De Franse interventie in Mali

Mali2
Facebooktwittergoogle_plusmail

Ik ben principieel tegen elke militaire interventie van westerse mogendheden in landen van het Zuiden. Dergelijke interventies beantwoorden per definitie aan de eisen van het dominante monopoliekapitaal dat de hele wereld wil controleren.

Kan de Franse interventie in Mali een uitzondering zijn op de regel? Ja en neen. Dat is de reden waarom ik oproep deze interventie te steunen, hoewel ik helemaal niet denk dat zij een oplossing kan brengen voor de verslechterende politieke, sociale en economische problemen van Mali en van andere landen in de regio. Die situatie in het resultaat van het kapitalistisch beleid van de monopolies van de imperialistische triade (Verenigde Staten, Europa, Japan). Die is nog steeds aan het werk en ligt ook aan de basis van de aanwezigheid van de politieke islam in de regio.

 

 

Een reactionaire politieke islam: de vijand van de volkeren en de beste bondgenoot van de imperialistische triade1

De politieke islam – los van de verschillende manieren waarop die tot uitdrukking komt – is geen ‘beweging van herbronning van het religieuze geloof’ (of men daar kan achter staan of niet), maar een archi-reactionaire politieke kracht die de volken die het in zijn macht heeft veroordeelt tot een algehele regressie waardoor ze ook niet langer positief kunnen reageren op de uitdagingen waar ze voor staan. Hun macht is helemaal geen rem op de verdere verslechtering en verarming die al drie decennia aan de gang is. Integendeel, die verslechtering is een voorwaarde voor hun macht.

Vandaar dat de mogendheden van de triade – zoals ze zijn en zoals ze blijven – er een strategische bondgenoot in zien. De systematische steun die deze mogendheden geven aan de reactionaire politieke islam is dan ook de reden van zijn succes: de Taliban in Afghanistan, het FIS in Algerije, de ‘islamisten’ in Somalië en in Soedan, in Turkije, Egypte, Tunesië en elders. Overal hebben ze op belangrijke momenten steun gekregen om lokaal de macht te kunnen nemen. De zogenaamd gematigde politieke islam heeft nooit echt afstand genomen van de daders van terroristische aanslagen die ‘salafisten’ worden genoemd. Ze kunnen zonodig allemaal gebruik maken en blijven gebruik maken van een ‘ballingschap’ in de Golfstaten. Gisteren in Libië en vandaag in Syrië krijgen ze verder steun van de mogendheden van de triade. Hun afpersingen en misdaden zijn perfect geïntegreerd in het vertoog dat de steunstrategie onderbouwt. Het maakt de ‘oorlog tussen beschavingen’ geloofwaardig waarmee bij de bevolking van de triade een consensus kan worden bereikt over het mondiale project van het monopoliekapitaal. In die strategie kunnen twee vertogen – democratie en oorlog tegen het terrorisme – elkaar wederzijds versterken.

Men moet erg naïef zijn om te geloven dan de politieke islam van sommige zogenaamd ‘gematigden’ verenigbaar is met democratie. Er is zeker een taakverdeling tussen hen en de ‘salafisten’, waarvan dan met een zekere naïviteit wordt gezegd dat ze verder gaan met fanatieke, criminele en zelfs terroristische uitspattingen. Maar ze delen eenzelfde project: een per definitie archaïsche theocratie die haaks staat op een zelfs minimale democratie.

Sahelistan, een project in wiens belang?

De Gaulle dweepte met een project voor een ‘Groot Franse Sahara’. Door de hardnekkigheid van het Algerijnse FLN en de radicalisering van Mali in de Soedanese Unie van Modibo Keita mislukte het project definitief vanaf 1962-1963. Misschien denken sommigen in Parijs nog nostalgisch over dit plan, maar ik denk niet dat verstandige politici nog kunnen overtuigd worden van de haalbaarheid ervan.

