De Koerdische oppositie in Syrië

syrische koerden
Facebooktwittergoogle_plusmail

De Koerden grijpen de opstand in Syrië aan om werk te maken van hun culturele en nationalistische agenda. Sinds deze zomer beschikken ze over een Koerdische autonome regering en oefenen ze militaire en bestuurlijke controle uit in de ‘bevrijde’ Koerdische gebieden. De Koerdische bevolking en hun respectievelijke politieke bewegingen leven verspreid in de grenszones van Turkije, Irak, Syrië en Iran. Of het regime van Bashar Al-Assad nu valt of niet, dat en de aangegane allianties met regionale machten, zorgt voor een extra potentieel gevaar van regionale instabiliteit.

 

De Syrische Koerden vormen met naar schatting meer dan 2 miljoen mensen (10% van de totale bevolking) de grootste etnische minderheid van Syrië. De Koerdische oppositie is ook een van de oudste van het land. De eerste moderne Koerdische partijen dateren van 1957. In de daaropvolgende 55 jaar veranderde het Koerdische politieke landschap drastisch. Veel van de huidige partijen zijn het gevolg van diverse linkse en rechtse afsplitsingen van de Koerdische Democratische Partij van Syrië (KDPS). Damascus zag die partij als een bedreiging van de Syrische nationale eenheid, waardoor de KDPS ondergronds moest opereren. Volgens artikel 8 van de Syrische grondwet zijn partijen op regionale of tribale basis nog altijd verboden. Onder de regering van Hafiz Al-Assad (1970 – 2000) konden de Koerdische partijen toch relatief vrij opereren omdat ze als te zwak en verdeeld werden gezien. Assad was meer bezig met het voor zijn kar spannen van de Koerdische partijen in de buurlanden, waar trouwens hetzelfde gebeurde.

Damascus haalde de banden aan met de twee belangrijkste Iraakse Koerdische partijen, de PUK (Patriottische Unie van Koerdistan onder leiding van Talabani) en de KDP (Koerdische Democratische Partij onder leiding van Barzani). Beide Koerdische partijen konden probleemloos kantoren opereren in de Syrisch-Koerdische stad Al-Qamishli aan de grens met Turkije van waaruit ondermeer ‘peshmergas’ (‘zij die de dood trotseren’) werden gerekruteerd om de strijd aan te binden met het Iraakse leger.

In de jaren ’80 en ’90 tolereerde het regime van Assad ook de activiteiten van de Turks-Koerdische guerrillabeweging PKK. Goed een vijfde van de PKK-strijders heeft het Syrische staatsburgerschap. PKK-leider Abdullah öcalan resideerde in Damascus. Daar kwam een eind aan in 1998 toen onder zware druk van Turkije Assad het ‘Adana-akkoord’ tekende. Voortaan beschouwde Syrië de PKK als een ‘terroristische’ organisatie en waren PKK-activiteiten en kantoren op Syrisch grondgebied verboden. Abdullah öcalan was verplicht om Syrië te verlaten en begon aan een odyssee die zou eindigen in Turks gevangenschap.

 

Politisering van de Koerdische bevolking

De aanwezigheid van deze beweging in Syrië is niet onlogisch. Er bestaan sterke culturele, linguïstische en historische banden tussen de Koerden van Syrië en Turkije, maar ook met die van Irak. Hun aanwezigheid beïnvloedde in sterke mate de Syrisch-Koerdische politieke beweging. De Iraaks Koerdische KDP en PUK hadden elk hun Syrische afdelingen die sinds de oprichting van de Koerdische Regionale Regering in Irak bovendien konden rekenen op financiële steun. Ook dat werd getolereerd door Assad. De jarenlange aanwezigheid van de PKK had vooral bij de jongere generatie Syrische Koerden een politiserend effect. Koerdische intellectuelen waren ook heel actief in de politieke salons van de ‘lente van Damascus’ na het aantreden van Bashir al-Assad. Het ging om een tijdelijke politieke opening waarbij oppositiefiguren discussieerden over politieke hervormingen.

