De inheemse organisaties en de regering-Correa

Facebooktwittergoogle_plusmail

Toen Rafael Correa in 2006 aan de macht kwam, kon hij rekenen op de steun van de inheemse organisaties waarvan de Conaie de belangrijkste nationale confederatie is. De Conaie, opgericht in 1986, is trouwens één van de oudste inheemse organisaties van Latijns-Amerika. Vandaag liggen de kaarten helemaal anders. De belangrijkste inheemse organisatie voert nu een felle oppositie tegen de regering die ze mee aan de macht gebracht heeft. In februari 2013 zijn er nieuwe verkiezingen. Wat is er in die goede vijf jaar gebeurd? Hoe is de verhouding tussen de Conaie en de regering in die periode geëvolueerd?
Dat zijn de vragen waarop Luc Spanhove, coördinator van het Gentse Ecuadorcentrum in dit artikel uit Esmeraldas ingaat. Hij baseert zich voor deze analyse op Mario Ramos, directeur van CENAE (Centro Andino de Estudios Estratégicos).

 

De eerste zaterdag van juni ging ik naar de boekvoorstelling in Antwerpen van “Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales”, het nieuwste boek van Walter Lotens.  In het panel zat ook Francine Mestrum van Global Social Justice, die het voorwoord schreef. Iedereen die Esmeraldas leest zal wel weten dat het Bolivia van Evo Morales en het Ecuador van Rafael Correa veel gelijkenissen vertonen in hun beleid en dat ze samen in de ALBA-groep zitten of samen het zgn. “Socialisme van de 21ste eeuw” vorm geven.

Zowel Walter Lotens als Francine Mestrum onderlijnden dat beide landen de middelen uit de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen broodnodig hebben om de gigantische investeringen in de sociale sectoren (gezondheid, onderwijs) en in de infrastructuur (o.m. wegenaanleg) te bekostigen. En dat dit in beide landen tot wrijvingen leidt met inheemse organisaties.

Het was moedig van Lotens en van Mestrum er treffend op te wijzen dat ngo’s veelal automatisch de kant kiezen van de inheemse organisaties in hun strijd tegen de petroleumexploitatie of tegen de uitbating van gas, koper of andere mineralen. Ook in Vlaanderen zijn er ngo’s die met gebalde vuist zwaaien met ILO-conventie 169 maar eigenlijk de soevereiniteit van een natie ontkennen als daar op democratische wijze een grondwet werd goedgekeurd die er de voorkeur aan geeft dat de exploitatie van de eigen natuurlijke rijkdom in eigen handen blijft dan over te laten aan multinationals die met alle winsten gaan lopen.

De voorstelling van “Pijnen van een Pachakuti” was een aanleiding om eens grondiger uit te zoeken hoe diep de kloof is tussen de inheemse organisaties en de regering in Ecuador en om de contradicties  bloot te leggen langs de twee kanten. Want contradicties zijn er bij de vleet. Nooit was er een president die zoveel aandacht schonk aan etnische minderheden, ervoor zorgde dat hun rechten in een nieuwe grondwet versterkt werden, deze groepen gigantische middelen bezorgde voor een beter welzijn, en anderzijds werd een president nooit zo fel bekritiseerd door bepaalde inheemse organisaties. De jongste “Mars voor het leven” in maart jongstleden was daar het recentste bewijs van. Anderzijds is er een grote contradictie tussen het ecologisch discours van de regering Correa en de plannen voor grootschalige, open mijnbouwexploitatie.

 

De zondsondergang van de Conaie

Mario Ramos van het CENAE schreef in april jl. over dit onderwerp een uitgebreid artikel, “El ocaso de la Conaie” .Het woordenboek geeft voor de term “ocaso” als mogelijke vertalingen onder meer “verval” en “zonsondergang”. De eerst term lijkt me te negatief, hoewel het voor iedereen die de situatie volgt duidelijk is dat de Conaie niet meer dezelfde kracht, invloed of mobilisatiecapaciteit heeft als begin jaren ‘90, toen de grote “levantamiento indígena” het presidentieel paleis op zijn grondvesten deed daveren. Ik baseer me voor het grootste deel op de analyse van Ramos.

Mario Ramos begint zijn analyse door erop te wijzen dat de evaluaties over deze protestmars door “El tribunal de la santa inquisición del la ‘verdadera izquierda’ (het tribunaal van de heilige inquisitie van de ‘ware linkerzijde’) allemaal te ideologisch zijn, te retorisch of te triomfalistisch. Op zich is het al opmerkelijk dat een deel van de linkerzijde zich “het echte links” noemt en de regering van Correa “pseudo-links” noemt. Toch is dat niet merkwaardig, omdat links al altijd verschrikkelijk verdeeld was, zowel in Latijns-Amerika als in Europa. Ook in Europa gingen trotskisten soms op de vuist met maoïsten en waren er zoveel andere tinten van het  leninisme-marxisme. Onder de eerste Chileense vluchtelingen die na 11 september 1973 in België arriveerden, waren er van de Mapu en van de  Mapu-OC die elkaar in de haren vlogen, hoewel er nauwelijks ideologische verschillen waren.

Terug naar Ecuador, waar de linkse oppositie zich “la verdadera izquierda” (het echte links) noemt, met name die van Pachakutik, aangevuld door die van Montecristi Vive (Alberto Acosta), Participación (Gustavo Larrea), de MPD (Luis Villacís), eventueel nog die van RED en Ruptura.

De mars van de Conaie wou een krachtig machtssignaal ituzenden, en kon daarbij rekenen  op de steun van de traditionele pers die zichzelf als “onafhankelijk” definieerde.

Wat blijft er over van de levantamiento van 1990?

Het was tijdens de regering van Oswaldo Hurtado, toen het lichaam van de verongelukte (vermoorde) ex-president Jaime Roldós nog niet koud was, dat met kracht de ajustes, de neoliberale structurele aanpassingsmaatregelen, begonnen onder het mom de economie te moderniseren.

De staat werd omgevormd tot het exclusieve patrimonium van de grootste economisch-financiële groepen. Een realiteit die op het einde op gruwelijke manier verpersoonlijkt werd in de bekende “feriado bancario”, het “bankverlof” dat Jamil Mahuad tien jaar later uitriep, waarbij een overval door de staat werd gepleegd op het spaargeld van de Ecuadoranen. Het politieke systeem werd constant gedesintegreerd tot het een organische crisis veroorzaakte. Voortdurend werden de productieve structuren aanzienlijk verzwakt, het land verloor zijn onafhankelijkheid en politieke soevereiniteit, hetgeen duidelijk zichtbaar werd met de installatie de Amerikaanse militaire basis in Manta.

We beperken ons tot dit éne voorbeeld in deze extreem neoliberale periode, toen alles werd geprivatiseerd. Een cartoon uit die tijd met de tekst “Land te koop, met uitzicht op zee” sprak voor zichzelf: alles draaide om kapitaal. Dus staatssteun voor onderwijs of gezondheidszorg was uit den boze.

Het is in deze context dat zich de eerste Levantamiento indígena voordeed in 1990 en de volgende inheemse opstanden, die een mijlpaal waren in politiek-sociale protesten van enkele sociale bewegingen die hardnekkig en vrij succesvol weerstand boden tegen het neoliberalisme. Ik merk hier terloops op dat de inheemse beweging sociaal gezien het voortouw nam en de vroegere rol overnam van de syndicale beweging (die redelijk corporatistisch was geworden).

Het is belangrijk te onderstrepen dat de Conaie niet “DE” inheemse beweging is. Die is veel diverser en wordt ook samengesteld door andere inheemse organisaties, met een nationaal, regionaal of provinciaal karakter. Bovendien is de inheemse organisatie niet méér dan het zichtbare gelaat van een veel ruimere inheemse gemeenschap die zich niet noodzakelijk uitdrukt in haar georganiseerde deel. De volkse  en sociale organisatie drukt zich niet alleen etnisch uit, maar ook onder andere vormen, zoals culturele en urbane uitingen.

Een aspect dat de inheemse leiding niet in beeld brengt is de belangrijke sociale mobiliteit of verschuivingen die zich voordeden bij haar bevolking.  Er bestaat een inheemse bourgeoisie en een inheemse middenklasse, er zijn campesinos en een steeds groter wordende groep indígenas urbanos, er is een inheemse migratie, een inheemse bureaucratie… Dat laatste is een element waarin de Ecuadoraanse inheemse beweging verschilt van de andere in Latijns-Amerika. Er zijn betrekkelijk veel inheemse leiders die opgeklommen zijn naar machtige posities, zowel politieke, maatschappelijke als economische, en zich daarnaar gedragen. Deze inheemse elite die erin slaagde een portie macht te bekomen, beantwoordt niet altijd de belangen van de inheemse basis. Het tegendeel is soms waar.

Bovendien moet worden aangevuld dat de inheemse beweging, door haar heterogene aard, niet enkel en alleen vertegenwoordigd wordt door de politieke vleugel Pachakutik, maar ook door andere nationale vleugels zoals Amauta Yuyay, de politieke uitdrukking van de FEINE (evangelische inheemsen) en een variëteit van lokale actoren. Vandaar dat de Conaie en Pachakutik niet alle inheemse segmenten vertegenwoordigen. De beschuldiging die een welbepaalde inheemse leiding uitspreekt dat de regering hen verdeelt, heeft in realiteit niet voldoende grond. Als deze bepaalde inheemse organisaties legitimiteit hebben verloren, dan is dat grotendeels te wijten aan hun eigen gedrag. De processen van delegitimatie doen zich voor als er een aanhoudende leemte is in de bevrediging van de verwachtingen van de aanhangers van een proces of een organisatie.

Het is niet slecht eraan te herinneren dat het Rafael Correa was die als presidentskandidaat aan de Conaie voorstelde een kandidaat voor het vice-presidentschap voor te dragen voor de verkiezingen in 2006, als logische en ethische erkenning voor haar historische strijd. Het gezonde verstand zei dat het wenselijk was dat er op dit politiek belangrijke moment een eenheid binnen links zou zijn, maar die eenheid was zoek. Pachakutik-PK als politiek electorale vleugel van de Conaie en de Maoïstische MPD oordeelden dat het wenselijk was hun eigen weg te gaan, waarbij de kandidaat van de eerste, Luis Macas, nationaal 2,19% behaalde tijdens de eerste ronde en de kandidaat van de MPD, Luis Villacis 1,33%, tegenover 22,84% van de stemmen voor de alliantie MPAIS/PS-FA. Hierdoor kon de alliantie naar de tweede ronde.

Ongetwijfeld verblind door de kracht die de inheemse beweging verwierf in de jaren ‘90 dacht de inheemse leiding van dat moment dat ze op zich alleen een betere score voor de macht zou veroveren. Deze kracht werd niet alleen bekomen uit eigen inspanningen, maar dank zij een veel ruimere sociale en politieke beweging die eraan bijdroeg.(1)

Wat de verkiezingsuitslag van Pachakutik in 2006 betreft is het bovendien niet noodzakelijkerwijze zo dat de inheemsen voor de inheemse kandidaten stemmen. Als men de stemmen analyseert die PK in betere tijden behaalde, zal men merkwaardig genoeg constateren dat die hoofdzakelijk uit urbane zones kwam, ook van niet-inheemse linkse intellectuelen (die nu grotendeels zijn overgestapt naar AP). Ook veel inheemse personages die vandaag openbare functies bekleden, hebben dat te danken aan de overstap naar de Movimiento PAIS . En het is vrijwel zeker en voorspelbaar dat veel inheemse politici dezelfde berekening zullen maken bij de komende verkiezingen: als zij mogelijkheden willen krijgen, zowel als politicus als voor hun kiezers, zullen zij allianties moeten maken met PAIS. Sinds het eerste moment hebben zowel PK als de MPD dus anders gespeeld, niet alleen verschillend van MPAIS maar zelfs ten opzichte van de grote politieke verontwaardiging van de burgers die spontaan begon te broeden door de crisis van het Ecuadoraanse politieke systeem en leidde tot de neoliberale ajuste die de emmer deed overlopen, wat weerspiegeld werd in de spontane rebellie van de Forajidos. Deze Rebelión Forajida leidde tot de omverwerping van het regime van ex-kolonel Lucio Gutiérrez.

Vergeten we niet dat noch de Conaie, noch de FEINE een noemenswaardige rol speelden bij deze volksrebellie.

De “neergang” (het “verval” zoals Ramos schrijft) van bepaalde inheemse organisaties, waaronder de Conaie en zijn politieke vleugel Pachakutik, heeft een geschiedenis en mag dus niet enkel toegeschreven worden aan een Machiavellistische “verdeel-en-heers-politiek” van Correa. Maar niemand kan ontkennen dat de regering af en toe olie op het vuur gooit.

Het is niet de regering van de “Burgerrevolutie” die de inheemse beweging verdeeld heeft, zij was al verdeeld en blijft verder verdeeld. Het was en is geen homogene beweging. Overigens kan dat niet anders, gezien de soms enorme (ook culturele) verschillen tussen de inheemse volkeren, bv. tussen de Huaorani en de Otavaleños.

Ik kom hier nadrukkelijk nog even terug op het feit dat de inheemse beweging in haar glorietijd rekende op de participatie en het actieve engagement van veel sectoren uit de mestiezenmaatschappij. Vandaag is de Conaie omgevormd tot een louter etnische beweging, inclusief bij haar politiek-electorale vleugel. Velen ter linkerzijde betreuren dit ten zeerste. Bovendien is er dikwijls sprake van een vrij fundamentalistisch-indigenistische strekking. Zouden de Ecuadoranen massaal stemmen voor een partij van Afro-Ecuadoranen, Montuvios, mestiezen of blanken? De empirische electorale evidentie toont aan van niet.

En verder, als we het thema vanuit een etnische focus beschouwen, waren het niet alleen de mestiezen die een fundamentele rol speelden bij de ontwikkeling en versterking van de inheemse beweging. Er waren nog andere factoren, sommige historische. Herinneren we bijvoorbeeld aan de rol, decennia geleden, van de Partido Comunista bij de oprichting van de eerste organisaties van inheemse campesinos. De inheemse federatie FEI is een gevolg van dit proces, bestaat nog en is een bondgenoot van de regering van Correa.

Ik wil hier ook de volkskerk in herinnering brengen, evenals de “Bevrijdingstheologie”, meer in het bijzonder de figuur van monseigneur Leónidas Proaño, de “bisschop van de indianen”, en zijn uitzonderlijke strijd voor sociale rechtvaardigheid van de inheemse bevolking. Wellicht zou mgr. Proaño, mocht hij nog leven, het proces van de “Burgerrevolutie” gesteund hebben, zoals verschillende progressieve priesters dat doen. Het is terloops gezegd geen naïeve impuls van Miguel Lluco aan te leunen bij de regering. Lluco is inheemse leider van het eerste uur, hij was de eerste secretaris van Pachakutik, gevormd en aangemoedigd door monseigneur Proaño. Voor het ogenblik leidt hij een proces van reorganisatie  van de inheemse beweging in de provincie Chimborazo, maar werd daardoor onlangs uit Pachakutik verbannen.

Al deze energie en het vrijwillig engagement waarop de inheemse beweging en de Conaie in het bijzonder konden rekenen in die tijd, en die synergetisch samenvloeiden in een historische context, zal nooit meer terugkeren, onder andere en omdat veel van deze energie en vrijwillig engagement aansloten bij het huidige politieke proces dat Rafael Correa leidt.
Iets totaal anders, maar niet onbelangrijk, is de cijfers te observeren van het INEC (Nationaal Instituut voor de Statistiek en Volkstellingen) over de manier waarop de Ecuadoraanse bevolking zichzelf etnisch definieert. Tijdens de “censo” van 2010 werd gevraagd tot welke bevolkingsgroep men zichzelf beschouwde (de enquêteurs die de “censo” deden van huis tot huis, mochten niet tussenkomen als bijvoorbeeld een “zwarte” zichzelf definieerde als “mesties” of iemand met duidelijke inheemse trekken als een “blanke”).

Tussen 2001 en 2010 steeg het aantal Afro-Ecuadoraanse gezinnen van 150.288 naar 280.412, m.a.w. met 86,6%, één van de volkeren met de grootste groei. Daarna volgen de inheemse gezinnen met 34,7% en de mestiezen met 21,3%, volgens de resultaten van de Censo de Población y Vivienda 2010.

Daarbij identificeert 71,9% van de Ecuadoranen zich als mesties, 7,4% als montubio, 7,2% als Afro-Ecuadoraan en 7% als inheems. Van deze laatste identificeert 32,2% zichzelf als Kichwa de la Sierra en slechts 1% als Chachi.
Het is interessant te observeren dat de Ecuadoraanse maatschappij zich voornamelijk als mesties  beschouwt, hetgeen enkele decennia geleden absoluut niet het geval was. Opgelet: dit betekent nu niet dat men mag zeggen dat slechts zeven procent van de bevolking inheemsen zijn. Tot voor enkele decennia ontkende een mesties inheems bloed in zich te hebben (hetgeen toch de definitie van “mesties” is) en imiteerde hij het leven van de blanke. Nu zijn er veel blanken die zeggen dat zij mesties zijn, omdat zij weten dat ze al generaties vermengden en geen “zuiver blank bloed” meer hebben. Uit een soort minderwaardigheidscomplex, ten onrechte, vinden veel inheemsen dat ze geen inheemse zijn. We onderlijnen hier dus dat de cijfers uit de censo gebaseerd zijn op een “autoidentificación”, en dat is een gevoelsmatig, subjectief gegeven. Maar het kan wel in relatie gebracht worden met het thema van dit artikel.

Telkens zijn er meer en meer leiders en inheemse sectoren die er zich rekenschap van geven dat het optreden van bepaalde inheemse leiders gemotiveerd wordt door individuele belangen, eerder dan collectieve, en dat deze onvruchtbare en aanhoudende tegenstelling niets meer doet dan de eigen belangen schaden. Hier zeggen voorstanders van het huidige regime dat als het “echte” linkse krachten waren, zij zouden bijdragen om de correlatie tussen de krachten te vergroten ten voordele van de permanente radicalisering van de Burgerrevolutie, en niet het spel spelen van de destabiliserende sectoren tussen rechts en “links”.
Het is gemakkelijk een landbouwhervorming te eisen  zonder bij te dragen tot het versterken van de correlatie van krachten die daartoe kunnen leiden. Aan de basis (in de rurale parochies) zijn er meer en meer inheemsen die dit beseffen en afstand nemen van de inheemse leiders op nationaal niveau. Hoe kan men wetten goedkeuren zoals de Ley de Agua of de Ley de Tierras als het de eigen organisaties zijn, zoals de Conaie en FEINE, die de processen in de Nationale Assemblee boycotten of belemmeren?
Organisaties van indígenas en van campesinos die deel uitmaken van het Red Agraria (Agrarisch Netwerk) hebben begrepen dat een positieve mobilisering met voorstellen gemakkelijker kunnen leiden tot het zoeken naar en vinden van oplossingen voor nog hangende problemen in het actuele politieke proces. Zo hebben enkele grote en kleinere organisaties zich geïntegreerd in het Red Agraria en op 20 maart 2012 in de Nationale Assemblee een wetsvoorstel ingediend en gepromoot voor de Ley de Tierras y Territorios (Wet van Gronden en Territoria) met de steun van 41.780 handtekeningen. Deze organisaties zijn onder meer: FENOCIN (Federación Nacional de Organizaciones Campesinas, Indígenas y Negras, waarvan de ex-voorzitter nu het inheemse parlementslid Pedro de la Cruz is die de regering steunt), de CNC–EA (Coordinadora Nacional Campesina Eloy Alfaro) en CORMONLIT (Corporación de Montubios del Litoral). Recent, midden juni, ondernamen de Fenonin en de Conaie een poging om daarover aan tafel te gaan zitten.
Paradoxaal genoeg zorgde de “mars” van de Conaie voor een gunstig scenario voor de acties die Red Agraria ontplooide, want na 22 maart hebben de krachten uit de oppositie zich wat teruggetrokken, terwijl in de Nationale Assemblee het genoemde wetsontwerp dat Red Agraria had voorgesteld op de politieke agenda werd gezet voor bespreking.