Dit plan voor een Sahelistan komt niet van Frankrijk, ook al was Sarkozy het er mee eens. Het komt wel van die mistige politieke islam en het kon rekenen op de eventueel gunstige wind die uit de Verenigde Staten kwam en in dat kielzog de luitenanten van de –onbestaande – Europese Unie, Groot-Brittannië en Duitsland meenam.
Met zo’n islamitisch Sahelistan zou een grote Staat kunnen gesticht worden met daarin de Sahara van Mali, Mauritanië, Niger en Algerije en de belangrijke delfstoffen die er te vinden zijn: uranium, olie en gas. Die hulpbronnen zouden dan niet in eerste instantie voor Frankrijk zijn, maar voor de dominante mogendheden van de triade. Dit ‘koninkrijk’, naar het beeld van Saoedie-Arabië en de Golfemiraten zou makkelijk de steun van de schaarse bevolking kunnen ‘kopen’ en de emirs zouden een persoonlijk fortuin kunnen opbouwen met een fractie van de rente die hen wordt toevertrouwd. De Golfstaten blijven voor de mogendheden van de triade hét model van beste en nuttige bondgenoten/dienaren, ondanks het archaïsch en op slavernij berustend sociale model. Bijna zou ik zeggen, dank zij dit sociale beleid. De aan de macht zijnde potentaten zouden afzien van terrorisme op hun grondgebied, hoewel ze daarom niet afzien van steun aan dergelijke acties elders.
Frankrijk was erin geslaagd om van dit ‘Groot Sahara’ project de controle over Niger en het uranium te behouden, maar zou in Sahelistan slechts een tweederangsrol spelen.2
Het is François Hollande – en het strekt hem tot eer – die dit heeft begrepen en heeft geweigerd. Men moet daarom niet verbaasd zijn dat zijn interventie meteen werd gesteund door Algiers en enkele andere landen die nochtans geen ‘vrienden’ zijn van Parijs. In Algiers was men zeer luciede: men weet er dat het ‘Sahelistan’ project ook het zuiden van Algerije omvat en niet enkel het Noorden van Mali. En men hoeft zich evenmin te verbazen dat de ‘bondgenoten van Frankrijk’ – de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland en niet te vergeten Saoedie-Arabië en Qatar – in feite tegen deze interventie zijn. Ze stonden voor een voldongen feit – de beslissing van Hollande – en konden niet anders dan ermee instemmen. Maar ze zouden het niet erg vinden mocht de hele operatie mislukken. Hiermee zou het project voor Sahelistan nieuw leven worden ingeblazen.

De oorlog in de Sahara winnen

Ik hoor derhalve bij diegenen die hopen en wensen dat de oorlog in de Sahara zal gewonnen worden, dat de islamisten in de regio worden uitgeroeid (Mali en vooral Algerije) en dat de grenzen van Mali worden hersteld. Deze overwinning is een absolute voorwaarde maar is niet voldoende voor de latere heropbouw van de Staat en de samenleving in Mali.3

Dit wordt een lange, dure en moeilijke oorlog waarvan de afloop onzeker is. Voor een overwinning moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn. De Franse strijdkrachten mogen het terrein niet verlaten vóór de overwinning en het leger van Mali moet zijn naam snel waardig zijn. De militaire hulp van andere Afrikaanse landen zal nooit doorslaggevend zijn.

Het leger van Mali weer op de been helpen is zeker mogelijk. Het Mali van Modibo had een bekwaam en toegewijd leger dat een vijand, zoals de islamisten van AQMI vandaag, kon ontraden. Dat leger werd onder de dictatuur van Moussa Traoré echter systematisch afgebouwd en werd door zijn opvolgers niet opnieuw versterkt. Maar het volk van Mali is zich ervan bewust dat het land een leger nodig heeft en er bestaat dus een gunstig klimaat om eraan te werken. De enige hinderpaal is financieel. Op dit ogenblik kan het land geen duizenden soldaten aanwerven en uitrusten. Noch de Afrikaanse Staten, noch de VN zullen hierbij helpen. Frankrijk moet begrijpen dat de overwinning alleen mogelijk is als dit gebeurt. Een patstelling of een nederlaag zou niet enkel een ramp zijn voor de Afrikaanse volkeren, maar ook voor Frankrijk. Een overwinning zou een belangrijk middel kunnen zijn om Frankrijk opnieuw een plaats te geven in het concert der naties, belangrijker dan Europa.
Er valt niet veel te verwachten van de landen van ECOWAS. De pretorische wacht van deze landen heeft geen leger dat die naam waardig is. Nigeria heeft weliswaar een groot en goed uitgerust leger, maar de discipline is er op zijn zachtst gezegd erbarmelijk. Veel hogere officieren hebben maar één doel, en dat is plunderen. Senegal heeft eveneens een bekwaam en bovendien gedisciplineerd leger, maar het is eerder klein. Verder in Afrika zijn er Angola (dat formeel lid is van ECOWAS) en Zuid-Afrika die doelmatige hulp zouden kunnen bieden. Die landen liggen echter veraf en wellicht zijn er nog andere redenen waarom ze het belang van een interventie niet inzien.
Een vastberaden engagement van Frankrijk voor de hele noodzakelijke duur van de interventie vereist dat Frankrijk ook begrijpt dat het afstand moet nemen van zijn NAVO bondgenoten en van Europa. Zover zijn we echter nog niet en er is niets dat erop wijst dat François Hollande ook zo ver zal durven gaan.