In Damascus werd daar gauw een eind aan gemaakt. In het Koerdische noorden daarentegen kwam het zelfs tot ontmoetingen tussen Baath-vertegenwoordigers en Koerdische politieke leiders. Ook konden de Koerden politieke en culturele activiteiten ondernemen.

Toen de voorlopige grondwet het autonoom statuut van de Koerden in Noord-Irak op 8 maart 2004 formaliseerde zorgde dat voor nationalistische oprispingen in Syrië tijdens een voetbalmatch tussen (het Koerdische) Al-Qamishli en (het Soenni-Arabische) Deir el-Zor. De Koerdische supporters vierden de oprichting van de Koerdische Regionale Regering, waarop de tegenpartij foto’s omhoog hield van Saddam Hoessein. Tijdens de match vielen er 7 doden. In de daarop volgende dagen vielen er bij pro-Koerdische betogingen nog eens 32 doden en vele tientallen gewonden. De Syrische troepen reageerden hard met honderden arrestaties. De situatie kalmeerde weer en uiteindelijk werden arrestanten weer vrijgelaten en kregen zelfs amnestie. Maar wat er bestond aan culturele activiteiten – zoals het onderwijs in het Koerdisch – werd verboden.

 

De Koerden tijdens de opstand

Bij het uitbreken van de opstand in Syrië was de participatie van de Koerden beduidend minder. Voor een stuk had dat te maken met het wantrouwen ten aanzien van een deel van de oppositie die een Arabisch nationalistische agenda naar voor schoof en het feit dat Turkije – dat een traditie heeft in het miskennen van de Koerdische rechten in eigen land – heel gauw zijn steun zou toezeggen aan de Syrisch Nationale Raad waar de moslimbroeders de belangrijkste fractie vormen.

Het regime van Assad heeft daar op in gespeeld door een minder repressieve politiek te voeren en aan een aantal van de Koerdische verzuchtingen tegemoet te komen. Op 7 april 2011 kondigde de Syrische president in zijn decreet 49 aan om het burgerschap te verlenen aan 225.000 Koerden. De meesten van hen zijn afstammelingen van de 125.000 inwoners van de noord-oostelijke regio Hasaka van wie in 1962 het burgerschap werd ontnomen. De overigen zijn ‘niet geregistreerden’ en beschikken daardoor over geen enkele legale status (over deze groep zei het decreet 49 niets).

De opstand heeft de politiek verdeelde Koerden dichter bij elkaar gebracht vanuit het besef dat het beter is om in het licht van de ‘Arabische lente’ gemeenschappelijke standpunten naar voor te schuiven. In mei 2011 ontvouwde een brede coalitie van Koerdische partijen haar ideeën voor de aanpak van de crisis in Syrië die de eenpartijstaat moet doen evolueren naar een rechtsstaat waarbinnen er ‘echte’ gelijkheid komt tussen alle burgers. Er is daarbij geen sprake van onafhankelijkheid. Daarvoor leven de Syrische koerden te verspreid zonder aaneengesloten grondgebied. De eisen zijn gelijkaardig aan die van de democratische oppositiebeweging in de rest van het land met dat verschil dat veel Koerdische politici geloven dat de Arabische oppositie niet bereid is de rechten van de Koerden te erkennen.

 

Wantrouwen voor de Syrisch-Arabische oppositie

Het wantrouwen tussen de Koerden en de Arabische oppositie werd extra in de verf gezet tijdens de conferentie van de – voornamelijk buitenlandse – oppositie in juli 2011 in Istanbul. De weinige Koerdische vertegenwoordigers verlieten de bijeenkomst toen bleek dat er geen overeenstemming kwam over de naam van het nieuwe Syrië. De door de moslimbroeders gedomineerde bijeenkomst hield vast aan de benaming ‘Syrische Arabische Republiek’ in plaats van de door Koerden gevraagde ‘Syrische Republiek’.

Eerder hadden Koerdische partijen een gezamenlijke verklaring uitgegeven n.a.v. een andere bijeenkomst in het Turkse Antalya: “elke dergelijke bijeenkomst in Turkije kan alleen maar schadelijk zijn voor de Koerden in Syrië, omdat Turkije tegen de Koerdische aspiraties is, niet alleen voor wat betreft Noordelijk Koerdistan (Turks Koerdistan, nvdr.), maar in alle vier delen van Koerdistan (Turkije, Irak, Iran en Syrië, nvdr.) met inbegrip van de Koerdische regio in Syrië”

Vanaf dan zou de kloof tussen beide groepen alleen nog maar groeien. De hoofdzakelijk buitenlandse bannelingen van de Arabische Syriërs zou in augustus 2011 een oppositieplatform vormen onder de naam Syrische Nationale Raad (SNC), met de moslimbroeders als een van de belangrijkste componenten. De Koerdische oppositie organiseerde zich twee maanden later buiten de SNC in een aparte Koerdische Nationale Raad (KNC) die in Erbil werd opgericht. Erbil is de hoofdstad van de Koerdische autonome regio in Irak. Het KNC staat dan ook onder invloed van de Iraaks-Koerdische regering.

Naast de SNC en de KNC is er nog het ander, zij het veel linkser georiënteerde nationale oppositieplatform, het Nationaal Comité voor een Democratische Verandering, waar voorheen ook tal van Koerdische partijen deel van uitmaakten. Op de PYD (Democratische Unie Partij) na verlieten die allemaal het platform om vervolgens op te gaan in het KNC. De PYD werd in 2003 opgericht door voormalige PKK-leden en is er nauw mee verbonden. Tussen PYD en de KNC kwam het geregeld tot spanningen en zelfs botsingen. Hoewel de PYD zich kritisch opstelde ten aanzien van het regime in Damascus, beschuldigden KNC-leden de partij ervan met Assad samen te werken. De SNC beweerde zelfs dat het Syrische leger zijn posten overdroeg aan de gewapende leden van de PYD. De reden daarvoor werd gezocht in het feit dat Turkije, de belangrijkste buitenlandse steunpilaar van de SNC, de PYD als een afdeling beschouwt van de PKK. Assad zou op die manier niet alleen de oppositie verdelen, maar ook Turkije het leven zuur willen maken als weerwraak voor de steun aan de SNC en het Vrije Syrische Leger. De rivaliteit tussen PYD en KNC heeft dan weer te maken met de moeilijke relatie tussen de PKK en de Koerdische Regionale Regering in Irak, die zelf erg afhankelijk is van Turkije op vlak van handel en investeringen. Nagenoeg 80 % van alle geïmporteerde voedsel en kledij (ter waarde van 6 tot 9 miljard dollar in 2010) komt uit Turkije. Meer dan 60 % van de bedrijven in het Koerdische noorden van Irak is in Turkse handen.

Turkije volgt de ontwikkeling in de Syrisch-Koerdische regio met argusogen. Zeker sinds de PYD en de KNC er in geslaagd zijn om het op een akkoord te gooien voor de vorming van een autonome regering (De Koerdische Hoge Raad) dat sinds deze zomer de meeste plaatsen onder militaire controle heeft en zelf bestuurt. Dat de KNC uiteindelijk tot zo’n akkoord is bewogen heeft wellicht te maken met de krachtsverhoudingen op het terrein. De PYD is immers veruit het best georganiseerd op militair vlak in de Turkse-Syrische grensregio. Dit zeer tot ongenoegen van het Vrije Syrische leger, een min of meer los samenwerkingsverband van lokale milities, dat de PYD ervan beschuldigt zijn operaties te hinderen. Het Vrije Syrische Leger heeft immers van Turkije zijn uitvalsbasis gemaakt. Turkije van zijn kant is er vooral voor beducht dat de PKK die nieuwe situatie kan uitbuiten in de strijd tegen Ankara. De gewelddadige grensincidenten waarbij het Turkse leger verschillende keren Syrische stellingen bombardeerde als antwoord op mortiervuur vanuit Syrië, toont hoe destabiliserend dit alles kan werken.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers