Oplossingen voor de EU-crisis: lessen vanuit Latijns-Amerika

pablo solon
Facebooktwittergoogle_plusmail

Pablo Solon was tussen 2009 en 2011 Boliviaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties en werd in april 2012 directeur van de in Bangkok gevestigde ngo Focus on the Global South. In 2011 kreeg hij de International Human Rights Award van Global Exchange. Pablo Solon richtte einde 2011 een open brief aan Evo Morales om te protesteren tegen de houding van de Boliviaanse regering in verband met de TIPNIS-weg (zie Uitpers nrs. 134, 136 en 141) In dit interview voor Transnational Institute van juni 2012 vertelt de voormalige Boliviaanse ambassadeur over zijn successen en frustraties in de regering-Morales. Hij vraagt zich af wat de EU kan leren van Latijns-Amerika over de schuldencrisis. Hij waarschuwt tevens voor het vermarkten van de natuur en de inhoud van het begrip groene economie’. Zijn uitspraken zijn zeker interessant tegen de achtergrond van Rio +20.

 

Wat was uw grootste verwezenlijking en uw grootste teleurstelling tijdens de periode dat u deel uitmaakte van de regering-Morales?

“De grootste verwezenlijking waar ik echt trots op ben was de goedkeuring door de VN van het Recht op Water. Staten zoals de VS en Canada waren oorspronkelijk tegen deze verklaring, maar hebben zich in laatste instantie onthouden. Ik ben er ook trots op dat Bolivia protesteerde tegen het akkoord dat afgesloten werd op de VN-klimaatconferentie in Cancun. Ik kon als vertegenwoordiger van het enige land dat tegen was, uitleggen aan 192 andere landen dat dit akkoord van Cancun de dood van miljoenen zou betekenen omdat we daardoor op het pad kwamen van een klimaatsverandering van drie tot vier graden hoger. Ik zei ook dat diplomatie geen oplossing biedt voor de klimaatcrisis als men hierdoor als land zijn verantwoordelijkheid afwimpelt. Ofschoon wij als Bolivia in een geïsoleerde positie zaten, meen ik toch dat deze wereld er alleen maar beter kan van worden als meer leiders in plaats van alleen maar diplomatisch op te treden hun politieke verantwoordelijkheid zouden willen opnemen.

Mijn grootste teleurstelling is geweest dat mijn eigen regering de principes niet heeft toegepast waarvoor wij internationaal opkwamen. Men kan niet iets poneren zonder het ook toe te passen in het eigen leven. Dat is de reden waarom ik niet langer betrokken ben bij de regering-Morales.”

 

Waarover verschilde u van mening met de huidige Boliviaanse regering?

“Het ging over de TIPNIS-story die is ontstaan doordat de regering, ondanks het verzet van voornamelijk een deel van de inheemse beweging, een nieuwe verbindingsweg wil aanleggen die voor een deel door een natuur- en inheems gebied zou lopen. Het is duidelijk dat er in Bolivia nood bestaat aan meer geografische integratie door verbindingswegen aan te leggen, maar dat moeten we dan doen zonder onze grote natuurgebieden te verwoesten en zeker ook niet door een deel van de inheemse oppositie te negeren die zich in hun rechten geschaad voelt. Als de regering het belang van inheemse rechten en van de natuur benadrukt, moet ze dat ook in de praktijk omzetten. Die dubbelzinnige houding van de Boliviaanse regering zien we ook nog op andere terreinen. Wij hebben gevochten tegen genetische manipulatie van gewassen, maar nu is er een wet gestemd die de deur openlaat voor genetische manipulatie. Sommige historische tendensen waarmee wij opgezadeld zaten zoals het caudillismo (nvdr: personencultus van de leider) mogen zich niet meer herhalen indien wij het veranderingsproces in Bolivia ernstig willen nemen. In onze zoektocht naar een nieuwe maatschappij, moeten we ons niet laten leiden door één persoon. Het volk moet zijn eigen bevrijding nastreven. Het zal moeilijk zijn om in Latijns-Amerika het caudillismo af te zweren, maar het zal nodig zijn om een nieuwe band met leidersfiguren te kunnen smeden.”

 

Hoe bekijkt u de economische crisis van de EU vanuit Latijns-Amerikaans perspectief?

“Iedere crisis is een politiek moment. Er is heel wat overeenstemming tussen wat zich nu in Europa voordoet en wat er twintig jaar geleden in Latijns-Amerika gebeurde. Internationale organisaties zoals het IMF dwongen Bolivia zijn schuldenlast af te bouwen, wat in ons geval betekende dat er ongeveer 50.000 mijnwerkers op straat kwamen te staan, dat staatsbedrijven werden geprivatiseerd en dat de staatsuitgaven drastisch werden verminderd. Datzelfde recept wordt vandaag in Europa toegepast. In het begin aanvaardde een deel van de Boliviaanse bevolking die IMF-eisen. Er kwam niet dadelijk een reactie. Het duurde ongeveer vijftien jaar voordat een nieuwe politieke beweging in staat was om deze neoliberale politiek te betwisten. Dat was geen gemakkelijke strijd, want we waren zeer geïsoleerd. Het leek wel alsof we van op een andere planeet opereerden. Vandaag volgt Bolivia niet langer de instructies van de Wereldbank en van het IMF en in het algemeen passen we ook niet langer dezelfde neoliberale maatregelen toe.

Waar is het geld? Dat is de belangrijkste vraag die we ons moeten stellen bij een economische crisis. Regeringen en internationale instellingen kijken onveranderlijk naar het volk, maar het zijn natuurlijk de multinationals die de rijkdom in handen hebben. Vanaf het ogenblik dat in Bolivia de staatsbedrijven werden geprivatiseerd ging ongeveer tachtig procent van de winsten naar multinationals. Die tendens moesten wij omkeren. Nu, onder Morales, gaat ongeveer tachtig procent van de winsten naar de staat. Daardoor kunnen we nu meer investeren in gezondheidszorg, onderwijs en jobs.

Het is echter niet voldoende om te weten waar het geld is en om het beter te verdelen, we moeten ook het traditionele groeimodel zelf aanpakken. De oplossing voor de crisis die aangereikt wordt door progressieve economen heet ‘groei’, maar wij weten dat oneindige groei de vernietiging van deze planeet betekent. Op dit ogenblik verbruiken we meer dan onze planeet in een jaar kan regenereren. Dat groeimodel werkt dus niet en wij zullen daar allemaal de rekening voor moeten betalen. We moeten dus op zoek gaan naar oplossingen die alle aspecten van de crisis omvatten. Ik begrijp dat het creëren van jobs een eerste bekommernis is, maar dan blijft er nog de huizenhoge vraag naar een alternatief dat het groeimodel overstijgt.”

 

De gevolgen van de IMF-politiek voor het gewone volk zijn vreselijk. Hoe kwam Bolivia los van de dwang van de Wereldbank en het IMF en wat kan ons dat leren om van de druk van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie af te geraken?

“In het begin waren er in Bolivia protestacties en stakingen tegen de neoliberale politiek, maar alles bleef geprivatiseerd. Het keerpunt kwam er op het ogenblik dat men ook het water wilde privatiseren. Voor de oorlog om het water werd er zeer zwaar gemobiliseerd en in 2000 slaagden we erin om de Californische multinational Bechtel buiten te krijgen en een nieuwe waterwet gestemd te krijgen. Dat was een cruciaal moment in de opkomst van de nieuwe sociale bewegingen, die met die overwinning pas beseften over welke kracht zij beschikten. Na de zogenaamde wateroorlog van Cochabamba ontstond er vanuit de bevolking ook een grote steun om het gas te nationaliseren en tenslotte vroeg het volk zich af of zij ook de regering niet konden ‘nationaliseren’.

Een van de belangrijkste zaken die we geleerd hebben is het belang van een goede voorbereiding. Om te kunnen slagen moet je het probleem beter begrijpen dan je tegenstrever. Dat betekent dat wij de inhoud van de contracten en de budgetten moesten kennen en vooral ook dat we alternatieven achter de hand moesten hebben. Ik meen dat de sociale bewegingen in de EU nog veel werk hebben met het decodificeren van de financiële crisis en dat ze daarom naar mijn mening nog te veel in het defensief opereren. Nadien zijn we begonnen met het aangaan van allianties, niet alleen met traditionele actoren, maar vooral met de rest van het maatschappelijk middenveld dan gewoonlijk niet mee marcheert. In de wateraffaire kregen we hulp van de katholieke Kerk die het watercharter mee goedkeurde en van wiens infrastructuur we verder gebruik maakten om onze campagne te voeren. Vervolgens zijn we op een inventieve manier omgesprongen met een aantal maatregelen. Zo waren we er ons van bewust dat indien we vanuit de bovenstad El Alto blokkades zouden opwerpen de stad La Paz zelf geen tien dagen zou overleven. Maar uiteindelijk is voor ons de internationale solidariteit het allerbelangrijkste geweest. In onze strijd tegen Bechtel in Cochabamba kreeg deze multinational van activisten van over de hele wereld zo’n slechte pers dat op het einde het bedrijf voor een symbolische dollar werd overgelaten aan Bolivia. Dat zou zeker niet gebeurd zijn indien we niet verder dan de eigen grenzen gedacht hadden.”

 

Wat kunnen we verwachten van Rio+20? Welke oplossingen hebben we nodig om de klimaatveranderingen en de ecologische crisis te kunnen pareren?

“In Rio verwacht ik een debat tussen twee paradigma’s. De officiële agenda kreeg het label ‘groene economie’ mee. Dat klinkt ogenschijnlijk goed, maar jammer genoeg werd deze term gekaapt en een andere inhoud gegeven. ‘Groene economie’ is een paraplu geworden waaronder privatisering en vermarkting van de natuur schuilgaat. Het tegenovergestelde paradigma komt van de Social Summit die het heeft over de vele niet marktgerichte alternatieven voor de klimaatcrisis. ‘Groene economie’ zoals door het dominante paradigma wordt begrepen, denkt ten eerste alleen in termen van economische groei en koppelt dat streven volledig los van milieuschade, en ten tweede wordt er gedacht in zuiver technologische oplossingen. Het doel is een vermarkting van de natuur. Men wil een markt creëren gebaseerd op niets tastbaars. Dat gebeurt in de CO²-handel en het fameuze REDD-systeeem of Reducing Emissions from Deforestations and Forest Degradation. En dat systeem wil men nu uitbreiden tot andere ‘diensten’ van de natuur. Die markten in natuur creëren een dubbele perverse beloning voor hen die de natuur willen vernietigen. Ten eerste als je CO²-krediet koopt dan heb je het recht om voor dat bedrag te vervuilen. Dat betekent dus dat vervuilers hun uitstoot niet zullen verminderen. Ten tweede komt het erop neer dat het uiteindelijk de vervuilers beloont.

Met het REDD-systeem, aanvaard bij de besprekingen in Cancun, is besloten dat als je dit jaar 1000 hectare ontbost hebt en volgend jaar slechts 800 hectaren dat je dan credits kunt kopen voor de 200 niet ontboste hectaren. Als ik dus een brave jongen ben en bomen bescherm dan krijg ik geen credits omdat ze bestemd zijn voor wie wel ontbost. Zo krijgen we de bizarre situatie dat sommige gemeenschappen meer ontbossen om beter van de ‘voordelen’ van het REDD-systeem te kunnen genieten. Het ergst van al is dat deze handelwijze een nieuwe speculatiegolf op gang kan brengen zoals met de huizencrisis in de Verenigde Staten, maar dan deze keer met de natuur. Deze nieuwe markt wordt gebruikt als een manier om de financiële crisis te overwinnen en om een nieuwe business te creëren om winsten te maken. Er zullen nieuwe maatschappijen en tussenpersonen ontstaan, die de kiemen zullen leggen voor de volgende financiële crisis wanneer die speculatieve luchtbel zal openbarsten. Het allerergste is natuurlijk dat onze planeet de volgende decennia alweer zal opgezadeld worden met de rotzooi.”

 

Zijn er dan geen alternatieven?

“Een paradigmaverandering is noodzakelijk. Er moet een einde komen aan het antropocentrische tijdperk waardoor de mens in het centrum van alle leven staat. Wij moeten handelen als een onderdeel van deze planeet. We leven in een systeem waarvan het centrum niet de mens maar de natuur is. Om onszelf te beschermen moeten we dat systeem beschermen. Dat betekent dat we naast de mensenrechten ook de rechten van de natuur moeten erkennen. De grootste uitdaging van Rio+20 is niet naar groei, maar naar herverdeling van macht te kijken en om een evenwicht met de natuur te creëren. Jammer genoeg hebben we daarvoor nog weinig tijd over. Het maatschappelijk middenveld is sinds de klimaatconferentie in Kopenhagen in het defensief . De situatie is na Durban in december 2011 nog veel erger geworden want de enige beslissing die toen genomen werd, was om elke beslissing uit te stellen tot 2020, maar dan zal het te laat zijn. We moeten dringend nu maatregelen treffen.”

(Bron: Transnational Institute, juni 2012, situering van het interview en vertaling uit het Engels: Walter Lotens)