Spanje: ¿ahora qué?

betoginSpanje
Facebooktwittergoogle_plusmail

Voor recordcijfers allerhande moet je dezer dagen ten zuiden van de Pyreneeën zijn: hoogste werkloosheid bij jongeren, laagste arbeidsproductiviteit, diepste kloof tussen rijk en arm…

Enkele jaren terug leken de gevolgen van de crisis er nog mee te vallen en stond de trotse financiële wereld naar eigen zeggen nog sterk in haar schoenen. Helaas is er sindsdien heel veel gebeurd. De zeepbel van de bouwsector – samen met het toerisme de grote peiler van de Spaanse economie – is in alle hevigheid uiteengespat en de stilaan in de rommelkredieten verzuipende banken werden omvergeblazen door de schokgolf. Duizenden veelal laaggeschoolde mensen raakten hun job kwijt en de torenhoge hypotheekleningen konden niet meer afgelost worden.

De toenmalige premier Zapatero van de sociaaldemocratische partij PSOE weigerde lange tijd om toe te geven dat er een probleem was en toonde daarna te weinig slag- en daadkracht om dat probleem te verhelpen. Voor de rechtse oppositiepartij PP was het vervolgens een koud kunstje om, met de welwillende medewerking van haar machtige media-apparaat, Zapatero te overladen met alle zonden van Israël. Na vervroegde verkiezingen kwam eind vorig jaar dan ook Mariano Rajoy aan de macht, de nogal saaie voorzitter van de PP en protégé van de werkelijke machten binnen de partij, waaronder voormalig premier Aznar.

De verkiezingswinst van de PP was gebaseerd op beloftes die al gauw loos bleken te zijn. Er werd een verlaging van de belastingen beloofd, een van de eerste maatregelen van de regering was precies een stevige verhoging van allerlei bijdragen. De werkloosheid zou kordaat aangepakt worden, intussen heeft die al de kaap van de 25% van de actieve bevolking overschreden. Zapatero werd zeer hard aangepakt omdat hij de btw wou verhogen, intussen heeft de PP juist hetzelfde gedaan. De conservatieve regering heeft uiteraard ook drastisch gesnoeid in uitgaven voor cultuur, onderwijs, gezondheidszorg, ontwikkelingshulp, milieu en wetenschappelijk onderzoek, terwijl ‘heilige huisjes’ als de kerk, het koningshuis en het leger grotendeels ongeschonden uit de besparingsrondes gekomen zijn.

De gevolgen laten zich raden: het leven is veel duurder geworden in Spanje en de lonen groeien niet mee (in het beste geval worden ze bevroren), dus wordt er veel minder geconsumeerd. De budgetten voor universiteiten, onderzoekscentra enz. zijn teruggebracht tot marginale bedragen en dus trekken uitstekend opgeleide en gemotiveerde jongeren massaal naar het buitenland. In plaats van te investeren in nieuwe technologieën en startende bedrijven met innovatieve ideeën te ondersteunen, profileert Spanje zich steeds meer als een lagelonenland waar het goedkoop is om mensen te ontslaan en een diploma enkel dient om iets meer kans te maken op een ‘hamburgerjob’ dan die ongeschoolde sukkel. Meer en meer evolueert het land naar een Amerikaans model: wil je dat je kinderen degelijk onderricht worden, dat je goed verzorgd wordt in het ziekenhuis en dat je buurt schoon en veilig is dan kan dat, maar alles heeft zijn prijs.

En wat doet de regering intussen? Die heeft het te druk met het redden van de banken, in Spanje niet veel meer dan speelgoedjes van politici om fortuinen te vergaren met vastgoed. Wat goedkoop patriottisme helpt ook altijd om de aandacht op de schrijnende situatie af te wenden, het haantjesgedrag tussen de Catalaanse (en binnenkort wellicht ook Baskische) nationalisten en de Madrileense voorvechters van het Ene Grote Spanje verdringt elk nieuws over de crisis van de voorpagina van de kranten. Wat brood en spelen kan ook nooit kwaad: stierengevechten worden opnieuw live uitgezonden terwijl de allerkleinsten voor de buis zitten, de protesterende indignados komen enkel in beeld om ze voor te stellen als een ziekmakende bedreiging voor de maatschappij die zonder mededogen moet worden weggewerkt door de heldhaftige politie.

 

Tommy De Cock