Een diplomatieke strijd winnen

Het zichtbare conflict tussen de eerbare doelstellingen van de Franse interventie in Mali en het verderzetten van de huidige Franse diplomatie zal snel ondraaglijk worden. Frankrijk kan moeilijk de ‘islamisten’ in Tombouctou bestrijden en ze steunen in Alep!

De Franse diplomatie hangt vast aan de NAVO en aan de Europese Unie en is mee met haar bondgenoten verantwoordelijk voor het succes van de reactionaire politieke islam. Het overtuigende bewijs daarvan werd geleverd in het Libische avontuur (en was volkomen voorspelbaar, zoniet ook gewild, tenminste door Washington). De bedoeling was niet het volk te bevrijden van Kadhafi (een clown eerder dan een dictator) maar Libië te vernietigen. Libië is nu het terrein van krijgsheren geworden die ook rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de versterking van AQMI in Mali.

Het veelkoppig monster van de reactionaire politieke islam vindt zijn volgelingen zowel in de criminaliteit als bij de godsdienstfanaten. Naast de ‘djihad’, verrijken de emirs – die zichzelf voorstellen als de onverbiddelijke verdedigers van het geloof – zichzelf met de drugshandel (Taliban, AQMI), wapenhandel (de Libische krijgsheren) en prostitutie (de Kosovaren).

In Syrië staat de Franse diplomatie echter aan hun kant. De Franse media hechten geloof aan de persberichten van het zogenaamde ‘Syrische Observatorium voor de Mensenrechten’, een dienst van de Moslimbroeders, gesticht door Ryad El Maleh en gesteund door de CIA en de Britse diensten. Waarom dan geen geloof hechten aan de communiqués van Ansar Eddine! Frankrijk aanvaardt dat de ‘Nationale Coalitie van de Oppositiekrachten en de Revolutie’ wordt voorgezeten door Cheikh Ahmad El Khatib die door Washington werd gekozen, moslimbroeder is en schuldig aan de brand in de Doumawijk van Damas.

Het zou me – aangenaam – verbazen mocht François Hollande het geweer van schouder willen veranderen, net zoals De Gaulle dat heeft gedaan (vertrek uit de NAVO en een lege-stoelpolitiek in de EU). Eigenlijk wordt er niet zoveel van hem verwacht, maar wel dat de diplomatieke relaties worden omgebogen zodat de actie in Mali kan worden verder gezet en hij begrijpt dat Frankrijk meer ‘vijanden’ heeft in het kamp van zijn bondgenoten dan in dat van zijn vijanden. Zoiets gebeurt niet voor de eerste keer wanneer twee kampen diplomatiek tegenover elkaar staan.

Mali heropbouwen

Mali kan enkel door zijn eigen bevolking heropgebouwd worden. Maar het zou goed zijn mocht daarvoor hulp gegeven worden in plaats van barrières op te werpen die een heropbouw onmogelijk maken.

De koloniale ambities van Frankrijk – van Mali een cliëntenstaat maken naar het beeld van enkele andere landen in de regio – zullen bij sommige verantwoordelijken voor het beleid in Mali niet afwezig zijn. ‘Françafrique’ heeft nog steeds zijn woordvoerders. Maar zij vormen geen en zeker geen groot gevaar. Een heropgebouwd Mali zal snel zijn onafhankelijkheid kunnen (her)bevestigen. Een Mali dat door een reactionaire politieke Islam wordt overheerst zal lange tijd geen eerbare plaats kunnen innemen op het regionale en mondiale schaakbord. Net zoals Somalië kan het eventueel van de lijst van soevereine staten verdwijnen.

