisatie tussen bevolkingsgroepen was voordien onbestaande.  Deze tegenstellingen verklaren grotendeels de huidige afschuwelijke misdaden zoals moord, ontvoering, vernieling van eigendom en – het meest opmerkelijke – de verslechterde relaties tussen Bagdad en de drie noordelijke Koerdische provincies.

Sinds de jaren van oorlog, internationale sancties en bezetting, is de ooit geroemde Irakese gezondheidszorg vrijwel ingestort. Ondervoeding en ziekten, zoals infecties van de luchtwegen, mazelen, tyfus en tuberculose, nagenoeg vergeten in Irak, komen opnieuw op grote schaal voor. De geplande verwoesting van sanitaire installaties en watervoorziening, vooral in de oorlog van 1991, en het steeds terugkerende tekort aan geneesmiddelen gedurende de gehele periode van internationale sancties en ook na de invasie van 2003, hebben ziektes bevorderd en de sterfte aanzienlijk verhoogd. (WHO).

Verarmd uranium (VU), de pantserdoordringende radio-actieve munitie en witte fosfor, beide gebruikt door het Amerikaanse leger tijdens de gevechten in 1991 en 2003, hebben ernstige gezondheids- en milieugevaren veroorzaakt in Irak. Begin 2000 heeft de Amerikaanse regering de WHO verhinderd gebieden in het Zuiden van Irak te onderzoeken, waar VU was gebruikt. De Amerikaanse regering ontkent ook elk oorzakelijk verband tussen het gebruik van VU en de stijging van het aantal gevallen van longkanker, leukemie en aangeboren afwijkingen. Gelukkig zijn er blijvend nationale en internationale inspanningen geleverd om bewijsmateriaal te verzamelen en om de relevantie van deze oorlogsverontreinigingen aan te tonen.

Een onderzoek in 2009 naar de geestelijke gezondheidstoestand, in opdracht van de Iraakse regering, kwam tot de conclusie dat de massale volksverplaatsingen en een klimaat van angst, marteling, dood en geweld hebben bijgedragen aan de hoge frekwentie van geestelijke ziektes in het land. Het is een treffende illustratie van hetgeen een oude man in Mosul opmerkte: “Eerst vernietigen ze onze economie en nu proberen ze onze geest te doden.”

Alhoewel Irak over de derde grootste oliereserve ter wereld beschikt, blijft het huidige peil van olie-export niettemin onder het gemiddelde van 2,2 miljoen vaten per dag: een hoeveelheid die Irak zelfs tijdens de sancties op de markt bracht. Oorzaken hiervan zijn onder andere sabotage aan pijpleidingen, corruptie, de onbekwaamheid om olie-installaties te herstellen in de periode na de invasie en het Iraakse verzet dat gekant is tegen de overdracht van de de olierijkdommen aan buitenlandse belangen (PSA’s).

Irak is een immens olie-rijk land, en toch leven 22,9% van de 33 miljoen Irakezen in armoede en velen moeten overleven in omstandigheden die omzeggens beneden de armoedegrens liggen. Het Bruto Nationaal Inkomen per inwoner per jaar (2011) bedroeg ongeveer 2.640 dollar (WB). “Transparency International” plaatste de Iraakse publieke sector bovenaan op de lijst van corruptie:  Irak staat genoteerd als 169 op 176 landen (2012).

Rahim Hassan al-Uqailee, voorzitter van de Iraakse Commissie van Integriteit, schreef in een open brief aan de Anti-Corruptie Commissie van het Iraakse Parlementaire (2011): “Het gevecht om geld en eigendom van de staat te stelen maakt vandaag deel uit van de strijd om de macht. “

Ondanks de verwerpelijke kloof tussen de rijken en de armen, tekenden de Iraakse autoriteiten een contract (2011) met de Amerikaanse regering voor de aankoop van 18 F16 straaljagers tegen een kostprijs van 3 miljard dollar!  Op dat moment leefde bijna een kwart van de Iraakse bevolking in armoede en bedroeg de werkloosheid meer dan 28% (VN).

