Spinoza lezen is een verademing

Facebooktwittergoogle_plusmail

Baruch Spinoza is in. Hoe komt het dat een man die van 1632 tot 1677 leefde in de 21ste eeuw meer dan ooit gelezen en besproken wordt? Meer dan waarschijnlijk omdat hij iemand was die dacht en doordacht. Dat dwingt onze bewondering af en werkt bevrijdend. Bewondering, omdat het in Spinoza’s tijd alles behalve vanzelfsprekend was zonder taboes te denken en de rede te laten spreken. Door zijn hoofd te gebruiken kon men het toen ook letterlijk verliezen. Spinoza werkt bevrijdend omdat hij ons in deze tijd helpt om de waan van de dag te overstijgen, precies door te doen wat hij deed: de werkelijkheid aanvaarden en leven volgens de rede.

Spinoza lezen is een verademing. Daar kan geen twijfel over bestaan. Precies omdat men in zijn geschriften een man ontmoet die niet vanuit vooroordelen en geloofsdogma’s dacht, maar vanuit de feiten en volgens de rede. Dat zet ons ertoe aan zijn voorbeeld te volgen en op grond van de feiten het leven en de samenleving te doorgronden. De werken van Spinoza zijn zeer toegankelijk, ook voor wie geen beroepsfilosoof is. De leek in het vak hoeft trouwens niet ieder hoofdstuk van Spinoza te lezen, dat is althans de bescheiden mening van ondergetekende. Zo weidt Spinoza in zijn Theologisch-politiek Traktaat  uitvoerig uit over de Schrift, meer bepaald het Oude Testament. Of Mozes nu al dan niet de auteur was van de Pentateuch, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, daar liggen wij niet meer van wakker. Maar beweren dat hij dat niet was, was in Spinoza’s tijd wel degelijk revolutionair en levensgevaarlijk. Niet voor niets werd bij het verschijnen van het Theologisch-politiek Traktaat Spinoza’s naam niet genoemd en gebruikte ook de uitgever een fictieve naam. Wat Spinoza in dit en zijn andere werken over de mens en de samenleving schrijft is ook nu nog meer dan verhelderend.

Wie er voor terugschrikt zich meteen op een van die werken te storten, kan terecht bij de filosofe Tinneke Beeckman die ons door Spinoza’s lens vertrouwd maakt met zijn denken. ‘Door Spinoza’s lens’, de titel van het boek, verwijst naar het beroep dat Spinoza uitoefende om de kost te verdienen: lenzenslijper.
De grootste verdienste van Spinoza is ongetwijfeld dat hij onderstreepte dat de mens volgens de rede moet leven. De rede leert ons hoe we moeten leven: liefdevol en rechtvaardig. Om dat te weten hebben we geen god, godsdienst, geloof of kerk nodig. De Schrift (de Bijbel) is voor Spinoza geen bron van kennis. Wijsbegeerte (filosofie) en wetenschappen kunnen ons iets leren over de waarheid, maar niet de godgeleerdheid (theologie) of de godsdienst. Vandaar dat Spinoza de opvatting verwierp dat de filosofie de dienstmaagd van de theologie is. Beide moeten strikt gescheiden worden.

De mens helpen volgens de rede te leven moet ook het doel van de politiek zijn. Alleen de mens die volgens de rede leeft kan een vrij mens zijn. Het doel van de politiek is dus de vrijheid. Die vrijheid is volgens Spinoza evenwel niet absoluut. De burger mag een wet bekritiseren als hij oordeelt dat die tegen de rede indruist, maar zolang de wet bestaat moet hij worden nageleefd.

Spinoza was er zich maar al te goed van bewust dat de mens zich niet uitsluitend door de rede laat  leiden, maar ook af te rekenen heeft met zijn passies of aandoeningen zoals Spinoza die noemde. Toch veroordeelde hij die passies (haat, afgunst, eerzucht enz.) niet, omdat ze tot de menselijke natuur behoren en hij besefte dat de rede maar in beperkte mate de passies kan temperen. Wel moet de mens er volgens Spinoza naar streven zich te laten leiden door positieve aandoeningen zoals de blijheid en niet door negatieve zoals de verbittering.

Uiterst revolutionair was Spinoza door de stelling te poneren dat God hetzelfde is als de natuur. Er is dus niets anders dan de natuur en alles en iedereen is aan de natuurwetten onderworpen. Iets dat niet aan de natuurwetten beantwoordt (mirakels) bestaat dus niet. Vele van onze tijdgenoten die enerzijds beweren niet meer in God te geloven, maar anderzijds de mening zijn toegedaan dat er toch ‘iets’ moet zijn (het ietsisme) krijgen van Spinoza het antwoord: er is inderdaad iets, de natuur. In dezelfde zin maakt Spinoza geen onderscheid tussen geloof en bijgeloof. Hij gebruikt meestal het woord bijgeloof, waar hij het geloof bedoelt. Want wat is het verschil tussen het branden van kaarsen (zogezegd bijgeloof) en het veranderen van een stuk ouwel in het lichaam van Jezus (zogezegd geloof). De rede, aldus Spinoza, herinnert mij zonder omwegen aan bepaalde dingen en fluistert mij onophoudelijk dingen in die geheel in tegenspraak zijn met het geloof.

Lang voor de Franse revolutie pleitte Spinoza voor de scheiding tussen kerk en staat en tussen godsdienst en politiek. En niet alleen voor de scheiding. In een periode waarin in Nederland de protestantse (calvinistische) kerk een staatskerk wou worden, zei Spinoza dat de staat het recht heeft op zeggenschap over kerkelijke zaken.

