Libië: geweld, wapens, regionale instabiliteit en Africom hypothekeren toekomst

libische milities
Facebooktwittergoogle_plusmail

De oorlog in Libië ligt al bijna een jaar achter de rug. De ‘democratische’ verkiezingen van afgelopen zomer moeten een nieuw politiek tijdperk inluiden. Dat verloopt niet van een leien dakje. Het land is sterk verdeeld en etnische spanningen en aanhoudend geweld tussen lokale milities leggen een hypotheek op de toekomst van het land en zorgen voor regionale instabiliteit. Voormalige of vermeende aanhangers van het Khaddafi-regime staan bloot aan ernstige mensenrechtenschendingen. Inmiddels probeert het Westen politiek en geostrategisch munt te slaan uit het verdwijnen van de Libische dictator die ook een pan-Afrikaans leider was.

Begin juli trokken de Libiërs voor het eerst naar de stembus voor de verkiezing van een 200-koppig parlement. De stembusgang luidde het begin in van een nieuwe fase in de turbulente politieke gedaantewisseling die het land sinds de val van Khaddafi doormaakt. Inmiddels koos het nieuwe parlement Mohammed Yussef Magarief, afkomstig uit het oostelijke Benghazi en leider van een oude oppositiebeweging, als president. Begin september wordt ook een regering aangesteld en zal het parlement werk maken van een nieuwe grondwet, waarna opnieuw verkiezingen worden uitgeschreven.

Het lijkt wel of Libië op weg is naar een zekere stabiele toekomst. In werkelijkheid blijft het land kampen met de naweeën van een bloedige burgeroorlog en massale NAVO-bombardementen. Het verdwijnen van het centrale autoritaire gezag van Khaddafi heeft de deur geopend voor stammentwisten, racisme, gewapende milities, bomaanslagen, corruptie en regionale instabiliteit.

Verkiezingen

De verkiezingen zijn uitgelopen op een overwinning van het Verbond van Nationale Krachten, dat met 48,8 % van de stemmen 39 van de 80 zetels voor politieke partijen – naast 120 voor onafhankelijke verkozenen – in de wacht sleept. Het Verbond van Nationale Krachten wordt in de pers omschreven als ‘liberaal’ of ‘gematigd’, hoewel leider Mahmoud Jibril een oudgediende is van het Khaddafi-regime waarvoor hij in de laatste jaren een privatiserings- en liberaliseringsprogramma heeft geleid. Bij het uitbreken van de opstand koos Jibril voor de oppositie. Hij trad heel vlug toe tot de Nationale Overgangsraad (National Transition Council – NTC) en werd voorzitter van het Uitvoerend Comité (de ‘rebellenregering’) ervan. Grote onverwachte verliezers waren de Moslimbroeders (de Partij van Rechtvaardigheid en Opbouw) die slechts 17 zetels (21,3 %) in de wacht sleepten. Anders dan in Egypte haalde de Salafistische partij Al-Watan –  radicale islamisten – van de nochtans als invloedrijk beschouwde Ali al-Sallabi en de leider van de Militaire Raad van Tripoli, Abdelhakim Belhadj, zelfs geen enkele zetel. Het derde blok wordt gevormd door onafhankelijken.

Hoewel de verkiezingen met een opkomst van 60 procent als succesvol zijn omschreven verliepen ze niet vlekkeloos. In de oostelijke regio’s werden kiesbureaus aangevallen. Daar heerst grote onvrede over de zetelverdeling die gebaseerd is op de bevolkingsaantallen. Het olierijk oosten (Cyrenaica) moet het stellen met 60 zetels, terwijl het westelijk Tripolitana 102 zetels kreeg toegewezen. Dat zorgde voor heel wat ongenoegen in de oostelijke ‘hoofdstad’ Benghazi dat zich als de bakermat van de revolutie ziet. In Kufra in het zuiden van het land, verhinderden zware gevechten met tientallen doden en gewonden, dat mensen konden gaan stemmen.

