De eeuw van de stad

Facebooktwittergoogle_plusmail

Deze eeuw zal zeker de eeuw van de stad worden. Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in steden. Voor het eerst in de geschiedenis leven er meer mensen in een stad dan op het platteland. Tegen 2040 zal ongeveer twee derde van de mensheid in steden leven. En in Nederlandstalig België? De verwachting is dat er tegen 2050 een miljoen mensen bijkomen van wie de meesten zich in de stad zullen vestigen. Dat is een demografisch gegeven. Daarnaast is er natuurlijk ook de sterke toename van de diversiteit: Antwerpen herbergt ongeveer 170 en Gent ongeveer 150 verschillende nationaliteiten. En dan is er natuurlijk ook nog de grote ecologische uitdaging om in dat almaar meer verstedelijkend milieu leefbare woonwijken en mobiliteit te organiseren. Geen kleine onderneming dus.

Façade van de pretstad

De denktank Oikos nodigde in 2010 een aantal Belgische Nederlandstalige onderzoekers en professoren uit om samen na te denken over de toekomst van de stad rond drie kernvragen. Wat is de huidige stand van de stad en welke zijn de belangrijke historische evoluties die deze huidige toestand kunnen verklaren? Wat zijn de belangrijkste uitdagingen en welke antwoorden kunnen we daarop formuleren? En de derde vraag: wat kunnen de krachtlijnen zijn voor een toekomstgericht stedelijk beleid? Met de bijdragen van ongeveer twintig auteurs maakte samensteller Dirk Holemans vier hoofdstukken. In ‘Achter de façade van de pretstad’ brengen Pascal De Decker en Bruno Meeus vanuit een statistische vogelvlucht in beeld wat is toegenomen dan wel is afgenomen. Er is een serieuze bevolkingstoename te constateren, maar tegelijk is er ook sprake van een sterker wordende sociale tweedeling tussen de hippe bewoners van de pretstad en een steeds groter wordende laag van bewoners voor wie een huis onbetaalbaar wordt. Er wordt niet langer geïnvesteerd in sociale woningbouw – Antwerpen en Mechelen kondigen zelfs een stop af – de inspanningen voor de vernieuwing van versleten woningen blijven beperkt op aantrekkelijke plaatsen en er wordt vooral gemikt op het bouwen van duurdere woningtypes (lofts, luxeflats) om een beter verdienend publiek aan te trekken.

Citymarketing

Die evolutie wordt verder uitgewerkt door Pascal de Decker, Pieter Van den Broeck en Maarten Loopmans in het tweede hoofdstuk. In de laatste dertig jaar onderscheiden zij een evolutie van een bewonersgerichte stadsvernieuwing naar stadsontwikkeling waar een burgemeester als Patrick Janssens de mond van vol heeft. In de jaren negentig van vorige eeuw werd er, mede door de sterke opkomst van het Vlaams Blok in steden als Antwerpen, ingezet op sociale vernieuwing. Via het SIF (Sociaal Impulsfonds) en initiatieven als de BOM (Buurtontwikkelingsmaatschappij Noordoost Antwerpen) werd het herstel van de leef- en omgevingskwaliteit van achtergestelde buurten aangepakt. Met de Vlaamse verkiezingen van 1999 veranderde dat beleid grondig. Het SIF werd vervangen  door het Stedenfonds dat de nadruk legde stedenbouwkundige projecten met als belangrijkste doel het aantrekken van een meer gegoede middenklasse (gentrification) naar de steden. De city marketing was geboren. De nadruk verschoof naar projectontwikkeling en- management, publiek-private samenwerking, stedenbouwkundig ontwerp en vastgoedverhandeling, verzelfstandiging van overheidstaken en publiek management, citymarketing en een doorwerking daarvan in andere beleidsdomeinen zoals ruimtelijk beleid.

Terwijl ik deze recensie schrijf is de laatste week voor de gemeenteraadsverkiezing ingegaan. Apache ondervroeg op 8 oktober de Gentse bestuurskundige en expert in lokaal beleid Filip De Rynck over stadsontwikkeling. Hij beaamt de stelling van Pascal De Decker: “Het is waar dat steden erg inzetten op de middenklasse. Veel jonge mensen trekken weg uit de stad naar de groene rand. Ze nemen daarmee veel belastingscenten mee maar laten ook een verschraalde stad achter, dus het is zinvol om zorg voor hen te dragen. Het klopt dat zo’n beleid druk zet op de woonmarkt. De stad wil de leefbaarheid bevorderen en investeert in woonwijken, wat ervoor zorgt dat de huurprijzen stijgen. Mensen die zich dat niet meer kunnen permitteren, worden daardoor hun wijk uitgeduwd. Het is een moeilijke oefening. Steden hebben de middenklasse hard nodig, maar daardoor breng je andere mensen soms in de problemen.’

Sociale huisvesting

De Rynck voegt er echter ook toe dat de invloed van de steden op het vlak van sociale huisvesting redelijk beperkt is: “Een stad kan wel iets doen, maar niet heel veel. Ze kan premies uitdelen of renovaties aanmoedigen, maar dat blijft al bij al beperkt. Een bestuur zal altijd moeten samenwerken met hogere overheden. De huurwoningen op de markt zijn vaak van slechte kwaliteit en veel te duur. Steden kunnen die reglementering maar voor een stuk aanpassen, want de huurwet is daarbij cruciaal. Die zit momenteel bij de federale overheid, en komt binnenkort naar Vlaanderen. Als steden sociale woningen willen bouwen, zijn ze daarvoor afhankelijk van woningmaatschappijen die ook hun middelen krijgen van de Vlaamse overheid. Als zij er te weinig voorziet, kan er weinig gebeuren. Sowieso is tussen het moment van aanvraag in een stad en van ingebruikname van een sociale woning een termijn van 5 á 7 jaar geen uitzondering. Dan is het moeilijk kort op de bal te spelen. Gemeenten maken het elkaar trouwens ook niet altijd even makkelijk. De stad Antwerpen heeft een relatief hoog aantal sociale woningen, maar als je dan merkt dat haar randgemeenten daar nauwelijks in investeren, zal Antwerpen dat probleem nooit alleen kunnen oplossen.”

Stedeling als migrant

In een zeer boeiend hoofdstuk ‘De stad van aankomst: de stedeling als migrant’ ontkracht Pascal Deboosere een aantal verouderde beelden: gezinnen ontvluchten de stad niet en de stad is evenmin een plek die steeds voller loopt met ‘migranten’. Grote steden werken ook als transitzone: een aantal nieuwkomers zal de stad weer verlaten om zich in een ruimer gebied te vestigen. Als besluit van zijn artikel schrijft hij: “De groei van de stad is het resultaat van meerdere verhaallijnen die soms met elkaar botsen. Steden als centra van economische groei en van de nieuwe kenniseconomie met een jonge hoogopgeleide bevolking sporen niet altijd met de aankomst van internationale migranten uit afgelegen plattelandsdorpen die met één vliegtuigticket eeuwen overbruggen. De stad laat zich echter niet reduceren tot  een enkel verhaal, wat haar vaak heel verwarrend maakt. Maar wat al die mensen verenigt, is  de hoop op een betere toekomst. De stad zal zich niet lenen tot simpele oplossingen maar in een wereld in verandering wordt de toekomst va de mensheid ongetwijfeld in de stad geschreven.” (p.67).

Breuklijnen

In zijn bijdrage bespreekt Eric Corijn ‘De breuklijnen in de Vlaamse stedelijkheid’ en analyseert hij het antwoord dat Belgische grootsteden ontwikkelen op de overgang naar de postindustriële stad. Hoewel Brussel zijn belangrijkste onderzoeksterrein is, bespreekt hij in dit artikel toch voornamelijk ontwikkelingen in Antwerpen en Gent, steden die een tweesporenbeleid proberen te voeren, maar het economische en sociale beleid ervan lopen volgens hem op apart sporen. Het verschil tussen beide steden is dat Antwerpen de stad als een bedrijf beschouwt met een CEO, een management en bedrijfseenheden, terwijl Gent vertrekt van de metafoor van de regisseur met partners, coalities en projecten. De auteur ziet twee grote breuklijnen opdoemen: ten eerste de scheiding tussen kernstad en voorstad, die ook de dualisering ruimtelijk weergeeft en daarnaast is er de kloof op de arbeidsmarkt die geen antwoord biedt op de hoge werkloosheid bij laaggeschoolden.

Langetermijnvisie gevraagd

Het is onbegonnen werk om dit boek van bijna 380 bladzijden samen te vatten. Er zijn immers te veel bijdragen die aandacht verdienen. ‘Mensen maken de stad’ is een indrukwekkend boek, niet alleen door het onderzoekswerk en de analysekracht van zijn samenstellers, maar ook door het visionaire karakter ervan dat vooral in het vierde deel ‘De stad als transitieplek naar een sociaalecologische samenleving’ en zeker in de slotbeschouwingen waarin de krachtlijnen voor een sociaalecologische stad worden getrokken aan bod komt. Zeer boeiend zijn ook de ‘verhalen’ die aan het einde van elk hoofdstuk worden toegevoegd en waarin enkele auteurs de internationale toer opgaan. Zo is de bijdrage van Jim Segers over City Mine(d) in Londen zeer boeiend en inspirerend: via het investeren in soft structures, met name het opbouwen van vertrouwensrelaties om goederen, diensten en ervaringen met elkaar uit te wisselen wordt niet alleen economische ontwikkeling maar ook de organisatie van solidariteit mogelijk. Dat lijkt me de beste manier om het sociale weefsel in de wijken en buurten van de grote steden te versterken.

Ik las dit boek terwijl alle gemeentelijke politici overijverig allerlei plannen ontvouwen rond stadsontwikkeling. Zo werkt dat natuurlijk niet. “Een degelijk geïntegreerd ruimtelijk sociaal woon- en stadsvernieuwingsbeleid vergt wegens sociale en ruimtelijke complexiteit een planmatige en langetermijnaanpak. Maar dit botst niet alleen met het ongeduld van de politiek op zoek naar snelle resultaten, maar ook met de meer individualistische aanpak die ons woonbeleid nu al meer dan een eeuw kenmerkt.” Die wijze woorden heb ik aangestreept op bladzijde 47. Jammer genoeg zijn grote woorden om snel te kunnen scoren in deze verkiezingsperiode nu meer dan ooit de boodschap. Daarom is het zo verfrissend om in al dat gepolitiseerde hic et nunc gedoe ook eens een stevige wetenschappelijke en tegelijk visionaire tekst onder de tand te krijgen die aanspoort tot reflectie en ook tot daadkracht maar dan op de lange termijn. Wij, mensen, maken de sociaalecologische stad van morgen, maar daar moeten we dan vandaag aan beginnen. En dat mag zich zeker niet beperken tot een pretstad vol evenementen. Tijdens het lezen van ‘Mensen maken de stad’ heb ik vaak gedacht  aan belangrijke programmapunten rond stadsontwikkeling van een kleine partij als Rood! Het is net alsof zij in de leer zijn gegaan bij al die wetenschappers. Of is het andersom? Wanneer activisten vanuit hun dagelijkse praktijk tot dezelfde inzichten komen als academici dan zal er wel iets van aan zijn zeker?

Mensen maken de stad, bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst
Dirk Holemans, (red.)
EPO
2012
367
9789491297281

Zie ook

Vrijheid en zekerheid: of waarom ‘genoeg’ niet gen... Dirk Holemans heeft een prachtig boek geschreven. Het is optimistisch, inspirerend, mobiliserend en ambitieus. Het doel is niets minder dan werken aan een nieuw groot verhaal dat een betere wereld moet mogelijk maken. Hij is daar aardig in geslaa...
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.