Zambia leeggezogen door Westerse koperbedrijven

zambia kopermijnen
Facebooktwittergoogle_plusmail

Westerse groothandelaars in grondstoffen verdienen niet alleen fortuinen aan speculatie op die grondstoffen. Bovendien beroven ze ook nog eens de staatskassen in landen die de grondstoffen leveren, daarbij meestal geholpen door lokale corrupte medeplichtigen. De buit wordt verdeeld, maar het grootste deel gaat naar rekeningen in fiscale paradijzen. Zo ook in koperrijk Zambia, waarbij we, niet tot onze verbazing (zie artikel daarover in Uitpers), gigant Glencore, met zetel in Zwitserland, tegenkomen.

Eerder dit jaar 2012 reisde ik gedurende een maand door Zambia, het voormalige Noord-Rhodesië, en meer dan eens hoorde ik Zambianen beweren: “Ons land is een van de rijkste van Afrika wat betreft grondstoffen, maar wij behoren tot de armste bevolkingen van dit continent.” Mijn Zambiaanse vriend Kanu, pure Zambiaan maar van Indiase afkomst die in de Copperbelt woont, stuurt hallucinante berichten over de miljarden die uit het land worden gezogen en op buitenlandse offshore rekeningen terechtkomen.

De laatste tien jaar verdween meer dan 6 miljard euro naar belastingvrije paradijzen zoals de Britse Virgin Islands. De organisatie ‘Global Financial Integrity’ (GFI) met zetel in Washington, toonde aan dat dit verlies veroorzaakt wordt door misdaad, corruptie en belastingontduiking in Zambia door multinationale bedrijven die er aan koperontginning doen. De som vertegenwoordigt de helft van Zambia’s ‘bruto nationaal product’.

Dev Kar, economist en coauteur van het GFI-rapport, zei hierover: “Waar ze actief zijn beroven grote mijnbedrijven de naties van de middelen om tot ontwikkeling te komen. Het geld zou moeten besteed worden aan de bouw van ziekenhuizen en scholen, en om de economie aan te zwengelen.” Kar zei dat het soms moeilijk was om op te sporen waar het geld heen ging, maar dat het overgroot gedeelte verdween naar offshore banken en belastingparadijzen.

Verandering met Sata

Gelukkig lijkt daar nu stilaan verandering in te komen met de nieuwe president Michael Sata (75) die in september 2011 met grote meerderheid werd verkozen. Zijn tegenstander, de zittende president Banda, die drie jaar voordien won van Sata, voerde nochtans in 2011 de duurste campagne ooit in Afrika. Toch haalde Sata 48 procent van de stemmen en Banda amper 35 procent. Onmiddellijk na zijn verkiezing tikte Sata de talrijke Chinese investeerders al op de vingers door hen ervan te beschuldigen dat ze hun Zambiaanse werknemers behandelden als slaven. Sata zelf is een voormalige vakbondsleider.

Een van de ministers van Sata, staatssecretaris voor Financiën Miles Sampa, startte gerechtszaken tegen overheidspersonen die hij van corruptie beschuldigde. Hierin is de voormalige minister van Justitie, Wynter Kabimba betrokken, die steekpenningen zou hebben ontvangen van het multinationaal handelsbedrijf Trafigure. De belastingontduiking door de koperbedrijven ligt volgens Sampa op ongeveer 1,5 miljard euro per jaar; geld dat aan de Zambiaanse schatkist toebehoort.

Ex-president Banda en zijn familie, eisten constant grote percentages op van openbare werken, waarvan de kosten op onnatuurlijke wijze werden opgeschroefd. “Dat is ook de reden”, schreef mijn correspondent Kanu, “dat onze wegen in dergelijke erbarmelijke staat verkeren.“

Voorgeschiedenis

Wijlen president Frederick Chiluba, die Banda voorafging, beroofde Zambia op grote schaal. Hij was de opvolger van dr. Kenneth Kaunda, die het land naar de onafhankelijkheid leidde, en nog altijd op de handen wordt gedragen door de Zambianen. Kaunda is 88 jaar en verschijnt nog geregeld in het openbaar. Hij schreef de eerste democratische verkiezingen uit, waardoor een man als Chiluba aan de macht kon komen in 1991 en vooral privatiseringen doorvoerde. Daarop volgde wijdverbreide corruptie.

Chiluba werd in 2007 door het Britse gerecht schuldig bevonden aan grootschalige fraude en kreeg een boete van 34 miljoen euro. In diezelfde periode reisde Chiluba naar Genève waar hij voor 830.000 euro luxegoederen kocht in Boutique Basil. Er vertrokken elf koffers naar zijn verblijf in Lusaka met onder meer 206 maatpakken, 185 overhemden, 46 paar schoenen en 157 broeken…

Sarah Freitas, een van de auteurs van het GFI-rapport, zei dat 3,6 miljard euro van de verdwenen fondsen tussen 2000 en 2010, frauduleuze overdrachten waren van grote sommen, die invoerders beweerden te betalen aan buitenlandse bedrijven, maar die verdwenen in de kluizen van offshore-banken. Ook worden belachelijk lage prijzen aangerekend voor koper bestemd voor het bedrijf Glencore in Zwitserland.

Armoede

“Het ‘bruto nationaal product’ van Zambia bedroeg 14,5 miljard euro in 2011”, zei Sarah Freitas. ”En het jaarlijks gemiddeld inkomen van een Zambiaan bedraagt amper 1.062 euro. Ruim 60 procent van de Zambianen leeft onder de armoedegrens met minder dan 80 eurocent per dag. De jaarinkomsten van het land worden geraamd op 3,23 miljard euro. De regering kan zich dus niet veroorloven dat op dergelijke grote schaal wordt gefraudeerd door buitenlanders.”

Nog volgens staatssecretaris Sampa, ontwijken buitenlandse mijnontginningsbedrijven grote sommen aan belastinggeld door te beweren dat ze geen winst maken. Dit staat in fel contrast met de enorme winstmarges die onlangs werden bekendgemaakt door Glencore. Naderhand stortte Glencore-CEO Ivan Glasenberg (55) ongevraagd 360 miljoen Zwitserse frank in de kas van het rijke stadje in Zwitserland, waar hij tegenwoordig woont. De hoofdzetel van Glencore is gevestigd in het Zwitserse kanton Zug, in de buurt van Zürich.

“Indien we erin slagen een aantal achterpoortjes te sluiten, zou dit Zambia tenminste 1,10 miljard euro per jaar opleveren”, zei Sampa nog. “Hoeveel ziekenhuizen kunnen daarmee worden gebouwd en hoeveel wegen heraangelegd?”

Bewijsmateriaal in een onderzoek uitgevoerd door de Britse regering, dat Glencore zowat 93 miljoen euro per jaar belastingen van zijn Mopani-mijn in de Copperbelt in Zambia ontduikt, wordt door het bedrijf straal ontkend. (Volgens het IMF kost onwettige kapitaalvlucht via belastingontduiking en dergelijke, aan de ontwikkelingslanden 645 miljoen euro in 2010.)

Eigen (Zwitsers) volk eerst

De beursgang van Glencore vorig jaar leverde 8,8 miljard euro op, waardoor de 485 aandeelhouders allemaal in een klap multimiljonairs werden. Sinds enige tijd woont CEO Glasenberg in Rüschlikon, een welstellend Zwitsers dorp van 5.300 inwoners, dat praktisch geen werkloosheid kent. Uit ‘dankbaarheid’ aan de plaats die hem opving, stortte Glasenberg 360 miljoen Zwitserse frank in de gemeentekas, zodat de burgemeester plots met een belastingoverschot zat van 50 miljoen Zwitserse frank. Hierop besliste hij de gemeentebelasting met 7 procent te verminderen.

Inwoner Pete Cadish en zijn echtgenote, waren echter van mening dat ze best een deel van dit overschot konden schenken aan de mijnwerkers van Zambia, die aan de basis lagen van hun welstand. Er werd een grote vergadering belegd van de inwoners maar in massa verzetten ze zich tegen het voorstel van Cadish, die 2 procent (1 miljoen Zwitserse frank) wilde schenken aan de mijnwerkers. Een van de argumenten was, dat ze hun nieuwe inwoner Glasenberg niet wilden beledigen met dergelijke actie.

Dauphin

Hier moeten we aan toevoegen dat de Zuid-Afrikaan Ivan Glasenberg de ‘dauphin’ was van Marc Rich, stichter van Glencore. Deze Rich behoort tot de grootste fraudeurs ooit van de Verenigde Staten. Toen hij daar voor het gerecht werd gedaagd en riskeerde voor meer dan tien jaar achter de tralies te verdwijnen, ontvluchtte hij de VS. Zo werd hij een van de 10 meest gezochte misdadigers van Amerika. Rich vestigde zich in Zwitserland, veranderde de naam Rich Company in Glencore, en gaf de fakkel door aan Glasenberg.

Marc Rich werd dan wel beschermd door Zwitserland, maar hij mocht het land niet meer uit zonder risico’s. Tijdens de Clinton-administratie stortte de vrouw van Rich een som van ongeveer 750.000 euro (1 miljoen dollar) in de kas van de Democratische Partij. Kort daarop stelde president Bill Clinton, op de laatste dag van zijn ambtstermijn, Rich en enkele medewerkers van zijn bedrijf buiten vervolging.

Glasenberg heeft alles geleerd van zijn mentor Rich. Toen een grote Noorse ‘accountancy firm’ een onderzoek uitvoerde in opdracht van de Zambiaanse regering, bleek dat 73 procent van de Mopani Mining Company (eigendom van Glencore) in handen was van een  bedrijf in de Virgin Islands, een belastingparadijs. Ook werd vastgesteld dat de onkosten bij Mopani tussen 2006 en 2008 plots waren gestegen, waardoor de winsten werden geminimaliseerd en er veel minder belastingen moesten worden betaald. Dit alles gebeurde nog ten tijde van president Banda en er wordt gehoopt dat alles een andere wending neemt met de komst van de nieuwe president Sata.

Ongegrond

Uit reacties van mijn correspondent Kanu in Kitwe, blijkt dat sommige bewoners van de Copperbelt vrezen dat buitenlandse investeerders zich zullen terugtrekken uit het gebied, als er te veel belastingdruk op hen wordt gelegd. Vooral wanneer ze beseffen dat het een risico is om in Afrika te werken. Deze vrees is ongegrond, want Zambia bezit de grootste kopervoorraad ter wereld en bij zijn snelle technologische ontwikkeling is het Westen voor een enorme hoeveelheid koper afhankelijk van Zambia. Daarenboven heeft Zambia aangetoond dat het, ondanks de inwendige politieke meningsverschillen, een stabiel land is met weinig gewelddadige conflicten.

Een pluspunt is wellicht ook dat de huidige vicepresident een blanke Zambiaan is, Guy Scott, die economisch gevormd werd in Cambridge. Toen een Westerse journalist er hem onlangs op wees dat hij als blanke toch een vreemde was in een zwart land, schoof hij dat gewoon van tafel. Als voormalig politiek activist in Zambia, kwam hij altijd op voor de arme Zambianen en hij wil dat blijven doen. “Er zijn nog meer landen met een blanke vicepresident”, zei hij, “kijk maar naar de Verenigde Staten”.