Wanneer een grens geen grens is, en wetenschap geen wetenschap

Facebooktwittergoogle_plusmail

Misschien behoort u tot de mensen die zó opgetogen zijn dat BHV nu eindelijk gesplitst is geraakt, dat ze voor geen geld willen herinnerd worden aan de prijs die daarvoor wordt betaald. Misschien vindt u daarentegen dat na een halve eeuw bakkeleien géén splitsing nog beter ware geweest dan wat nu werd uitgedokterd. Of misschien kan het u allemaal bitter weinig schelen, en bent u vooral blij dat het gezeur nu kan ophouden (wat helaas niet het geval blijkt).

En dan te bedenken dat die hele BHV-kwestie slechts één aspect is van het touwtrekken om de taalgrens tussen Nederlandstalig en Franstalig gebied in België. Daar is in de loop der jaren al veel inkt en speeksel rond gevloeid, en gelukkig weinig of geen bloed. Maar om nu anno 2012 een heel boek daaraan te wijden ? En dan nog met een provocerende titel die suggereert dat die grens niet alleen scheidt maar tegelijk ook verbindt ?

Waagstuk

Wel, Brigitte Raskin heeft er zich aan gewaagd. Niet helemaal verwonderlijk voor iemand die al tientallen jaren pal op die taalgrens woont, zonder schroom opkomt voor de rechten van Vlamingen en hun taal, en tegelijk België in het hart draagt. Voor sommige mensen mogen die beide laatste halfzinnen volstrekt tegenstrijdig lijken, voor andere zijn ze dat niet. Die grondig verschillende kijk op fouten en verdiensten van het koninkrijk is op zichzelf al een verschijnsel dat even oud is als de strijd van de Vlamingen voor gelijkberechtiging, en leidt ook vandaag nog tot een soms ziekelijke polarisatie tussen Vlamingen onderling. Jammer is dat. Maar gelukkig hoeft het hier alleen te gaan over die taalgrens, en over dat boek.

Bij de meeste Vlaamse lezers is Brigitte Raskin allicht vooral bekend om haar ‘literair’ werk. Die aanhalingstekens, voor alle duidelijkheid, zijn hoegenaamd niet bedoeld om dat werk te denigreren, maar omdat ook dàt werk nooit helemaal fictie is maar onmiskenbaar sporen vertoont van wat haar opleiding, beroep én passie was en is: geschiedenis. Raskin is historica, gaf jaren les in dat vak, en werkte nadien vele jaren als journaliste.

Als zo iemand dan besluit om een boek te schrijven over de taalgrens, wat staat de lezer dan te wachten ? Een forse brok geschiedschrijving, vrucht van (ongepland véél !) jaren werk, terwijl die brok tegelijkertijd toch een prettig  leesbaar boek is geworden. Grote historici en goede leerkrachten zijn ook goede vertellers, en Brigitte Raskin is een goede verteller; de journalistieke ervaring speelt daarin zeker mee.

Kortom: de lezer krijgt “het beste van twee werelden” voorgeschoteld ? Neen, helaas. Want de medaille heeft ook een keerzijde. Prijzenswaardig is: dat de in wezen droge stof hoegenaamd niet saai wordt opgediend. Jammer daarbij is: dat de drang om vlot en onderhoudend te blijven – noem het de journalistieke behaagzucht – net iets te vaak overhelt in voorspelbare gein, te ver doorgedreven popularisering of oppervlakkig heenglijden over dingen die moeilijk liggen. Te vaak doen kleine en grote tekortkomingen afbreuk aan de degelijkheid of zelfs aan de geloofwaardigheid van een werk dat anders een klassieker had kunnen worden.

Wils’ oogkleppen

Qua geloofwaardigheid valt vooral een wel erg fundamenteel euvel aan te stippen. Raskin behoort onmiskenbaar tot “de school van Wils” (lang hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de KU Leuven, en al geruime tijd krasse emeritus), en heeft daarvan nooit een geheim gemaakt,  integendeel. Dit hele boek ademt de geest van haar mentor. Alleen is dat, als het over een ‘communautair’ zo gevoelig thema als de taalgrens (en de evolutie van de taalwetgeving in België) gaat, hoegenaamd niet bevorderlijk voor de objectiviteit.

Wils is ongetwijfeld een vlijtig auteur, en in veler ogen zelfs een historicus met grote verdienste. Maar wie de geschiedenis van dit koninkrijk met een werkelijk kritische blik bekijkt, kan van de man geen hoge pet op hebben. Want een verdienstelijk historicus moet – dacht ik – de gang van zaken zo objectief mogelijk weergeven, en dient daarbij zijn eigen sentimenten en ressentimenten zorgvuldig te weren uit zijn geschiedschrijving. En dat is helaas iets wat Wils kennelijk niet kan of wil.