In het Midden-Oosten is er een gezegde: “Egyptenaren schrijven, Libanesen drukken en Irakezen lezen”. Voor de invasie van Irak in Koeweit in augustus 1990, kende Irak een van de hoogste alfabetiseringsgraden van het Midden-Oosten.

 

De internationale sancties brachten daarin verandering.

Een enquête (2007) uitgevoerd door de Wereldbank in samenwerking met de Iraakse regering toonde aan dat “bijna 23 procent van de Irakezen analfabeet is”, 5 miljoen schoolrijpe kinderen gaan niet naar school. De genderongelijkheid in het onderwijs is een ernstig probleem geworden. Er zijn bovendien sinds 2003 andere verontrustende ontwikkelingen in het onderwijssysteem. Het sektarisme heeft zijn weg gevonden naar de scholen en treft vooral soennitische en sjiitische studenten. Het meest verontrustende blijkt uit een publicatie (2011) uitgegeven door het BRussells Tribunal samen met de Universiteit van Gent en luidt als volgt: “De Irakese intellectuele en technische klasse is onderworpen aan een systematische campagne van intimidatie, ontvoering, afpersing, willekeurige executies en gerichte moordaanslagen “. De situatie in Irak “doet denken aan ‘educide’ of een genocide van de opgeleide bevolkingsgroepen van de Iraakse samenleving”.

Irakezen zijn de afgelopen jaren ook nog geconfronteerd met andere ernstige en levensbedreigende gevaren:  “… sinds de door de VS geleide invasie in 2003, is Irak uitgegroeid tot een knooppunt in de transport van hasj en heroïne uit Iran en Afghanistan”, aldus de VN.  Het Iraaks Ministerie van Volksgezondheid bevestigt dat de lokale “verslavingscijfers gestaag klimmen”, terwijl vroeger het drugsgebruik geen probleem was in Irak.

Gedurende de 13 jaar van internationale sancties en maatregelen tegen Irak was het moeilijk om bouwmaterialen te verkrijgen voor de bouw van extra huisvesting. De gevolgen hiervan zijn overbevolkte woningen, hetgeen resulteerde in een sterke toename van huiselijk geweld, waarbij vrouwen vaak de slachtoffers zijn. Een VN-rapport schat dat “een op de vijf vrouwen in Irak het slachtoffer zijn van huiselijk geweld”.

Oorlog en geweld hebben ontegensprekelijk de demografische structuur en het sociaal profiel van Irak fundamenteel gewijzigd.  Het Ministerie van Arbeid en Sociale Zaken in Irak verstrekte volgende gegevens (2011): ongeveer 4,5 miljoen Iraakse kinderen verloren hun ouders. Dit betekent dat 14% van de bevolking van Irak wezen zijn! 70% van deze kinderen zijn wees geworden na  de invasie in 2003.  Ongeveer 600.000 van deze kinderen leven op straat en een beperkt aantal verblijft  in de 18 weeshuizen die Irak rijk is. Volgens de Iraakse traditie en cultuur was er voordien geen behoefte aan weeshuizen en opvangorganisaties. De uitgebreide familie zorgde immers voor hen die hun ouders verloren.

 

Dictatuur, oorlogen en sancties en criminaliteit brachten verandering in de oorspronkelijke cultuur en tradities.

In Irak leiden naar schatting een miljoen vrouwen het huishouden. De meesten van hen zijn weduwen, slachtoffers van gewapende conflicten en sektair geweld (ICRC/2010)

Afgezien van de extreme fysieke, mentale, economische en sociale schade, werden Irakezen ook geconfronteerd met de grimmige realiteit van de bestraffende financiële beperkingen tijdens de jaren van de sancties. Van 1990 tot 1996, het jaar waarin het “olie-voor-voedsel-programma (OFFP)” van kracht werd, werden alle buitenlandse rekeningen van Irak bevroren en mocht de olie niet internationaal worden verkocht. Het Iraakse volk was daardoor bijna volledig afhankelijk van de schamele hulp uit het buitenland – helemaal geen menswaardige wijze van overleven.

