De Europese Unie: een enigma?

european round table
Facebooktwittergoogle_plusmail

Dat de Europese Unie (EU) een machtsinstrument is ter behartiging van de burgerlijke belangen is de voorbije twee jaar duidelijker geworden dan ooit. De brutaal opgelegde soberheidspolitiek in het kader van het zogenoemd ‘Europees economisch bestuur’ en de afrekening met de ‘onverantwoorde’ Grieken, Spanjaarden of Portugezen laten er ook weinig twijfel over bestaan dat die burgerlijke belangen zich niet door overwegingen van democratische of humanitaire aard laten van de recht(s)e koers afleiden. Sinds het uitbreken van de eurocrisis is het à la guerre comme à la guerre! Men zou het bij die interpretatie kunnen houden: de businesswereld maakt van de nood een deugd en drukt in deze crisissituatie haar langgekoesterde wensen door.

Maar is het werkelijk zo simpel? Is het redelijk te onderstellen dat de kapitalistische klasse, op zijn minst in West-Europa, er een jarenlange recessie en de kans op een regelrecht monetair, financieel, bancair  en politiek debacle voor over heeft om de arbeidsmarkt te hervormen en de welvaartstaat naar het Stenen Tijdperk te catapulteren ? Is de horizon van het ondernemersgild niet de winst van morgen, eerder dan de arbeidsmarkt van overmorgen? Welke delen van de burgerij staan eigenlijk achter de ‘Bundesbankpolitiek’ van de Europese Centrale Bank (ECB) en het Duitse nein om daarvan af te wijken? Over dergelijke vragen willen we het in deze bijdrage hebben, zonder de pretentie daarover het definitief antwoord te kennen. Voor het concrete verloop van het Europees soberheidsoffensief en de desastreuze aanpak van de eurocrisis verwijzen we naar andere publicaties.(1)

Verbijstering

Er is geen gebrek aan reacties die twijfel, afwijzing of zelfs verbijstering uitdrukken over de huidige EU-koers en dit bij traditioneel pro-EU gezinde krachten (2). “Dit is mijn Europa niet meer!”, verzucht Wilfried Martens, voorzitter van de Europese Volkspartij (die ook Angela Merkels CDU onderdak biedt). Vooraanstaande klassieke economisten als Krugman, Stiglitz of De Grauwe wijzen het Europees beheer van de crisis volledig af, en ook het Internationaal Muntfonds (IMF) deed herhaalde oproepen om Brussel, Berlijn en Frankfurt (zetel van de ECB) tot meer pragmatisme aan te sporen. Het Grieks economisch blad Ependytis (3) vertolkte de consternatie van velen toen het zich er begin augustus over verbaasde dat de Europese leiders doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is, terwijl ze toch alles voor hun eurozone over hebben. Ironisch schamperde het blad: “Laten we Griekenland, Italië, Spanje en hun stijgende risicopremies toch rustig marineren, en het kleine Cyprus met zijn soberheidsprogramma! Goeie gewoontes als de zomervakantie van de elite moeten toch niet verstoord worden…”

Terwijl we de EU toch traditioneel beschouwen als een poging van het Europees kapitaal om zich een steviger positie te veroveren in de geglobaliseerde wereld, noteren we dat de Amerikaanse banken koopjes kunnen doen door de niet aflatende eurocrisis. De Europese banken zijn immers verplicht activa te verkopen om hun kapitaalspositie te versterken. En hoe ondersteunt de EU haar bedrijfswereld als ze haar eigen consumptie een slag toebrengt? Er wordt nu zelfs gevreesd voor een recessie van de Duitse economie…