Voor mij mag Wils of om het even wie de Vlaamse christendemocratie een zo warm hart toedragen als hij of zij dat wil. Maar wanneer dat er toe leidt dat feiten worden ontkend, verdraaid of gewoon genegeerd, dan wordt sympathie vooringenomenheid in plaats van wetenschap. Nog bedenkelijker wordt het wanneer zo’n historicus het grote (maar daarom niet noodzakelijk alles-determinerende) belang van economische factoren schromelijk verwaarloost, en de sociale dimensie verregaand. Tot daar het fenomeen Wils.

En alhoewel Raskin de partijpolitieke sympathieën van haar mentor niet deelt, heeft ze wel zijn oogkleppen overgenomen. In dit geval zijn dat burgerlijke en belgicistische oogkleppen. Voor alle duidelijkheid nogmaals: voor mij mag iedereen die zoiets nog zinvol acht, een burgerlijke en/of belgicistische kijk op de geschiedenis koesteren. Maar politieke standpunten zijn één ding, correcte geschiedschrijving een ander. Wie de eigen voorkeur of antipathie probeert te slijten als wetenschap, doet aan volksbedrog.

Geen haar op mijn hoofd verdenkt Brigitte Raskin ervan, de lezer bewust te willen bedriegen. Maar een kritischer houding tegenover de ingelepelde overtuigingen had dit boek – zacht uitgedrukt – geen schade berokkend. Van iemand die, naast Wils, ook Mark Grammens als leermeester heeft gehad, zou je zo’n kritische houding toch mogen verwachten.

Een vlot verhaal, subjectief getint

Kortom: Raskin heeft een bijzonder omvangrijke en gecompliceerde stof in een boeiend verhaal gegoten, dat evenwel subjectief is, en daarenboven – helaas –  ontsierd door nogal wat foutjes en hiaten, en hoogst aanvechtbare apodictische uitspraken. Zij heeft de verteller laten primeren op de kritische geschiedschrijver, de boodschap op de feiten.

Nu hoeft een goed verhaal niet noodzakelijk in te gaan op alle mogelijke details. Maar wanneer die (om het verhaal wat te kruiden) toch worden opgediend, moeten ze wél juist zijn. En soms kunnen feiten weinig relevant zijn in één lectuur van de geschiedenis, maar wel degelijk veelzeggend in een andere interpretatie – die even waardevol kan zijn. Zo beland je dan toch weer bij de subjectieve rangschikking en interpretatie van feiten. Daar hoeft zelfs niets mis mee te zijn. Ondertussen is toch algemeen aanvaard dat geen enkele geschiedschrijving perfect objectief kan zijn. Maar evenzeer geldt dat de auteur dan wél best voor die subjectieve visie uitkomt – zeker in een verhaal dat zo nauw verweven is met een bijzonder delicate actualiteit.

En laat dat nu precies de fundamentele (en ergerlijke) ambiguïteit zijn van dit boek. Het is immers niet zo dat een kritische kijk op 150 jaar taalstrijd in België geheel ontbreekt. Het is eerder verbazend dat iemand die deze geschiedenis goed kent én zich over ettelijke toestanden in verleden en heden oprecht – en terecht – ergert, tegelijk zo blind kan blijven voor de fatale fouten in de jongste staatshervormingen. Raskin relativeert meer dan eens die ‘typisch Belgische compromissen’ omdat daaraan vooral typisch is dat zij reeds de kiem van volgende conflicten in zich dragen. Maar tegelijk acht ze die ook onontbeerlijk om de Belgische constructie overeind te houden.

Dat is een merkwaardige kijk op de dingen, en hooguit subjectief te verklaren. Alleen: dat in een populariserende studie over de taalgrens de Vlaams-romantische benadering zorgvuldig wordt op afstand gehouden, is zonder twijfel loffelijk; maar waarom daarvoor een Belgisch-romantische in de plaats moet komen, is eerder raadselachtig (tenzij na lectuur van bovenstaande paragrafen).

Het zou hier te ver leiden op alle kleine en grote slakken zout te leggen. Dat zou ook afbreuk doen aan de verdiensten die dit boek wél heeft. Want als men  onvolkomenheden qua historiografie en ergernissen qua politieke teneur even buiten beschouwing laat, heeft Raskin een boeiend én leerrijk verhaal geschreven. Ze heeft ook enkele aardige verrassingen in petto. Met name de terugblik op officiële taalregelingen in het verleden (die men met een anachronisme de taalwetgeving uit vroegere eeuwen zou kunnen noemen) levert stof tot nadenken, én tot een kritische kijk op de ontwikkeling in België.

Het boek zal allicht (en ondanks gewettigde kritiek) een groot lezerspubliek  bereiken. Het had dan ook van de uitgever tenminste een competente lector ofte nalezer verdiend. Dan had alvast één flater vermeden kunnen worden, die zó fenomenaal is dat het slechts een slordigheid kan zijn: het spook dat halfweg de 19de eeuw door Europa waarde was in de tekst van Marx het communisme, niét het kapitalisme …

De taalgrens – of wat de Belgen zowel verbindt als verdeelt
Brigitte Raskin
Davidsfonds
2012
331