De OFFP (1996-2003), opgevat als een “humanitaire” dispensatie, werd volledig (!) gefinancierd met de  – door de sancties beperkte – Iraakse oliedollars en was weinig meer dan een ondergefinancierd ondersteuningsprogramma. Van de totale olie-inkomsten ten belope van 64 miljard dollar diende ongeveer $ 19 miljard doorgestort te worden aan de Compensatie Commissie (UNCC) van de VN in Genève. Op dat moment bedroeg in Irak de kindersterfte 130/1000 en was hiermee een van de hoogste in de wereld. Deze overdracht naar de UNCC moest dienen ter compensatie van particulieren, bedrijven en overheden, in het bijzonder de regering van Koeweit, voor vorderingen als gevolg van de invasie van Irak in Koeweit.  Was er toen enig moreel leiderschap geweest in de VN-Veiligheidsraad, hadden een groot deel van deze vergoedingen kunnen worden uitgesteld. Het zou veel doden hebben voorkomen onder de Iraakse kinderen.

Gedurende 6 ½ jaar, was slechts $ 43 miljard beschikbaar om de behoeften van 23 miljoen Irakezen te voldoen – een peulschil!  Van dit bedrag werd slechts 28 miljard dollar (1) daadwerkelijk gebruikt voor dit doel. Mismanagement en extreme bureaucratisering van de OFFP door de VN-Veiligheidsraad, alsmede de bewuste blokkade door de VS en Groot-Brittannië van de levensnoodzakelijke producten voor het volk van Irak, waren de belangrijkste oorzaken.

Tijdens de jaren van de Amerikaanse bezetting van Irak, liepen de maandelijkse onderhoudskosten van de troepen in Irak op tot ongeveer 12 miljard dollars. Met andere woorden, wat de Irakezen ontvingen van de OFFP om te overleven gedurende de gehele 6 ½ jaar, kwam overeen met minder dan 3 maanden van de kosten voor het handhaven van de Amerikaanse troepen in Irak!

 

Het humanitaire VN-programma was niet bedoeld om te slagen!

Het uiteindelijke resultaat: het effectief te spenderen bedrag aan humanitaire goederen bedroeg per hoofd en per dag 51 dollarcent – een beschamende werkelijkheid waarvoor de VS en de Britse regering grotendeels verantwoordelijk waren.

Vanaf oktober 2012 heeft Irak 38,7 miljard dollar compensatie betaald aan de hierboven genoemde drie partijen. De rechtmatige vraag van de Irakezen vandaag om op hun beurt herstelbetalingen te ontvangen van het buitenland voor tijdens de oorlog aangerichte verwoestingen, de lucht-, water-en bodemverontreiniging, de vernietiging van landbouwgrond en van de fysieke infrastructuur, de verwoesting van water- en sanitaire voorzieningen en elektriciteitsinstallaties, is tot op heden genegeerd door de internationale gemeenschap.

 

Dit betekent een ontoelaatbare en onaanvaardbare dubbele standaard.

In maart 2003, op het einde van de regering Saddam Hussein, werd de totale schuldenlast van Irak geraamd tussen $ 50 tot $ 80 miljard. De 19 leden van de Club van Parijs, bijna alle Europese landen, bepaalden dat de schuld van Irak aan hen 38,9 miljard dollar bedraagt. Andere schuldeisers van Irak komen voornamelijk uit de Arabische (CGCCR) landen.

De onmiskenbare, moedwillige vernietiging van het erfgoed van Irak, de cultuur, de diefstal van kunstvoorwerpen, de grove schending van het nationale en het internationale recht, de geplande desinformatie, de criminaliteit, de wreedheden, het gebrek aan respect voor de fundamentele menselijke belangen en ethische normen, … Sommigen verwerpen deze beschuldigingen als belachelijk, ideologisch getint en dom en ze blijven doof.  Hoe zielig deze ontkenning ook is, veel erger is dat zij niets te bieden hebben. In naam van de democratie dringen zij aan op het beruchte ‘grotere plaatje’,  “hun” groter plaatje dat hun bedoelingen rechvaardigt.

Begrijpen zij niet wat democratie en menselijkheid eigenlijk inhoudt? Het gaat niet om chips en cola, maar over menselijke veiligheid en de mogelijkheid om het eigen leven uit te bouwen zonder gebrek aan middelen en zonder angst.

Irak, een belangrijke eigenaar van olie- en gasvoorraden, zou er geen probleem mogen mee hebben zulk leven aan zijn bevolking te garanderen. In plaats daarvan is Irak verworden tot een falende staat die kan wedijveren met andere kansarme landen zoals Afghanistan, Somalië en de staat Palestina.  Irak draagt de kroon van ellende.

De totale impact van dit alles op het leven in Irak, betekent een onbeschrijfelijk menselijk drama. De verantwoordelijken hiervoor moeten echter niet hopen hierop niet aangesproken te worden en ze moeten er niet vanuit gaan dat hun misdaden eenvoudigweg zullen verdwijnen in de verre horizon van nergens. Ze zullen verantwoording moeten afleggen.

De inspanningen van de Kuala Lumpur War Crimes Commission (KLWCC), opgericht in 2005 door Tun Dr Mahathir, (minister-president van Maleisië van 1981 tot 2003) zijn een stap in de goede richting. Deze Commissie bouwt al jaren een indrukwekkende hoeveelheid bewijzen op; zij produceren juridische documenten en verzamelen getuigenissen van slachtoffers.  Dankzij dit bewijsmateriaal, zorgvuldig beoordeeld door het Kuala Lumpur Oorlogstribunaal, kon het Hof in november 2011 en in mei 2012 een vonnis vellen waarin de hoogste regeringsregionen in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk schuldig worden bevonden aan oorlogsmisdaden en misdaden van marteling. George W. Bush en Anthony Blair kunnen bezwarelijk spreken van een verrassing!

Het verdict van het Kuala Lumpur Tribunaal is duidelijk: de twee leiders en hun senior adviseurs hebben ernstige misdaden tegen de vrede begaan “in zoverre dat zij gepland en voorbereid de soevereine staat Irak zijn binnendrongen in strijd met het internationaal recht en dat zij misdaden pleegden van foltering en oorlogsmisdrijven, waarbij zij de Verdragen van Genève en de VN wet tegen marteling hebben genegeerd. ” (1)

 

Wat men heeft gezien kan niet verborgen blijven! Hoeveel kan een volk verdragen?

2013 moet het jaar worden waarin deze daders ermee geconfronteerd worden dat aan hun straffeloosheid een einde komt. Zeker zij die actief meegewerkt hebben in het creëren van tienatallen jaren van lijden voor de Irakezen. Dit proces is er voor iedereen, Irakezen en niet-Irakezen: gerechtigheid is er immers niet enkel voor de verliezers.

Het internationale publiek, als een kracht van onderuit, zal tijdens dit tiende jaar na de illegale invasie in Irak, het Iraakse volk verzekeren dat zij niet alleen staan in hun zoektocht naar herstel en gerechtigheid..

Hans-C. Graf Sponeck is voormalig VN-adjunct-secretaris-generaal en de VN humanitaire coördinator voor Irak

Noot:

(1)  zie: Kuala Lumpur Oorlogstribunaal – Case 1 en Case 2: Uitspraken van 22 november 2011 en 11 mei 2012 (ISBN 978-937-10817-1-6 en ISBN 978-967-10817-2-3)