Natuurlijk bevat het EU-crisisbeleid een aantal aspecten die hoog op het verlangenlijstje van de ondernemingen staan. Met het soberheidsbeleid wordt de Duitse Hartz-IV politiek (4) naar Europese schaal getild; alleen werkloosheidsvergoedingen die de werkloze activeren en tot ‘participatie aan de arbeidsmarkt’ stimuleren zijn nog te verantwoorden. En het draconisch begrotingsbeleid past volledig in de liberale kritiek op het ‘overheidsbeslag’. Een voor de hand liggende interpretatie van de ‘suicidale’ Europese crisispolitiek is bijgevolg dat de leidende kringen van het continent er een formidabele crisis voor over hebben om eindelijk van het naoorlogse sociaal pact en de welvaartstaat af te zijn. Tegen deze ‘simpele’ interpretatie pleiten wel een aantal belangrijke argumenten. Het vereist een grote mate van eensgezindheid onder de kapitaalbezitters, om met een paar magere jaren een vette toekomst voor te bereiden, terwijl langetermijnplanning normaal niet hun sterkste zijde is. De risico’s zijn ook bijzonder groot; het uiteenvallen van de eurozone zou waarschijnlijk een dodelijke slag toebrengen aan het Europees project, een project dat die kapitaalbezitters toch geen windeieren gelegd heeft! En aangezien de EU-politiek door politici wordt gevoerd, moet er wel een zeer nauwe band ondersteld worden tussen deze politici en de wereld van de business. Bedrijfslobbyen is één zaak, een politiek dicteren die de politici – toch nog altijd onderworpen aan een -jaarlijkse – taxering door de kiezer ook nog uitvoeren is een andere zaak!
Kortom, we willen het in de rest van dit artikel hebben over de vraag wie nu eigenlijk achter de Europese  soberheidpolitiek zit.

Europese Industriëlen rond de tafel

Geen enkele politiek zal alle fracties van de Europese burgerijen tevreden stellen; we mogen echter logischerwijze onderstellen dat de EU vooral de belangen van de grote Europese multinationals zal proberen te behartigen. Nu hebben die multinationals in de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT) een goed functionerende lobby, die sinds het begin van de jaren tachtig systematisch haar advies uitbrengt bij de grote beleidskeuzes in Europa, en daarbij ook vaak gehoord wordt. Jacques Delors heeft hen daarvoor indertijd nog expliciet zijn erkentelijkheid betuigd. En wat stelt de ERT voor aan de Europese leiders? Dat ze moeten luisteren naar een liberaal economist als Paul de Grauwe en de Europese Centrale Bank moeten laten tussenkomen om de staatsschulden van Griekenland, Spanje etc. te hulp te komen? Dat de business lijdt onder het Duits monetarisme? Helemaal niet! Wat de monetaire politiek betreft zijn ECB en ERT twee handen op één buik: “Monetary policy should continue to be managed independently by the European Central Bank, pursuing the objective of price stability”, klinkt het vanuit de Ronde Tafel (5). Wil de ERT dan misschien een kentering in het soberheidsbeleid, zodat de Europese werknemer over meer koopkracht beschikt en méér waren van onze Europese industriëlen kan aankopen? Nee hoor, de ERT heeft het voluit over growth, maar die zal het gevolg zijn van competitiveness, competitiveness en nog eens competitiveness, die op haar beurt bewerkstelligd wordt door “internal and external workforce flexibility for companies, modernisation of employment protection legislation in Member States en (!) an immediate moratorium on all business-related regulation, including the implementation of existing regulations at the EU and national levels, which has no proven immediate positive effect on economic growth (6).

De grote industriële groepen kreunen dus veel minder dan je zou verwachten onder de depressieve economische ambiance in Europa. Ze hebben daar ook enige redenen voor. De nettowinst van Volkswagen sprong in de eerste helft van 2012 met 36 procent omhoog tot 8,8 miljard euro, niettegenstaande de dalende verkoop in West-Europa. Volvo verkoopt weliswaar minder vrachtwagens in Europa, maar maakt dat meer dan goed buiten Europa. ThyssenKrupp zet zijn staal voor 40% af buiten het Oude Continent. Zelfde verhaal voor Philips: de omzet steeg met 5 procent in het tweede kwartaal van 2012; het concern is dan ook maar voor een kwart van zijn omzet afhankelijk van Europa. De verzwakte euro bevordert bovendien de export. Daarmee is niet gezegd dat er geen vuiltje aan de businesslucht is; naast de tanende Europese consumptie begint ook de Chinese groeimotor te sputteren, en de Amerikaanse vooruitzichten zijn evenmin zeer rooskleurig. Maar dat zijn evoluties die niet onmiddellijk te maken hebben met de eurocrisis (7). De relatieve ‘gemoedsrust’ van de grote Europese bedrijven bij die crisis en hun steun aan de ‘absurde’ soberheidspolitiek van de EU moeten er ons aan herinneren dat de economie in sterke mate geglobaliseerd is, en dat ook de Europese kapitalisten global players zijn geworden. De Europese crisis stond dan wel niet op hun verlangenlijstje, maar nu die er is kan men er maar het beste van maken: never waste a good crisis, het is dé kans om komaf te maken met Europese anachronismen als collectieve arbeidsovereenkomsten, ‘royale’ werkloosheidsvergoedingen, enz.

Dit voor wat betreft de industriële sector. En de banken, de financiële sector? Hier kunnen we kort zijn. De anomalie in het Europees monetair bouwsel is een godsgeschenk voor de bankiers. Ontlenen bij de ECB aan één procent, en uitlenen aan de lidstaten tegen drie, vier, zes of meer procent: nooit eerder is Ezeltje Schijtgeld méér tot vlees en bloed geworden dan in de Europese Muntunie! En als de ERT vraagt om een moratorium op de regulatie van de ondernemingen, lijkt dat moratorium voor de regulatie van de financiële sector reeds een verworvenheid. Op 19 maart 2012, bijna 5 jaar na het failliet van Lehman Brothers, verklaarde eurocommissaris Barnier in verband met het parallele geldcircuit (shadow banking): “We have to define the term firstly. We want to act, but first we need to understand it and to see if our list is complete”(8).

Hoe verknocht zijn de Europese kapitalisten aan hun Europese Unie?

De EU-politiek is niet zonder risico’s voor de Europese elites zelf. Niemand kan bij benadering inschatten wat de financiële en economische gevolgen zouden zijn van een ineenstorting van de eurozone, in Griekenland en Spanje is het tot zware sociale uitbarstingen gekomen, en de kans is klein dat die elites nog ooit hun Europese hoera-ideologie aan de bevolkingen zullen verkocht krijgen. Heeft die Europese burgerij dan zo ’n onderontwikkeld zelfbehoudinstinct?

Het begrip ‘Europese burgerij’ is meer fictie dan realiteit. Men kan spreken van de Amerikaanse burgerij, die haar lot verbonden ziet met de Amerikaanse staat, die via het Witte Huis en het Pentagon weegt op het wereldgebeuren. Maar waar is die Europese staat? Eentje met een begroting van hooguit één procent van het BBP? Eentje dat grootsprakerig een ‘grondwet’ ontwierp die noodgedwongen moest ingetrokken worden en achter de rug van de burgers vervangen door een verdrag? Dat er een Europese munt bestaat (toch voor 17/27 van de lidstaten) geeft aan de EU staatsallures, maar zoals iedereen kan vaststellen is die Europese muntunie een onhoudbare constructie gebleken. Ongetwijfeld koesterden heel wat Europese politieke leiders de hoop dat een Europa dat ‘met één stem spreekt’ zich zou kunnen opwerpen tot een concurrent van de USA; de groteske doelstelling van de in 2000 gelanceerde Lissabonstrategie (tegen 2010 de meest concurrentiële kennis-economie ter wereld worden) was daar een uiting van. Maar hoeveel kapitaalbezitters in Europa zaten daar op te wachten? Niet dat een centralisatie van de marktregulering in Brussel hun niet veel handiger uitkomt dan 27 administraties verspreid over het continent. En als 27 regeringen hun neoliberaal credo gezamenlijk belijden via één Commissie en één Raad (en als het hun goed uitkomt, één Parlement), dan kan dat alleen maar ondersteund worden. Maar zoals het in het business-jargon geformuleerd wordt: de EU is nice to have, maar is geen must have. De hybride Europese constructie biedt zelfs een aantal interessante voordelen, zoals de fiscale concurrentie tussen de lidstaten die de vennootschapsbelasting steeds verder naar beneden drukt. En nu blijkt dat een muntunie tussen zeer disparate economieën niet houdbaar is zonder transfers van rijk naar arm, is het zeer de vraag waar de Europese ondernemers het meest om geven: een stabiele muntunie waar de asymmetrie zoveel mogelijk uit weggewerkt wordt, of net een permanente periferie van lageloonlanden die ook een domper zet op de loonaanspraken van de werknemers in kern-Europa?

Al bij al is de verknochtheid van de Europese kapitalisten aan hun Unie waarschijnlijk een stuk geringer dan de Europese politieke leiders zich voorstellen. Deze laatsten hebben er alles aan gedaan om het de eersten naar de zin te maken, en zijn daar in tal van opzichten goed in geslaagd. Maar de Europese economische elites hebben geen bloedeed van trouw gezworen aan de politieke elites; de globale entrepreneur is een pragmaticus en meert zijn schuit aan waar het hem het best lijkt. Het liefst vaart hij onder Panamese vlag, zoekt fiscale beschutting in Nederland, Luxemburg of de Caymaneilanden, laat zijn research uitvoeren in Shanghai, probeert van de Europese Commissie enkele miljarden te ontfutselen voor de uitbouw van digitale infrastructuur en lobbyt in het Rusland van Poetin voor een mooi contract. Verknocht aan de EU? Ja, zolang het saldo batig is…

Duitsland, de regionale supermacht

Vanuit het standpunt van de werkersbelangen komt de EU over als een grote pletwals die het gemunt heeft op alle sociale verworvenheden. Dat leidt dan ook vlug tot de indruk dat er grote eensgezindheid bestaat onder de politieke elites over de wijze van besturen van de EU en de aanpak van de crisis. Blijft dan de vraag waarom deze Europese elites zo een uitzonderingspositie bekleden op wereldvlak. Op het elitekransje bij uitstek in Davos werden Europese leiders gevraagd hun koers te herzien; het IMF dringt er bij Europa op aan een pragmatischer houding tegenover Griekenland aan te nemen; herhaald stuurde een bezorgde Obama hoge gezanten naar Europa voor overleg over de aanpak van de crisis. Het Europees neoliberalisme heeft het ongetwijfeld niet slechter voor met de kapitalistische economie dan het Angelsaksisch neoliberalisme, maar vanwaar dan dat grote verschil in aanpak?

Dit heeft waarschijnlijk veel meer te maken met historische contingentie dan met fundamentele meningsverschillen tussen burgerijen. Dat de muntunie er kwam stond niet in de sterren geschreven. Er was enerzijds een grote portie politieke ambitie voor nodig, het hervonden Europees elan van het midden van de jaren ’80 (commissie Delors), anderzijds zou het zonder Duitse hereniging waarschijnlijk nooit zo ver gekomen zijn. Komt daarbij dat in leidende Duitse kringen sinds meer dan een halve eeuw welbepaalde opvattingen bestaan over het reguleren van de markt en het disciplineren van de politiek door de markt (het zogenoemde ordoliberalisme). Als sterkste Europese economie speelt Duitsland in Europa de rol die Amerika in de wereld speelt: het is de supermacht die de toon aangeeft, knopen doorhakt en de wet dicteert. Wie opwerpt dat de EU toch een democratische instelling is, heeft blijkbaar nog niet van trojka’s, gouden regels en pacten allerhand gehoord…

TINA?

Dit klinkt misschien nogal fatalistisch. Een politieke wissel in Berlijn zou immers weinig uitmaken, de SPD is even ‘fundamentalistisch’ als Merkels CDU, en dat een politieke wissel in Parijs ook niets uithaalt kunnen we vandaag proefondervindelijk vaststellen. De hele Europese partijpolitieke menagerie heeft haar horizon tot het Europa van de markt beperkt, en het is nutteloos om van die kant de aanzet tot verandering te verwachten.