Het democratisch gehalte van de verkiezingen werd ook aangetast door de wetgeving rond ‘integriteit en patriottisme’. Zo worden kandidaten van de electorale verrichtingen geweerd als die het khaddafi-regime ‘verheerlijken’, wat een vaag criterium is dat evident vatbaar is voor misbruiken. Op basis van dergelijke bepalingen haalde de electorale kiescommissie 150 kandidaten van de lijsten. Daarnaast is er de wet 37 over de ‘Criminalisering van de verheerlijking van de Tiran’ die bepaalt dat het verspreiden van propaganda die schade berokkent aan het land bestraft wordt met levenslange gevangenisstraf. Onder propaganda wordt verstaan: “het prijzen van Muammar Mohamed Abd al-Salam Abu Minyar al-Kadhafi, zijn systeem van bestuur, zijn ideeën, zijn zonen, en het in een positief licht plaatsen van hun standpunten, moed of trouw aan de staat, alsook het verdraaien van de waarheid , of het misleiden van mensen met betrekking tot het gedrag van het regime, en wat ze deden aan de eigendommen van het land en de mensen; en propaganda ter ondersteuning van het regime en zijn individuen in welke vorm dan ook”. De wet kwam in binnen- en buitenland onmiddellijk onder vuur te liggen omdat hij de vrije meningsuiting ernstig zou aantasten

Mensenrechten

De politieke omwenteling gaat gepaard met grove mensenrechtenschendingen. De milities die maar niet ontwapend geraken blijven recht en orde uitspreken en houden naar schatting nog altijd 5000 mensen vast zonder formele aanklacht of garantie op een eerlijke rechtsgang. Volgens de internationale mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch en Amnesty International ondergaan deze gevangenen folteringen en mishandelingen met soms de dood tot gevolg. Mensenrechtenschendingen worden ook wettelijk mogelijk gemaakt. Een Libische advocatenorganisatie veroordeelt de wetten 37 en 38 omdat ze een inbreuk vormen op de fundamentele mensenrechten en vrijheden. Wet 38 verleent amnestie voor elke handeling die noodzakelijk was om de revolutie van 17 februari succesvol te laten verlopen of te beschermen. De wet die begin mei werd ingevoerd door de NTC installeert volgens de advocatenorganisatie een “cultuur van straffeloosheid” voor mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden. Het Libische Hooggerechtshof oordeelde deze zomer dat Wet 37 in strijd is met de grondwettelijke verklaring van de NTC, maar in de praktijk verandert dat weinig. Het grote probleem is dat het centraal gezag niet in staat of onwillig is om de milities onder zijn controle te plaatsen waarbij ze nog altijd  genieten van de wettelijke immuniteit die Wet 38 verleent.

Etnische spanningen

In oktober 2011 kregen we triomfantelijke communiqués van de Franse president Sarkozy en de Britse premier Cameron over de NAVO-interventie tegen het regime van Khaddafi. NAVO-Secretaris-Generaal Rasmussen sprak van de “meest succesvolle missie in de geschiedenis van de NAVO”. Het doet erg veel denken aan de fameuze ‘mission accomplished-speech’ van president Bush op 1 mei 2003, waarna Irak in een lange bloedige spiraal van geweld terechtkwam. In Libië blijft het sectair geweld tussen milities, stammen en het aantal aanslagen zich opstapelen. In de rurale regio’s gaat het om soms oude rivaliteiten tussen stammen en regio’s. In plaatsen zoals Zintan, Al Kufra, Sabha en Bani Walid maakten de gevechten de afgelopen maanden honderden slachtoffers. Die hebben zich in de chaos van de burgeroorlog zwaar kunnen bewapenen.

Volgens een Brits rapport bevindt 85 procent van de wapens zich buiten de controle van het centrale gezag. Een ander rapport van de International Human Rights Clinic stelde vast dat de arsenalen van het oude regime nog steeds ten prooi vallen aan plunderingen. Volgens dat rapport toonde de zwakke overgangsregering zich onvermogend om het probleem aan te pakken en bestaat er geen duidelijke strategie. Ze verleende ook geen enkele steun aan de Verenigde Naties en NGO’s die het gros van het werk rond ontwapening voor hun rekening hebben genomen.