Wat betekenen de protestmarsen in termen van politieke kracht?

Belangrijker dan het aantal deelnemers aan de “mars” van de Conaie te tellen is de kracht van de boodschap te meten en de kwaliteit van haar leiders. In vergelijking met de grote levantamientos van de jaren ’90 was er bij de grote meerderheid van de Ecuadoraanse bevolking, zelfs bij de inheemsen, een vrij grote onverschilligheid omdat de boodschap niet als authentiek werd ervaren en omdat de leiders die hadden opgeroepen deel te nemen aan de mars zeker niet op dezelfde hoogte staan als de bekwame en bewonderenswaardige leiders waarop de inheemse beweging tien tot twintig jaar geleden kon rekenen. Bij de inheemse basis hoor je dikwijls gevoelens als: “zij slapen comfortabel in sterrenhotels terwijl hun achterban op een rieten mat op de grond slaapt”. Bovendien was het geen “mars” zoals de levantamiento of de mars van bijvoorbeeld de OPIP te voet van Puyo naar Quito. Het was deze keer eerder een karavaantocht, waarbij praktisch alleen te voet werd gegaan bij het binnenkomen en het uitgaan van de steden.
Uit de levantamiento indígena van 1990 kwam ook de 500 jaar resistentie van de kolonisatie (in 1992 was het niet alleen “500 jaar Colombus” maar ook het Internationaal Jaar van de Inheemse volkeren) en resulteerde ook in een soort renaissance van de inheemse cultuur, met de overtuiging, ook bij niet-inheemsen, dat het belangrijk was de inheemse roots te herwaarderen. Maar bovendien was het ook de periode van verzet tegen de toepassing van het neoliberale model, dat het Ecuadoraanse volk in staat stelde via constante acties van het volk die krachten en dat bewustzijn te cumuleren die uiteindelijk de electorale overwinning mogelijk maakten die de inzet was van het huidige proces van de Burgerrevolutie.

Observaties over de politieke impact van de mars van de Conaie

 conaie mars ecuadorDe dagen van de mars (8-22 maart) en de “grote” protestconcentratie (22 maart) op het einde ervan in Quito, waren er ook veel al dan niet spontane of georchestreerde manifestaties om de regering van Correa te steunen. De opkomst bij de Conaie-mars was bijlange niet zo groot als de verwachtingen. De enorme mobilisatiekracht van de jaren negentig was ver te zoeken. Integendeel, men constateerde in de meeste provincies grotere concentraties van pro-Correa-manifestaties.

Analyse van het mandaat van de Conaie

Als men het mandaat van de 19 punten analyseert die de Conaie indiende bij de Nationale Assemblee, is de eerste bedenking die men zich maakt dat de inheemse leiding van de Conaie gedesoriënteerd is. De Conaie erkent niet dat de leiders ethische autoriteit hebben verloren, is er zich niet van bewust dat de inheemse beweging niet meer de samenvloeiing is van diverse politieke en sociale sectoren van weleer die het mogelijk maakten een sterk verzet te stimuleren tegen het neoliberaal model. Dit doet de Conaie perspectieven verliezen en eisen stellen die verschillende sociale sectoren raken zonder dat zij daarvoor hun politieke vertegenwoordiging hebben toegelaten, en die dikwijls de onderliggende electorale motieven verbergen.
Ik zou voor elk van de 19 punten van het mandaat een afzonderlijk artikel met een analyse kunnen maken, maar ik ga me hier beperken tot algemene observaties die me doen besluiten dat de Conaie met haar mars op zijn zachtst gezegd de sympathie niet won van de middenklasse, ook niet bij de inheemse middenklasse, wat een van de redenen is waarom haar boodschap grotendeels op onverschilligheid botste.

Over het algemeen heeft de Ecuadoraanse middenklasse de “groene belastingen” positief onthaald, vooral omdat men aanvoelt dat er directe voordelen zijn (als men bv. de plasticflessen recycleert betaalt men geen extra belastingen. De doorsnee Ecuadoraan beseft dat de verbetering van de kwaliteit van de brandstoffen (octaangehalte) bijdraagt tot minder luchtverontreiniging, een verbetering voor het milieu maar dit ook beter is voor de motor van de voertuigen. Bovendien kost het de consument niets extra want de staat subsidieert het milieuvriendelijker initiatief. Maar de Conaie gaat in tegen dit initiatief, zoals de Conaie zich ook verzet tegen het innoverende proces van het Nationaal Secretariaat van Hoger Onderwijs, Wetenschap en Technologie om het hoger onderwijs grondig te hervormen om de kwaliteit ervan fors op te krikken. Ook hier wordt het initiatief van de regering positief onthaald bij de Ecuadoraanse middenklasse, die vooral het programma voor beurzen sterk waardeert omdat het de toegang tot de universiteit democratiseert. De Conaie erkent de grote recuperatie niet waarin het IESS (Instituut Sociale Zekerheid) slaagde, waarvan alle aangesloten leden profiteerden. Er valt nog een lange weg af te leggen, vast en zeker, maar het IESS is ontegensprekelijk de goede weg ingeslagen en werkt constant aan de verbetering van het stelsel van de sociale zekerheid. Of oordeelt de Conaie misschien dat inheemse meisjes die van het platteland naar de steden migreren en als huishoudhulpje worden uitgebuit geen recht hebben op een wettelijk minimumloon en op sociale zekerheid? Een ander recent voorbeeld is de kritiek op de constructie van vijftien hospitalen, iets dat  men in decennia niet heeft gezien!

Op dezelfde manier begint de bevolking de leugen in te zien van de zogezegde ecologische strijd van de Conaie. Hier past het zeker ook eens te wijzen op de houding van veel Europese (ook Belgische) ngo’s. Daarover zullen we een van de komende maanden een afzonderlijk dossier maken, want er wordt nogal wat misbruik gemaakt van de “groene etiketten, zoals FSC-certificaten, enz.

De bevolking heeft dus een perceptie dat het milieuvriendelijke discours van de zgn. ecologische strijd van de Conaie vals, zoniet dubbelzinnig is. Ecuador heeft te kampen met verschillende moeilijkheden op ecologisch vlak. Eén van de belangrijkste is de verontreiniging van de rivieren door de vervuilende lozing van afvalwater in de steden. De rol van de steden en gemeenten is doorslaggevend bij de aanpak van het probleem. Nochtans doen de lokale besturen, waaronder er veel zijn die door de oppositie gecontroleerd worden, weinig om het probleem bij zijn wortels aan te pakken. Voor zover we ons herinneren hebben noch Pachakutik, noch de MPD (incl. zusterorganisaties zoals FEUE, UNE, FESE, Frente Popular), noch de erbij aanleunende milieuorganisaties (zoals Acción Ecológica) ooit iets ondernomen tegen de illegale mijnbouw, die nochtans uiterst vervuilend is (cf. het gebruik van kwik en arsenicum in de goudmijnen) maar verzetten zij zich tegen de aanpak van de regering die wél een einde wil maken aan de illegale, artisanale mijnbouw.

Het is ongelooflijk, maar de Conaie verzet zich ook tegen de bouw van belangrijke infrastructurele werken waarop ruime sectoren van de bevolking al jaren tot decennia lang wachten. Een concreet voorbeeld is het Proyecto Multipropósito Chone, dat onder meer een einde zal maken aan de bijna jaarlijks terugkerende overstromingen in het regenseizoen en zal zorgen voor irrigatie in het droge seizoen. Tussen haakjes: in Chone en de wijde omgeving wonen er geen inheemsen. Waarom moet de Conaie er zich dan tegen verzetten? Zo zijn er tientallen voorbeelden.

Het valse discours komt ook duidelijk tot uiting als het ‘mandaat’ van de Conaie de billijke distributie eist van de radiofrequenties in de Ley de Comunicación. In het wetsvoorstel voorziet de regering één derde (33%) voor de privé-sector, een derde voor de openbare sector (inclusief de lokale besturen) en 34% voor de media van de civiele sector, hoofdzakelijk inheemse gemeenschappen. Nochtans kondigde Pachakutik aan tegen dit wetsvoorstel te zullen stemmen, waardoor de inheemse koepelorganisatie zelf een obstakel zal vormen voor de aspiraties van de inheemse volkeren of ‘inheemse nationaliteiten’ hun eigen volksradio’s te hebben. De regering is gelukkig al goed begonnen met het verdelen van de radiofrequenties, maar de Conaie oordeelt dat dit “cadeaubeleid bedoeld is om de inheemse beweging te verdelen”.

De boodschap van de Conaie, Pachakutik en hun acolieten is weinig consistent. Bovendien stelt zich een probleem van representativiteit: gaan alle sociale sectoren die zich betrokken zien in de eisen van het ‘mandaat’ toelaten dat zij behandeld worden door een Conaie die niet eens de totaliteit van de inheemse gemeenschap in Ecuador vertegenwoordigt? De term ‘mandaat’ is overigens misleidend omdat het de indruk geeft dat iedereen, ook de basis, er achter staat en dit een soort volmacht is , een ‘opdracht van het volk’ is. Misschien heeft men dezelfde term willen gebruiken als de ‘mandaten’ (voor de overgangsperiode) die in de nieuwe grondwet staan, die wel op een democratische manier in Montecristi tot stand zijn gekomen, én met bijzonder veel bevolkingsparticipatie.

Bepaalde inheemse leiders doen de geschiedenis van de beweging weinig eer aan, ageren op onverantwoorde manier, dikwijls op totaal ondemocratische wijze, zodanig dat zij misschien wel volledig geïsoleerd komen te staan. Bepaalde leiders zijn zich aan het positioneren in een fundamentalistisch landschap, want in hun motiveringen is dikwijls zelfs geen greintje ideologische redenering meer te bespeuren. En electoraal gezien hebben ze een naïeve kijk door te geloven dat de mensen stemmen volgens etnische identiteiten.

(Bron: Luc Spanhove, De inheemse organisaties en de regering-Correa is een verkorte versie van het artikel dat verscheen in Esmeraldas jaargang 21, juli 2012, p. 7-17 – Bewerkt door Walter Lotens)

 

Noten:

(1) Toen Pachakutik-Nuevo País voor het eerst in 1996 opkwam bestond de naam van de beweging nog uit twee delen bestond: ’pachakutik’ (Quichua voor ’nieuwe wereld’) en ’nuevo país’ (Spaans voor ’nieuw land’). In 1996 vormde Pachakutik naast de inheemse organisaties nog een geheel met meer dan 50 niet-inheemse sociale organisaties (vrouwen-groepen, milieuverenigingen, stedelijke wijkcomités, enz.). Dank zij deze ruime alliantie kon de toenmalige kandiaat Fredy Ehlers (thans minister) de tweede ronde halen, die hij evenwel nipt verloor van Abdalá Bucaram. Het is pas later dat die twee groepen (inheemsen en mestiezen) uit elkaar gingen toen binnen Pachakutik door de inheemse leiders een soort staatsgreep werd gepleegd en het alleen een inheemse politieke beweging werd, zonder mestiezen.