Het spook van Tahrir

tahrir
Facebooktwittergoogle_plusmail

Het spook van Tahrir waart door Afrika’, stelde de Oegandees-Indische professor Mahmood Mamdani in een keynote op 5 mei 2011 aan de Amerikaanse Universiteit van Cairo, hierbij refererend aan beroemde 19de eeuwse radicale filosoof.i Op dat moment waren zowat alle Noord-Afrikaanse landen verwikkeld in hun eigen lokale versie van de Arabische lente en sloeg het sociaal protest hier en daar al over naar de rest van het Afrikaanse continent, onder andere in Oeganda waar Mamdani woont. Toen kon hij echter nog niet weten dat datzelfde spook vandaag in alle continenten van de wereld is neergestreken. Op 15 mei bereikte het Spanje, waar de zogenaamde indignados de pleinen van Madrid, Barcelona en andere Spaanse steden bezetten. In hun kielzog trokken duizenden demonstranten over de straten van de andere Europese steden. In de Verenigde Staten, sloegen activisten van Occupy Wallstreet op 17 september hun tenten op in het hart van het financiële centrum van New York en doopten ze het kleine Zucotti Park tussen de wolkenkrabbers om tot ‘Liberty Square’. In een paar weken tijd doken er occupiers op in honderden steden verspreid over heel Amerika en ruim tachtig andere landen. De wereldwijde betoging op 15 oktober 2011 lokte duizenden demonstranten op straat in meer dan 900 steden verspreid over de hele wereld. Verschillende studentenprotesten in landen als Chile, Groot-Brittannië, Mexico en Canada verwezen ook elk naar hun eigen lente of gebruikte de bezetting als de uitverkoren tactiek om hun eisen kracht bij te zetten.

Maar hoe verklaar je dit inspirerende effect van wat we nu de Arabische lente noemen? Hoe verklaar je dat over de hele wereld mensen vanuit zeer verschillende lokale contexten zich optrekken aan het model van Tahrir? Het bezetten van pleinen, massa-mobilisaties, nieuwe vormen van organisatie en communicatie, enz. … het lijkt wel of de duizenden mensen in de Arabische straten niet alleen de binnenlandse politiek op zijn kop zetten, maar de hele wereld wakker schudden? In dit artikel wil ik eerst en vooral dieper ingaan op de meer structurele oorzaken van de Arabische lente. Dit biedt ons de kans om een ander licht te werpen op de recente massale mobilisaties en opstanden in de regio en om een aantal parallellen te trekken met de golf van opstanden en sociaal protest in andere delen van de wereld. De Arabische lente was niet alleen een roep om meer democratie. Integendeel, als men de recente geschiedenis bekijkt dan merken we dat er ook andere bezorgdheden en eisen aan de basis liggen van het protest. Zoals blijkt uit de spandoeken en slogans in de straten van Caïro, Tunis en de vele andere kleine en grote steden in de regio, eisten de vele duizenden demonstranten niet alleen meer politieke rechten en vrijheid, maar ook vooral een rechtvaardiger en socialer economisch beleid. Vervolgens impliceert de sociale strijd van de Arabische volkeren een veel bredere politieke dimensie. Dit werd al heel snel duidelijk in de manier waarop de verschillende opstanden, en dan vooral die op het Tahrir-plein, hun nationale karakter zeer vlug hebben overstegen. Het Tahrir-plein werd al vlug een wereldwijd politiek symbool. En dit effect heeft een belangrijke ruimte gecreëerd voor nieuwe politieke vormen van organisatie en voor nieuwe politieke ideeën wereldwijd.

De Arabische lente als een event?

De Arabische lente kwam voor vele observatoren als een totale verrassing. Hoewel het precieze moment van zulke drastische gebeurtenissen nooit kan worden voorspeld, is het toch verrassend dat de Arabische revoluties meestal worden omschreven als, en zelfs gereduceerd tot, een plotse uitbarsting van volkswoede en massaal protest. Wat dan zogezegd startte op 17 december 2010, met de zelfverbranding van Mohamed Bouazizi, wordt gezien als een ‘event’, als een plotse hevige verstoring op de lineaire tijdslijn van de geschiedenis. De Arabische volkeren die jarenlang beschouwd werden als passieve subjecten die hopeloos de uitbuiting en vernederingen ondergingen van hun autoritaire leiders, waren plots als bij wonder opgestaan. Op het einde van 2008 schreef de Fransman Dominique Moïsi, hoogleraar aan Harvard University, nog dat ‘de Arabische wereld verstrikt [bleef] in tragedie en in de negatieve emotie van ressentiment’. Volgens hem wezen ‘veel Arabische gematigden (…) de idee van vreedzame verandering en actief burgerschap af, uitgaand van de veronderstelling dat alle politieke leiders leugenachtig en corrupt zijn’.ii Moïsi was niet de enige die hiervan uitging. Deze visie is niet alleen het gevolg van een gebrekkige kennis over wat er al jarenlang broeide in de Arabische regio, maar duidde ook op een fundamenteel onbegrip van de politieke reikwijdte en betekenis van de Arabische lente. Eerst en vooral moeten we de spectaculaire gebeurtenissen in het begin van 2011 in Egypte, Tunesië en andere landen zoals Libië, Syrië, Bahrein, Jemen, Marokko en Jordanië zien als (voorlopige?) hoogtepunten in een proces dat al jarenlang aan de gang was. Al sinds een tiental jaar nam het sociaal protest in vele landen in de regio exponentieel toe. Zo werd de basis gelegd voor de huidige golf van opstanden. Daarnaast maakte die huidige golf van protesten juist duidelijk dat de drang naar verandering door actief burgerschap niet noodzakelijkerwijs via politieke leiders moet passeren. Het waren immers spontane revoluties. Spontaan slaat hier op het ontbreken van duidelijke leiders, op het ontbreken van een duidelijk eisenplatform en een vooraf opgebouwde organisatiestructuur.

Ook in de zogenaamd gevestigde liberale democratieën, zorgde het spook van Tahrir ervoor dat politiek terug spontaan een andere invulling kreeg. Een invulling die de democratie en ‘het politieke’ als het ware even bevrijdde van haar representatieve en parlementaire keurslijf. De radicaal democratische tactieken en methodes van de demonstranten op Tahrir, de indignados, de occupiers, de studenten, enz. brachten de politiek letterlijk terug in een andere ruimte: op straat, op het plein, in de publieke ruimte. Dit was geen evolutie die de democratische orde verstoorde, zoals sommige westerse conservatieve politici beweerden (en nog steeds beweren). De democratische praktijk werd net (tijdelijk?) terug naar ‘de straat’ gebracht, waar ze veel moeilijker in toom gehouden kon worden en waar de ruimte geboden werd om een nieuwe politiek uit te vinden. Sinds de Arabische lente werd politiek nu niet louter meer geconsumeerd (via de media, via verkiezingen of schijnverkiezingen in de Arabische regio, via internationale ‘aanbevelingen’, enz.) maar ook geproduceerd voor de ogen van alles en iedereen. In het kielzog van de enorme volkswoede en de vele protesten ontstonden (en ontstaan nog steeds) nieuwe vormen van organisatie en mobilisatie die ervoor zullen zorgen dat politiek, in de Arabische wereld alleszins, nooit meer hetzelfde zal zijn. En in die zin vormde het jaar 2011 wel degelijk een breukmoment met de voorgaande decennia. Een breukmoment met, wie weet, op termijn misschien wel mondiale consequenties

Even verrassend is het dan ook – en dit hangt onherroepelijk samen met de perceptie van de Arabische lente als een geïsoleerd ‘event’ – dat de hoop en illusie die werd gecreëerd bij veel waarnemers nu vaak plaats heeft gemaakt voor desillusie en scepticisme. Als het gaat over de Arabische lente dan hoort men vaak dat deze heeft gefaald als ‘progressieve revolutie’: er is het succes van allerlei contrarevolutionaire krachten enerzijds, en de verschillende verkiezingsoverwinningen van islamistische partijen zoals in Egypte, Tunesië en – in een verschillende context – Marokko anderzijds. Volgens hen begon de Arabische lente als het ware met de verdrijving van Ben Ali en Mubarak en eindigde het in het uitzichtloze bloedvergieten in Syrië, de militaire dominantie in Egypte en het groeiende succes van Salafistische en andere islamistische groeperingen in de regio. De revoluties, met andere woorden, zijn er niet in geslaagd het autoritarisme (met of zonder islamisten) en het religieuze conservatisme terug te dringen.

Als het gaat over het momentum dat werd gecreëerd door de indignados en de occupiers, dan moeten we vaststellen dat dit momentum in de mainstream media al weer gauw heeft plaatsgemaakt voor een overheersende focus op ‘de markten’, de euro-crisis en de daarbij horende fetisj van begrotingsdiscipline en besparingsmaatregelen. Er is blijkbaar nog altijd geen alternatief. Toch mogen we ons niet blindstaren op deze zogezegde terugval. Het sociale protest gaat nog onverminderd voort, zowel in de Arabische regio als in andere delen van de wereld. Denk maar bijvoorbeeld aan de voortdurende strijd in Syrië, de betogingen in Israël, de golf van massaal protest in Mexico voor de presidentsverkiezingen of de harde confrontaties tussen de Spaanse mijnwerkers en de oproerpolitie in het begin van de zomer van 2012. De ware impact van de Arabische lente kunnen we nog niet inschatten. Maar de kans is groot dat het sociaal protest nog zal toenemen en dat in de nabije toekomst de neoliberale hegemonie verder onder druk zal komen te staan. Wat begon als de Arabische lente is nog steeds een onvoltooid proces. Een open proces dat nog alle kanten uit kan. Om dit beter te begrijpen moeten we teruggaan in de tijd.