Vanwaar dan wel? Het antwoord ligt eigenlijk voor de hand. Het is zonneklaar dat alleen de georganiseerde arbeidersbeweging als potentiële tegenkracht in aanmerking komt. Dit is een sociologisch inzicht, geen empirische vaststelling. Empirisch bieden de vakbonden in Europa het beeld van gebureaucratiseerde nationale instellingen, die in het beste geval de spreekbuis zijn van de werknemers tegenover het nationaal patronaat. Dat er een Europees Vakverbond is met op papier 60 miljoen aangesloten leden verandert daar weinig aan. Sociologisch echter vertegenwoordigt de vakbeweging de primaire belangen van het gros van de samenleving in haar tegenstelling tot de kapitaalbezitters. Als apparaat worden de vakbonden in hun core business aangevallen door het Europees soberheidsoffensief; als ze zich hiertegen niet met succes verzetten is hun rol uitgespeeld. Zelfs de syndicale bureaucratie zal dit onder druk van de feiten moeten inzien. Hoe die europeanisering van de vakbeweging kan/moet verlopen is vandaag de cruciale vraag; slagen we daar niet in, dan dreigt de klok in Europa een eeuw of meer teruggedraaid te worden.

Er staat dus veel op het spel. Maar er is ook een bonus. Het Europa-wijd offensief van het kapitaal kan immers een Europa-wijd tegenoffensief van de arbeid op gang brengen. Is dat geen begeesterend perspectief dat de sociale bewegingen nieuw leven kan inblazen?

 

De auteur is lid van het comité Ander Europa, een samenwerking van Nederlandse en Vlaamse linkse activisten.


Noten

(1) Een gedetailleerd overzicht van de lange reeks initiatieven in het kader van de economic governance vindt men in de brochure ‘Het Europees economisch bestuur: de Europese Unie tegen de werkende klasse’ (maart 2012), een uitgave van Actiecomités Europa/Comités Action Europe i.s.m. Ander Europa. Commentaar bij de aanwending van de Europese ‘hulpfondsen’ vindt men onder andere in diverse artikels onder het thema ‘De EU en de financiële crisis’ op de website van Ander Europa.

(2) Om misverstanden te vermijden verduidelijken we de betekenis die we aan de term ‘pro-EU’ en zijn tegenhanger ‘anti-EU’ geven. In de media gebruikt men uitdrukkingen als ‘pro-Europees’, pro-EU’, ‘voor de Europese integratie’ meestal als synoniemen. Wie dan tegen de EU is, is tegen Europese samenwerking. Voor ons is de Europese Unie een welbepaalde politieke instelling, slechts één van de mogelijke (en mogelijks een van de slechtste) invullingen van het begrip Europese samenwerking.

(3) Er bestaan enkele websites die artikels uit de Europese pers toegankelijk maken via vertalingen. Zo is er www.eurotopics.net, www.presseurop.eu en www.eurozine.com.

(4) De Duitse Hartz-hervormingen (I, II, …) van de arbeidsmarkt begonnen in 2002, onder de sociaal-democratische (SPD) kanselier Gerhard Schröder (ook bekend als der Genosse der Bosse, de kameraad van het patronaat) die zijn vriend Peter Hartz, toen personeelsdirecteur bij Volkswagen, ter hulp vroeg. Hartz IV heeft betrekking op de drastische verlaging van de werklozenuitkering (na een jaar werkloosheid nog ongeveer 365 euro per maand …) en de verplichting om een willekeurige job te aanvaarden op straffe van verlies van zijn “rechten”.

(5) Perscommuniqué ERT, 12 oktober 2011.

(6) Zie de ERT-verklaringen  “Backbone of Growth” van mei 2012 en “Creating growth in Europe” van januari 2012. Daarnaast is de ERT ook vragende partij voor infrastructurele garanties op het gebied van energievoorziening, transport, communicatie, en voor een verderzetting van de internationale handelspolitiek.

(7) Europa is echter wel de zwakke schakel in het kapitalistisch wereldsysteem geworden, en baart de Amerikaanse en zelfs de Chinese leiders steeds meer zorgen.

(8) Zie http://euobserver.com/19/115633