Corruptie en klassenstrijd in ‘communistisch’ China

china partijcongres
Facebooktwittergoogle_plusmail

Alles verliep volgens plan op het 18e congres van de Chinese Communistische Partij (CP). Zoals een kleine groep van circa 50 personen (bijna uitsluitend mannen) vooraf was overeengekomen,  wezen de afgevaardigden van de 68 miljoen partijleden Xi Jinping aan als opvolger van partijleider Hu Jintao. Van een echt congres was geen sprake, dit was alweer een ceremonie volgens een strak vastgelegd scenario, een congres zoals gewoonlijk bol van holle frasen waaruit “China watchers” een richting trachten te distilleren. Strijd tegen corruptie en nood aan stabiliteit stonden alvast – alweer – centraal.

Aftredend partijleider Hu Jintao was bij de opening van het congres duidelijk: de alom tegenwoordige corruptie ondermijnt de legitimiteit van de partij. Hij zei wel niet dat de allerhoogste regionen zijn aangetast door corruptie, nepotisme, vermenging van privé en algemeen belang. En hij vermeed een nog ernstiger probleem dat de legitimiteit al langer ondermijnt: de groeiende ongelijkheden. Een partij die zich communistisch noemt moge dan al aangetast zijn door corruptie, maar wat met die ongelijkheden? Hoe valt klassenstrijd, want daar lijkt het toch op, te rijmen met wat zedig “de specifieke Chinese weg naar het socialisme” blijft genoemd worden?

Herhaling

De toespraak van de aftredende partijleider leek op die van de nieuwe partijleider tien jaar geleden. Want toen had Hun Jintao het ook al over de gesel van de corruptie als een dreiging voor de stabiliteit. Er wordt veel over gepraat, maar de weerstanden zijn groot. Toen Deng Xiaoping op het einde van de jaren 1970 de economische liberalisering inluidde met onder meer de leuze “Verrijk u”, gold de regel dat partij- en staatsfunctionarissen zich moesten onthouden.

Maar lokale, regionale en nationale functionarissen vonden het maar niets dat anderen zich konden verrijken zonder dat zijzelf een graantje meepikten. Ze gebruikten hun posities om op grote schaal zelf zaken te doen en om voor hun tussenkomsten te laten betalen. Er ontstond een generatie van “rode prinsen en prinsessen”, familieleden van leiders, die rijk tot erg rijk werden. Naaste familieleden van partijleider Xi hebben enkele luxueuze eigendommen in Hongkong en bezitten pakken aandelen in diverse ondernemingen.

Deze groepen hebben alle belang bij een “stabiliteit” die hun privileges beschermt. Om die stabiliteit te garanderen, moeten partij en staat ervoor zorgen dat de welvaart blijft groeien. Maar tegelijk krijgt de “zhengfawei”, de diensten die voor de binnenlandse veiligheid instaan, dit jaar voor de eerste keer een budget dat groter is dan het budget voor defensie.  Uit vrees dat de duizenden protestacties ontsporen en ooit zouden uitmonden in een nationale beweging. Uit vrees dat de wereld van de kritische Internetters meer biedt dan een uitlaatklep.

Stabiel

Hu kon op dit congres anderzijds wel een mooie balans voorleggen: in de voorbije tien jaar ging de Chinese economie alweer met grote sprongen voorwaarts. En China is op weg om weer zijn rechtmatige plaats – aldus een wijdverbreide Chinese visie – als nummer één van de wereld in te nemen. Ondanks de tienduizenden jaarlijkse protestacties is het land bovendien een stabiele baken in een woelige wereld. Voorlopig toch nog.

De Chinese leiders hebben China’s lot immers verbonden met dat van de kapitalistische wereldeconomie. Als de rest van die wereld goed draait, zit dat goed voor de Chinese die zo sterk op uitvoer is gericht. Maar veel klanten verkeren in crisis – in Europa en Japan onder meer – en dat begint door te wegen op de Chinese economie. Er is nog weinig sprake van een noodzakelijke afkoeling van de groei, integendeel er worden stimulerende maatregelen genomen.

Bovendien lijdt China nu zelf een beetje onder delocalisatie: er zijn immers andere Aziatische landen die investeerders een zoals dat heet “gunstiger klimaat” kunnen bieden, waaronder lagere lonen en een volgzamere arbeidersklasse. Want de Chinese arbeiders bijten de jongste jaren van zich af. Ze dwongen vaak hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden af.

Kloof

De tijd is echter voorbij dat alles taboe kon blijven. Internet en andere “sociale media” zijn zo wijdverbreid – 550 miljoen Internetters – dat ondanks alle censuurmaatregelen toch veel tot een breed publiek doorsijpelt. Het roept vage herinneringen op aan de nomenklatura uit de Sovjetperiode. De groeiende kennis onder de bevolking over de privileges van die nomenklatura ondermijnde de geloofwaardigheid en legitimiteit van het systeem.

Hoe vol te houden dat men een socialistische samenleving opbouwt terwijl de ongelijkheden de ogen uitsteken? En die ongelijkheden uit de Sovjettijd waren erg klein bier in vergelijking met de huidige situatie, zowel in de gewezen Sovjetstaten als in China. De kloof tussen theorie en praktijk is immens groot. Vandaar ook dat er in China nog erg weinig over theorie wordt gepraat.

Het 18e partijcongres was er een voorbeeld van: een parodie van een congres met “vedetten” die door de propaganda-afdeling als “model” naar voor werden geschoven. Zoals Ju Xiaolin, een van de 26 afgevaardigden van de “nongmingong”, de ca 250 miljoen interne migranten die nog altijd erg weinig rechten hebben. Ju werd een vedette omdat hij op een vergadering van afgevaardigden de tranen in de ogen kreeg bij het voordragen van een gedicht ter ere van de toespraak van Hun Jintao. Het gedicht “Een nieuwe hoop” had het over de 64 pagina’s van de toespraak en de 38 onderbrekingen met applaus… Er was ook een andere vedette, een vertegenwoordiger van de miljardairs: Liang Wengen die de nationalistische snaren betokkelde. “Als ik duizend keer zou moeten geboren worden, moet dat duizend keer in China zijn”. Een goed marxist-leninist?

Willekeur

Volgens extrapolaties zal China zich nog tijdens deze generatie nummer één van de wereld mogen noemen. Economisch gesproken, want de VS blijven met hun wereldwijd militair apparaat nog een tijdje een extra troef in handen houden. Maar wat zijn extrapolaties waard? Hoe snel kan een situatie zich ombuigen? De Chinezen hoeven maar naar Japan te kijken om te zien hoe “een mirakel” ineens verlammingsverschijnselen vertoont.

Een teken van onrust is de rush van Chinese rijke ondernemers én partijleiders die een basis in het buitenland zoeken. Steeds meer zakenlui kopen zich via investeringen een andere nationaliteit, bij voorkeur in de VS of Canada. Vooral die zakenlui behoren tot de vele Chinezen, volgens onderzoeken de overgrote meerderheid, die de willekeur van het systeem beu zijn. Die het beu zijn dat de justitie in bijna alle gevallen ten dienste staat van de lui van het systeem. Eigen ervaring en Internet zorgen ervoor dat de meeste Chinezen gevallen kennen van lokale bestuurders, politie en justitie die grond- en bouwspeculanten helpen bij illegale onteigeningen. Idem bij de vele acties van bewoners die zich verzetten tegen de inplanting of verdere werking van bedrijven die de volksgezondheid schaden.

Kloof bis

Deze gisting aan de basis, de groei van een autonoom georganiseerde samenleving (“middenveld”) botst met de erg gecentraliseerde machtsstructuur. Deze kloof vermengt zich met die andere beruchte kloof, die van de welvaart. De ongelijkheden nemen toe, bovenvermelde Ju en Liang hebben buiten het lidmaatschap van de partij erg weinig met elkaar gemeen, zij hebben tegengestelde klassebelangen. Chinese economisten wijzen erop dat die ongelijkheden de economische groei gaan afremmen. Want die groei steunt totnogtoe grotendeels op uitvoer, het binnenlands verbruik draagt slechts voor een derde bij tot de groei.

Xi zal net als zijn voorganger inspanningen doen om sociale vrede te kopen, terwijl de interne veiligheidsdiensten ervoor zorgen dat sociale onrust lokaal ingeperkt wordt. Elke dag zijn er incidenten die het vuur aan de lont steken. De Chinese samenleving is nooit zo geatomiseerd geweest als in de Sovjetmaatschappij, onder meer omdat rivaliserend groepen in de leiding een beroep deden op “de massa’s” tegen hun rivalen. In 1989 is gebleken dat die “massa’s” ook op straat kwamen buiten de rivaliserende clans om.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.