Premier Erdogan wint eerste juridische slag tegen Turks leger

erdogan
Facebooktwittergoogle_plusmail

Maar verliest op alle andere vlakken

Premier Recep Tayyip Erdogan van Turkije zal opgelucht adem hebben gehaald toen op de dag dat de herfst begon een rechtbank ruim 300 legerofficieren veroordeelde wegens het beramen van een staatsgreep tegen zijn regering. Het blijft echter herfst, een ruwe zelfs, voor Erdogan omdat hij op alle andere fronten in de problemen zit.

 

De oorlog met de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) woedt in alle hevigheid. Bijna niemand in Turkije steunt nog zijn agressieve politiek tegen het Syrische regime. En de politiek van “no conflict” met de buren heeft, ten gevolge van de Syrische kwestie, een dieptepunt bereikt. De neo-ottomaanse droom dé regionale mogendheid te worden is verzwonden. Met als gevolg dat de handelsrelaties, evenals de economie in het algemeen, bergaf beginnen te gaan.

Verwacht wordt dan ook dat Erdogan gedwongen zal zijn tot een koerswijziging inzake Syrië. De leiders van het Vrije Syrische Leger zeggen dat ze hun basis in de Turkse provincie Hatay, waar ze alles behalve welkom waren bij de lokale alawitische bevolking, hebben verlaten om zich in de “bevrijde gebieden” in Syrië te vestigen. Wellicht hadden ze een wenk in die zin gekregen van de Turkse regering.

OPERATIE MOKER

De legerofficieren werden veroordeeld voor een samenzwering tot staatsgreep om de regerende islamistische Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) van premier Erdogan en president Abdullah Gül van de macht te verdrijven. De plannen, die de naam “Operatie Moker” droegen, zouden al dateren van 2003 van kort nadat de AKP aan het bewind kwam. Maar de eerste arrestaties hadden pas in februari 2010 plaats. In december van dat jaar begon het proces.

Drie van de verdachten zijn niet van de minsten. Het ging om de voormalige commandant van het Eerste Leger, Cetin Dogan, en de voormalige chefs van de luchtmacht en van de zeemacht, Ibrahim Firtina en Özdan Örnek. Ze kregen alledrie een zware straf: levenslang, maar de straf werd verminderd tot 20 jaar omdat de coup niet werd uitgevoerd. De militairen hielden tijdens het proces bij hoog en laag vol dat er geen sprake was van een samenzwering, maar dat de plannen, die bij huiszoekingen werden in beslag genomen werden, eigenlijk maar een theoretisch scenario voor een militair seminarie waren.

Als dat zo was, dan waren ze wel bijzonder onvoorzichtig een staatsgreep als oefening te nemen. Het leger heeft immers al drie keer de macht gegrepen (in 1960, 1971 en 1980) en in 1997 dwong het de islamistische premier Necmattin Erbakan tot aftreden. Het is immers geweten dat de militairen zichzelf tot de beschermers van de erfenis van de stichter van het moderne Turkije, Mustafa Kemal, bijgenaamd Atatürk of “vader van de Turken” hebben uitgeroepen. Een belangrijk onderdeel daarvan is de seculiere staat – alhoewel de soennitische islam de staatsgodsdienst is – die door de islamisten wordt afgewezen.

Er zijn echter ook sterke aanwijzingen dat premier Erdogan met processen vooral de oppositie tegen zijn bewind wil uitschakelen. De sterke positie van de militairen in de Turkse politiek was hij al jaren lang geleidelijk aan het uithollen. Onder andere door hen de macht in de Nationale Veiligheidsraad te ontnemen, door de bevoegdheden van de militaire rechtbanken fors in te krimpen en door te beslissen dat militairen ook voor burgerlijke rechtbanken kunnen verschijnen. Toen de militaire top, uit protest tegen de arrestatie van vele voormalige topmilitairen, vorig jaar ontslag nam, maakte die top de weg vrij naar de benoeming van aan Erdogan loyale officieren.

Hoe het ook zij, de veroordeling van meer dan 300 officieren heeft het leger een nieuwe slag toegebracht. Erdogan kan opgelucht ademen dat de rechtbank hem gevolgd is. Zo verrassend is dat nu ook weer niet: de voorbije jaren heeft de regering haar greep op justitie, tot voor kort een bolwerk van harde kemalisten, weten te versterken door zich een grotere inspraak in de benoeming van rechters toe te kennen.

ERGENEKON

De premier kan nu met gerust gemoed de volgende processen afwachten. Het voornaamste is het zgn. Ergenekon-proces. (Ergenekon is de naam van de mythische plaats in Centraal-Azië, waar de Turken afkomstig van zouden zijn). Het proces is ook belangrijker omdat in de Ergenekon-zaak niet alleen militairen, maar ook het hele kemalistische establishment (rechters, advocaten, universiteitsprofessoren, journalisten…), ook de “diepe staat” genoemd, terecht staat. Het doel van de samenzwering was dezelfde als die van “Operatie Moker”: de omverwerping van de islamistische regering. Ook hier is het de vraag of er echt een grootscheeps complot bestond of de regering naast de militairen ook de seculiere oppositie hard wil treffen. Het is de vraag of de rechtbank ook hier de openbare aanklager zal volgen. Dat valt nog af te wachten want de debatten voor de rechtbank gaan nog altijd door.

OORLOG MET DE KOERDEN

Het leger en het kemalistische establishment is niet het enige binnenlandse probleem voor Erdogan. Er is het Koerdische probleem dat al begon onmiddellijk na de stichting van de Turkse staat in 1923. Atatürk, die tijdens de oorlog met Griekenland in het Westen van het land, sprak van een gezamenlijke strijd van Turken en Koerden, wilde toen niets meer horen van Koerden. Voor hem werden het Berg-Turken en hun taal, alhoewel van heel andere origine is dan het Turks, werd tot een Turks dialect gedegradeerd. De laatste oorlog tussen het Turkse leger en de Koerden (20 tot 30 % van de bevolking) begon in 1984 en duurt nog altijd voort, in een hevigheid die deze van de jaren 1990 benadert.

Nochtans had Erdogan in 2005 een “Democratische opening”, met een oplossing van de Koerdische kwestie, in het vooruitzicht gesteld. Een oplossing die hij meende te bereiken door de lokale verkiezingen in Koerdistan te winnen. Dat mislukte echter. Plots begon de repressie opnieuw in alle hevigheid. Op grond van het principe dat iemand die doelstellingen verdedigt die ook door “terroristen” worden gepropageerd, ook een terrorist is, werden de voorbije paar jaar al duizenden Koerden uit alle geledingen van de maatschappij opgepakt. Met name leden van de KCK, de Unie van Koerdische Gemeenschappen, een koepelorganisatie die opkomt voor de rechten van de Koerden, werden geviseerd. Tegen hen is eveneens een monsterproces bezig.

Niettemin werd er in het geheim nog onderhandeld, maar een laatste poging, waarbij Erdogan, de geheime dienst liet praten met Abdullah Öcalan, de gevangen leider van de PKK, liep vorig jaar spaak. Inmiddels stevende men vanaf 2009 opnieuw op een grote militaire confrontatie af, die inmiddels volop woedt. In plaats van gewoonweg hit-and-run-aanvallen uit te voeren is de PKK dit jaar van tactiek veranderd. Ze probeert nu te blijven in gebieden, vooral in de provincie Hakkari, waaruit leger en politie afwezig of verdreven zijn.

DE SYRISCHE KWESTIE

De opflakkering van het geweld heeft ook te maken met het probleem Syrië. Dat Syrië steunde jarenlang de PKK uit onvrede o.a. over de bouw van een reeks dammen op de Tigris en de Eufraat in Turkije, waardoor de watervoorziening van Syrië (en ook Irak) in het gedrang kwam. Turkije speelde het hard. Het dreigde met oorlog als Damascus die steun niet stopzette en Abdullah Öcalan het land uitzette. Dat laatste gebeurde in 1998 en in februari 1999 werd hij door Kenia uitgeleverd aan Turkije. Daarna trad er een grote dooi in de Syrisch-Turkse relaties. Erdogan en de Syrische president Bashar al-Assad gingen geregeld op bezoek bij elkaar en werden bondgenoten. Het was een hoeksteen in het streven van de politiek van “no conflict” met de buren, waarvan professor Ahmet Davutoglu, die in 2009 minister van Buitenlandse Zaken werd, de architect werd.