Samenleving maakbaar of niet?

Was Spinoza met zijn pleidooi voor redelijkheid, voor realisme, voor het aanvaarden van de natuur zoals die is, voor of tegen verandering, opstand, revolutie? Was de samenleving voor Spinoza maakbaar of niet? Die vraag heeft te maken met wat Spinoza over verontwaardiging dacht en daar dacht hij zeer genuanceerd over. Verontwaardiging kan tot opstand leiden tegen onderdrukking. Dat is voor Spinoza geen probleem, maar hij waarschuwt ervoor dat opstand ook tot nog meer onderdrukking en chaos kan leiden. Hetzelfde zegt hij over idealen. Inzet op basis van idealen kan nobel lijken, maar als die inzet niet tot vrede en welvaart leidt, zijn idealen geen goede zaak. Spinoza pleit voor langzame evolutie. Politieke actie gebeurt best niet onder invloed van passies, maar door de redelijke constructie van de fundamenten van de staat. Het heeft met andere woorden geen zin een tiran te vermoorden of te verjagen als de voorwaarden voor tirannie niet zijn weggenomen. Zolang dat niet het geval is kan een volgende leider een nieuwe tirannie installeren. Het doet ons denken aan de zogenaamde Arabische Lente. Toch veroordeelt Spinoza verontwaardiging en verzet geenszins. Het komt er wel op aan de inzichten over datgene waarop men recht heeft om te zetten in macht om die inzichten te verwezenlijken.

Spinoza was een realist en geen utopist. Hij voelde veel meer voor het politieke realisme van Niccolò Machiavelli dan voor de utopische visie van Thomas More. Hij vreesde dat de strijd voor gelijkheid ten koste zou gaan van de individuele vrijheid. Volgens Beeckman wijst Spinoza More’s Utopia af omdat die Utopia in zijn ogen een hopeloze strijd tegen de menselijke passies is. De staat kan die alleen onderdrukken ten koste van de vrijheid en met veel geweld. Het kan volgens Spinoza nu eenmaal niet dat mensen hetzelfde verlangen, mooi vinden, denken, oordelen.
Daartegen kan men opwerpen dat als men de rijken steeds meer rijkdom laat vergaren, dit ten koste zal gaan van steeds meer armen. Spinoza beschouwde de oplossing van sociale kwesties trouwens wel degelijk als een politieke opdracht. De minachting van de rijken voor de armen, de daaropvolgende haat bij de armen, de uitblijvende sociale verandering  en het gebrek aan gemeenschapszin konden zijns inziens alleen maar tot het verval van de staat leiden. Men kan zich in dit verband afvragen of het Thomas More aan werkelijkheidszin ontbrak bij het schrijven van zijn Utopia. Het feit alleen al dat hij het beeld dat hij van de ideale samenleving schetste Utopia noemde, bewijst dat hij maar al te goed besefte dat het om een utopie ging. Zo schrijft hij in zijn Utopia: ‘Want het is onmogelijk dat het met alles goed gesteld is, tenzij ook alle mensen goed zijn. En dat verwacht ik nog niet in heel wat jaren.’

Democratie

Democratie is voor Spinoza de beste bestuursvorm, omdat ze het best de natuurlijke gelijkheid en vrijheid onder mensen behoudt. Democratie maakt het volgens Spinoza mogelijk dat mensen volgens de rede leven. Daarbij houdt hij er maar al te goed rekening mee dat mensen ook en misschien vooral door passies worden gedreven. Maar democratie vergroot de kans dat mensen hun passies in positieve actie doen omslaan en dat ze door de rede inzien dat ze belang hebben bij een vreedzame samenwerking. Spinoza pleit voor democratische medezeggenschap van de bevolking, omdat zijns inziens een grote groep individuen redelijker oordeelt dan één leider. Anderzijds geeft hij zich rekenschap van de wispelturigheid van de massa.

Toch doet de zo realistische en redelijke Spinoza af en toe de wenkbrauwen fronsen. Zo meent hij dat vrouwen niet aan het politieke leven kunnen deelnemen. Daartoe moet een mens vrij zijn, aldus Spinoza. Achtte hij in zijn tijd vrouwen nog te veel onderworpen aan hun man om vrij te zijn? Spinoza sloot trouwens ook vreemdelingen, kinderen, wie in dienst werkt, wie een slechte reputatie heeft door misdaad of wangedrag en gekken uit van deelname aan het politieke leven. Al die categorieën achtte hij daartoe te onvrij. Volgens Beeckman suggereert Spinoza ook dat de vrouwelijke aanwezigheid de mannelijke geest negatief kan beïnvloeden. Daardoor zou de rivaliteit tussen mannen toenemen. Mannen zijn dus te weinig redelijk en te snel afgeleid om vrouwen te kunnen verdragen. Dat ruikt sterk naar islamisme.

Afgezien van dit voor ons wat bevreemdende standpunt is de lectuur van Spinoza een en al verrijking. Zijn belangrijkste werken zijn: Ethica, Theologisch-politiek Traktaat, Verhandeling over de Verbetering van het verstand, Korte Verhandeling over God, de mens en zijn geluk, Hoofdstukken uit de Politieke verhandeling, Briefwisseling. Voor wie nader kennis wil maken met het leven, de werken en de ideeën van de zeventiende eeuwse filosoof kunnen we de onvolprezen biografie die Steven Nadler over hem schreef warm aanbevelen (Steven Nadler, Spinoza, Atlas).

Door Spinoza’s lens
Tinneke Beeckman
Pelckmans
232