Ten tijde van Modibo had Mali stappen gezet in de richting van economische en sociale vooruitgang, net zoals van zijn onafhankelijkheid en zijn etnische eenheid.

De Soedanese Unie was erin geslaagd om in één enkele natie de Bambara’s uit het Zuiden, de Bozo vissers, de Songhaï landbouwers en de Bella uit de vallei van de Niger van Mopti tot Ansongo (men vergeet vandaag nogal makkelijk dat Noord Mali niet enkel door Toearegs wordt bewoond) samen te brengen. Men was er zelfs in geslaagd de Toearegs te overhalen hun Bella lijfeigenen te bevrijden. Bij gebrek aan middelen – en van politieke wil na de val van Modibo – hebben de regeringen van Bamako nadien de ontwikkelingsprojecten voor het Noorden opgegeven. Sommige eisen van de Toearegs zijn daarom volkomen gerechtvaardigd. Als Algiers voorstelt om in de rebellie van de Toearegs (die nu gemarginaliseerd zijn) een onderscheid te maken tussen diegenen waarmee men kan praten en de Djihadisten die van elders komen – en vaak racistisch zijn t.a.v. ‘zwarten’ – is dat een blijk van luciditeit.

De beperkte verwezenlijkingen van het Mali van Modibo, evenals de vijandigheid van de Westerse mogendheden (en van Frankrijk in het bijzonder) liggen aan de oorsprong van het gefaalde project en uiteindelijk van het succes van de hatelijke staatsgreep van Moussa Traoré (volledig gesteund door Parijs). Zijn dictatuur is verantwoordelijk voor de ontbinding van de samenleving in Mali, de verarming en de machteloosheid. Het volk is in opstand gekomen, met tienduizenden slachtoffers tot gevolg, en heeft de dictatuur omver geworpen. Er was opnieuw hoop in het land, maar de verwachtingen werden niet ingelost. Waarom niet?

Sinds de val van Moussa Traoré heeft het volk van Mali ongeëvenaarde democratische vrijheden. Maar dat heeft nergens toe geleid. Er zijn honderden spook-partijen zonder programma, machteloze verkozen parlementsleden, een veralgemeende corruptie. Analysten die zich nog niet helemaal hebben bevrijd van racistische vooroordelen besluiten dan dat dit volk (net zoals de Afrikanen in het algemeen) niet rijp is voor democratie! Men wil niet inzien dat de overwinning van het volk is samengevallen met het neoliberale offensief waardoor dit extreem broze land een lumpen-ontwikkeling werd opgelegd door de Wereldbank, met de steun van Europa en van Frankrijk. Dit heeft geleid tot sociale en economische achteruitgang en een onbeperkte verarming.

Dat beleid is verantwoordelijk voor de mislukking van de ongeloofwaardig geworden democratie. Hier net zoals elders kon de reactionaire politieke islam (gefinancierd door de Golfstaten) er gebruik van maken, niet enkel door het Noorden in te nemen (AQMI), maar tevens in Bamako.

Het verval van de Staat dat hier een gevolg van was ligt aan de basis van de afzetting van President Amani Toumani Touré (die is gevlucht naar Senegal), de ondoordachte coup van Sanogho en nadien de voogdij met de aanstelling van een ‘voorlopige’ President – een transitiefiguur – door ECOWAS. Voorzitter van ECOWAS is de Ivoriaanse President A. Ouattara die niet meer dan een ambtenaar van het IMF en van het Franse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is. Het is die President, met een legitimiteit dicht bij nul bij het volk van Mali, die Frankrijk vroeg om te interveniëren. Dit feit verzwakt het argument van Parijs dan vanuit diplomatiek oogpunt nochtans vlekkeloos is: Parijs is ingegaan op de oproep van een bevriend en legitiem staatshoofd. Maar waarom zou de oproep van Het Syrische staatshoofd – die ontegensprekelijk even legitiem is – tot steun van Iran en Rusland ‘onaanvaardbaar’ zijn? Dit zal Parijs moeten recht trekken met een ander taalgebruik.

De heropbouw van Mali zal moeten gebeuren met een rechttoe rechtaan verwerping van elke liberale oplossing. Maar op dat vlak liggen de opvattingen van Parijs dicht bij die van Washington, Londen en Berlijn. De ‘ontwikkelingshulp’ van Parijs sluit aan bij de dominante liberale litanieën.4 Meer is er niet. Zelfs indien Frankrijk de slag om de Sahara zou winnen – wat ik hoop – is het slecht geplaatst om bij te dragen tot de heropbouw van Mali. Een onvermijdelijke mislukking zou dan de deur open zetten voor de valse vrienden van Frankrijk om revanche te nemen.

Vertaling: Francine Mestrum

 

Noten:

1 Om dit artikel niet te lang te maken en toe te spitsen op Mali heb ik alle andere ermee verband houdende overwegingen achterwege gelaten, behoudens hier en daar een voetnoot.

Dit artikel spreekt niet over de aanval in In Amenas. De Algerijnen weten dat zij de oorlog tegen de Islamitische Staat van het FIS (destijds door westerse mogendheden gesteund in naam van de ‘democratie) hebben gewonnen, maar dat de strijd niettemin permanent moet worden gevoerd op twee niveaus : de veiligheid en de sociale vooruitgang, het enige middel om het recruteringsveld van de zogenaamd islamitische groepen te verkleinen. De moord op Amerikaanse en Britse gegijzelden zal Washington en Londen wellicht doen inzien dat Algiers heeft gehandeld zoals het moest. Er is geen onderhandeling mogelijk met moordenaars. Ik geloof helaas niet dat op lange termijn deze ‘flater’ van de terroristen de steun aan de zogenaamd ‘gematigde islamisten’ van de Verenigde Staten en van Groot-Brittannië zal doen verminderen.

Een korte referentie naar wat de reactionnaire politieke islam in werkelijkheid is lijkt noodzakelijk.

Het strategisch gebruik van deze bewegingen door het dominante kapitalisme/imperialisme sluit geen kortsluitingen uit. Het mobiliseren van ‘djihadistische’ avonturiers – ‘terroristen’ – is het onvermijdelijke middel voor de reactionnaire politieke islam om zijn macht te vestigen. Deze avonturiers zijn uiteraard niet vies van criminaliteit (plunderingen, gijzelingen, enz.). De ‘godsdienstfanaten’ die ze recruteren doen ook onvoorspelbare dingen. Het leiderschap van de beweging (de wahabieten in de Golf) en het establishment van de VS (en van de weeromstuit de ondergechikte bondgenoten in Europa) beseffen dat ze maar in beperkte mate de instrumenten van hun gemeenschappelijke project kunnen controleren. Maar ze accepteren de chaos.

Er bestaan ernstige analyses van de reactionaire politieke islam (zie o.m. Samir Amin, Le monde arabe dans la longue durée, 2010).

Een bealngrijk punt dat erbij vermeld moet worden : de reactionnaire politieke islam biedt een goede garantie dat de landen die er het slachtoffer van zijn onmogelijk tot de groep van de ‘groei-economieën’ kunnen gaan behoren. Zie in dit verband het hoofdstuk in Samir Amin, L’implosion du capitaliste libéral, 2012).

2 Frankrijk heeft zijn controle over Niger en het uranium kunnen behouden dank zij een goedkope ‘hulp’ die het land arm en machteloos houdt. Zie noot 4. Het project van Sahelistan ontneemt Frankrijk de kans om deze controle te behouden.

3 In tegenselling tot de luciditeit van Algiers valt het stilzwijgen van Marokko op, wiens monarchie de eisen op Tombouctou en Gao (‘Marokkaanse’ steden) nooit heeft laten vallen en herhaaldelijk in dondertoespraken heeft laten horen. Die houding van Rabat moet nog verklaard worden.

4 Yash Tandon, (‘En finir avec la dépendance de l’aide’, Cetim, Genève, 20 ) heeft aangetoond dat de voorwaardelijke hulp gekoppeld aan de neoliberale mondialisering geen remedie maar wel gif is. In de inleiding bij dit boek heb ik zelf het voorbeeld van Niger vermeld.