Daar de toetredingsonderhandelingen met de Europese Unie sedert 2005 in het slop geraakten, werd aan een regionaal alternatief gedacht. Er wordt ook gesproken van neo-Ottomaanse politiek, zeker in relatie tot de Arabische landen die tot het Ottomaanse Rijk hadden behoord zoals Syrië, Libanon, Irak, Jordanië, Libië, Egypte en de oliestaten op het Arabische schiereiland.

Aan de idylle met Syrië kwam een einde toen vorig jaar wat men de “Arabische lente” noemt ook in Syrië toesloeg. In Libië had Turkije lang geaarzeld de kant van het anti-Kadhafi-kamp te kiezen. In Syrië ging het snel volop het Syrische verzet steunen. Waarbij het religieuze ook een rol speelt. Turkije propageert de soennitische islam en zit op één lijn met landen als Jordanië, Saoedi-Arabië en Qatar. Het koos voor de soennitische as tegen de sjiitische as (Syrië, Irak, Iran, Zuid-Libanon).

Dat had als gevolg dat Syrië en Iran de PKK meer dan een handje zijn gaan toesteken. President Assad is zelfs zo ver gegaan de Koerden in zijn land feitelijke autonomie te geven in hun woongebied aan de grens met Turkije, iets wat Ankara niet graag ziet. Het heeft al problemen met het autonome Koerdistan in Noord-Irak, alhoewel het daar zeer goede en lucratieve relaties mee onderhoudt, omdat dit een slecht voorbeeld vormt voor de Turkse Koerden die ook autonomie willen. Een tweede Koerdische autonome zone kan de Turkse Koerden alleen meer sterken in hun streven. Bovendien is de grootste partij in Syrië, de Democratische Uniepartij (PYD) een bondgenoot van de PKK.

Dat alles dwingt Turkije weer meer miljarden lira in oorlog en oorlogstuig te steken, terwijl het ook honderden miljoenen moet spenderen aan de opvang van Syrische vluchtelingen in de provincie Hatay. Dat brengt de regering in Ankara ook op ramkoers met de alevieten/alawieten (aanhangers van een sjiitische sekte), die zeker 20% van de Turkse bevolking uitmaken, en sympathiseren met het alawitische regime van president Assad.

VREDESVERDRAG

Turkse plannen, die na de val van president Mubarak werden gesmeed, om een Turks-Egyptische as te vormen, die het Midden-Oosten zou domineren werden koel onthaald in Kairo. Egypte wil immers niet langer een vazalstaat van de Verenigde Staten zijn, zoals dat tijdens de 40 jaar bewind van de presidenten Anwar al-Sadat (1970-1981) en Hosni Mubarak (1981-2011) het geval was, en wil opnieuw zijn traditionele rol van dominant land in de regio opnemen. Geen plaats voor Turkse concurrentie dus.

Dé grote Amerikaanse realisatie was het vredesverdrag tussen Egypte en Israël van 1979, dat nooit door de grote meerderheid van de Egyptische bevolking werd aanvaard. De nieuwe Egyptische president Mohamed Morsi beloofde dat verdrag niet te schrappen, maar hij eist wel dat alle verbintenissen worden uitgevoerd, zowel door Israël en de VS.

Alles samen genomen zit Erdogan dus in de penarie. Hij zit tot over zijn oren in de problemen met zijn buren en met een groot deel van zijn eigen landgenoten (seculieren, kemalisten, Koerden, alevieten). Nog slechts 15% van de Turken zou zijn aanpak van de Syrische kwestie steunen. De regionale problemen kosten hem bovendien afzetmarkten waar hij de voorbije jaren op gefocust had. Een geluk voor Erdogan is dat de parlementsverkiezingen vorig jaar plaats hadden, zodat hij nog drie jaar tijd heeft om weer aan populariteit te winnen. Hij kan die echter helemaal verspelen als hij de huidige problemen niet kan oplossen en de economie daar een forse negatieve weerslag van zou ondervinden.

 

Historicus en actief gepensioneerd journalist. Werkte bijna 30 jaar in de dagbladpers. Schreef talloze krantenartikels en achtergrondbijdragen voor tijdschriften en verzamelwerken. Daarnaast ook een aantal boeken, zoals over de opkomst van het islamitisch fundamentalisme (1995) en de Koerdische kwestie. Werd medeoprichter van Uitpers uit onvrede met de berichtgeving in de mainstreampers, die zich meer laat meeslepen door desinformatie en propaganda.