De ontbinding van de milities verloopt al even moeizaam of is onbestaande. In Misrata alleen zouden er nog 40.000 militiestrijders opereren. Omdat het centraal gezag zo zwak is, moet het beroep doen op gewapende milities die formeel geïntegreerd zijn in officiële veiligheidsstructuren, maar in werkelijkheid semi-autonoom opereren met een officieel petje op. Zo creëerde de overgangsregering twee veiligheidsorganisaties. De Hoge Veiligheidscomitées (Supreme Security Committees – SCC) die onder het ministerie van Binnenlandse Zaken vallen en de Libische Beschermingskrachten (Libyan Shield Forces) die onder het ministerie van Defensie vallen. Deze organen werden in het leven geroepen om de veiligheid in de overgangsperiode te waarborgen en gebruik te maken van de ervaringen van de milities die Khaddafi verdreven. Ze evolueerden echter gauw zelf tot een macht die de zwakke reguliere politie- en militaire troepen zou overschaduwen. Vooral de SCC lijken problematisch te zijn omdat de oude militietrouw primeert op de taken van een nationale veiligheidsorganisatie. In Derna, een stadje met een reputatie van Salafistisch militantisme in het oosten van het land, opereert de Abu Salim Martelaarsbrigade in naam van de SCC. Deze Salafistische brigade staat bekend voor haar wraakacties tegen veiligheidsmensen uit het Khaddafi-tijdperk en haar banden met radicale Salafisten zoals de Ansar al-Sharia. De meeste waarnemers zijn het er over eens dat in Libië alle ingrediënten aanwezig zijn om te verglijden naar ‘warlordism’. Bij de machtsoverdracht aan het net verkozen parlement moest Mustafa Abdul Jalil, het hoofd van de NTC toegeven dat de overgangsregering er niet in geslaagd was de veiligheid in het land te garanderen, maar hij verwees meteen naar de uitzonderlijk moeilijke situatie. 

Regionale instabiliteit

De Libische instabiliteit heeft ook regionale repercussies. In het voorjaar kwam de Toeareg-minderheid in Mali in opstand en riep in het noorden de onafhankelijke republiek Azawad uit. Khaddafi steunde de Toearegs in hun streven naar onafhankelijkheid en in Libië vonden ze hun weg als pro-regeringshuurlingen. Na Khaddafi’s val wreekten de overwinnende milities zich op de Toearegs, wat ontaarde in een racistische heksenjacht op al wie zwart is. De goed bewapende en getrainde Toearegs vluchtten naar het noorden van Mali waar ze de handen in elkaar sloegen met de bestaande secessionisten van het MNLA (Nationale Beweging voor de Bevrijding van Azawad) waar ze in het noorden de onafhankelijkheid zouden uitroepen. Later zouden radicale islamistische groepen zoals de Ansar Al-Din en AQIM (AL Qaida in de Islamitische Maghreb) het MNLA, hun vroegere bondgenoot, uit de steden verdrijven en een heel strikte Shariawetgeving opleggen. In het zuiden verweten de militairen de burgerregering haar gebrekkige daadkracht en pleegden ze een staatsgreep. Vijf maand later wordt er terug een burgerregering aangesteld, maar daarmee is er nog lang geen einde gekomen aan de chaos en het geweld en rukken de radicaal Islamistische rebellen op naar het zuiden. Inmiddels is noord-Mali een toevluchtsoord geworden van buitenlandse gewapende Jihadisten en dreigen de gebeurtenissen ook de andere buurlanden te destabiliseren. Mali kent al langer etnische spanningen en de Toearegrebellie kent ene lange voorgecshiedenis, maar de NAVO-interventie was wel de onrechtstreekse katalysator van de chaos die nu in Mali heerst.

Instabiliteit heerst er ook in de Libische grensregio’s waar geregeld gevechten plaatsvinden over de controle van smokkelroutes omdat er nauwelijks of geen staatsgezag is. Er bestaat een reëel risico dat er zich een maffieuze economie ontwikkelt die al wortel heeft geschoten tijdens de burgeroorlog. Via deze zwakke grenzen worden grote hoeveelheden wapens getransporteerd, richting Tsjaad, Mali, Soedan, Algerije en Somalië wat zorgt voor extra geweld of spanningen. Eind juni 2012 bombardeerde de Tunesische luchtmacht een vrachtwagenkonvooi met wapens vanuit Libië. Het gaat om een van de vele incidenten waarbij geregeld slachtoffers vallen. Ondertussen is duidelijk geworden dat er ook wapens uit Libië terecht komen bij de Syrische rebellen. Daarnaast zijn er honderden Libische veteranen van de burgeroorlog die in Syrië meevechten en de rebellen trainen en organiseren op vlak van communicatie, logistiek en het gebruik van zware wapens. Onder de Libische strijders bevinden zich heel wat islamisten zoals de voormalige leden van de Tripoli-brigade die zelf getraind werden door Qatarese Special Forces.

Africom

Het verdwijnen van Khaddafi opende tevens nieuwe perspectieven voor de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Afrika. Het afgelopen decennium legden landen als China, India en Brazilië hun diplomatieke en handelsfocus op Afrika, een continent dat rijk is aan fel begeerde mineralen en grondstoffen. De VS zagen zich verplicht om een inhaalbeweging te maken en gebruikten de ‘War on Terror’ als voorwendsel om hun militaire aanwezigheid op het continent uit te bouwen. Vooral de sterk groeiende Chinese invloed over de Afrikaanse olierijkdommen werden een doorn in het oog. De VS verwachten dat petroleum uit Afrika over een paar jaar 25 procent zal bedragen van de totale olie-import (tegenover 15 procent nu).

Onder president Bush werd in 2007 een nieuw militair commando voor Afrika in het leven geroepen, het US Africa Command (Africom). De Amerikaanse vice-admiraal Robert Moeller die betrokken was bij het oprichten van Africom zei op een conferentie dat dit nieuw continentaal Amerikaans commando “de vrije toevloed van olie en natuurlijke rijkdommen vanuit Afrika naar de wereldmarkt” moet garanderen.

De Libische leider was in dat opzicht een stoorzender. Hij was een voorvechter van de panafrikaanse gedachte en een van de geestelijke vaders van de Afrikaanse Unie waarvan hij ook de belangrijkste donor was. Hij oefende grote invloed uit op het continent. Libië had miljarden aan investeringen lopen in Afrika via Laaico (Libya Arab Africa Investment Co, een 5 miljard $ fonds). Khaddafi maakte met zijn oliedollars van Libya een van de belangrijkste aandeelhouders van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, met 4 procent stemrecht. Hij deed verwoede pogingen om Afrika financieel en economisch onafhankelijk te maken van het Westen en tegelijk de eigen invloed uit te breiden. In 2010 verklaarde de Libische dictator dat hij bereid was om 97 miljard $ te investeren in Afrika op voorwaarde dat de staten zich zouden bevrijden van corruptie en nepotisme.

Khaddafi stond dan ook behoorlijk in de weg van de Amerikaanse geopolitieke ambities. ‘Operatie Oddysey Dawn’ (19-31 maart 2011) gericht tegen het Khaddafi-regime was de eerste militaire actie van Africom vooraleer de NAVO de controle over de oorlog zou overnemen als ‘Operation Unified Protector’ die eind oktober 2011 zou eindigen. De VS voerden na het verdwijnen van Khaddafi  hun militaire activiteiten op het continent drastisch op. Amper een maand na de val van Khaddafi, kondigden de VS aan dat ze troepen zouden zenden naar de Centraal Afrikaanse Republiek, Zuid-Soedan en de Democratische Republiek Congo. Dat komt bovenop de reeds goed ontwikkelde militaire en diplomatieke relaties met onder meer Rwanda, Oeganda en Ethiopië, nota bene telkens landen met een autoritair regime. Vooralsnog ligt de enige officiële Amerikaanse basis in Djibouti in de Hoorn van Afrika. Het gaat om Camp Lemonnier waar 1.200 troepen zijn gelegerd. Het is de verwachting dat de VS hun aanwezigheid in 2013 zullen opschroeven, waarna rond de 3.000 Amerikaanse militairen in Afrika zouden gestationeerd zijn.

Midden juni 2012 verklaarde generaal Carter Ham, het hoofd van Africom, in het Amerikaanse parlement dat hij uit de oorlog tegen Libië belangrijke lessen heeft getrokken. Zo drukte hij zijn vrees uit voor de invloed van radicale islamisten in Tunesië en Libië, wat hij formuleerde als de “echte dreiging”. Vandaar dat het nodig is om nauw samen te werken met de troepen van Tunesië en Libië “om de hervestiging van deze netwerken en van gewelddadige extremistische organisaties” te vermijden. Hij kondigde meteen een nieuwe militaire samenwerking aan met Libië. Ook voor de rest van Afrika moet de focus liggen op de versterking van de defensiecapaciteiten van de Afrikaanse legers met wie dan beter kan worden samengewerkt. Op termijn moet dit alles geïntegreerd worden in Africom onder leiding van de VS. Als de vergroting van de Amerikaanse militaire invloed in Afrika al geen doel was van de oorlog tegen Libië, dan is het wel een belangrijk neveneffect.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. 'Als de NAVO de passie preekt' (EPO, 2009 - samen met Georges Spriet) en 'Oorlog zonder grenzen' (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers