Klimaatconferentie van Durban: COP-killer!

Facebooktwittergoogle_plusmail

COP 17, oftewel de zeventiende jaarlijkse VN-klimaatconferentie op rij, is eens te meer met een sisser afgelopen. Na COP13 in Bali, COP14 in Poznan, COP15 in Kopenhagen, COP16 in Cancún, heeft nu ook COP17 niet het gewenste resultaat opgeleverd.

 

In 2009 werd er in de aanloop naar Kopenhagen nog heel wat buzz de wereld ingestuurd rond de mogelijkheid om een nieuw en bindend klimaatverdrag, als opvolger van Kyoto, af te sluiten. Durban katapulteert de uitvoering van dat toekomstige verdrag meteen naar 2020, het jaar waarin we volgens de verzamelde wetenschap best al 40 procent van onze reducties zouden gerealiseerd hebben. We missen vijf treinen tegelijk en kunnen het hoe dan ook vergeten om de opwarming onder de kritische grens van twee graden celsius te houden. In die zin werd Durban een echte COP-killer: wat voor zin hebben die internationale klimaatonderhandelingen eigenlijk?

In 1992, bijna twintig jaar geleden, vond in Rio De Janeiro de moeder aller milieuconferenties plaats. 154 leden van de Verenigde Naties tekenden er het zogenaamde raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC: United Nations Framework Convention on Climate Change). Daarbij waren ook de landen van de EU, de VS, Japan, China, India en Brazilië. Dat leidde in 1994 tot de oprichting van de COP, de zogenaamde Conference of Parties die vanaf 1995 jaarlijks in december zou samenkomen om actieplannen uit te werken om de klimaatverandering daadwerkelijk een halt toe te roepen. Tegelijkertijd werd ook het IPCC opgericht, het VN-klimaatpanel, bestaande uit 2500 wetenschappers uit de hele wereld, dat regelmatig aanbevelingen formuleert en de maatregelen tegen klimaatverandering wetenschappelijk moest ondersteunen.

Recorduitstoot

Twee jaar later werd dan het Kyotoprotocol ondertekend, dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen met vijf procent wilde reduceren, die van de Europese Unie met 8 procent, ten opzichte van 1990. Die reducties dienden gerealiseerd te worden tussen 2008 en 2012. De VS weigerde reeds om daarin mee te stappen en bovendien maakten de industrielanden er toen al een handeltje van: Kyoto zadelde ons op met verhandelbare emissierechten en de mogelijkheid om de reducties niet in eigen land te realiseren maar via ‘propere projecten’ in het Zuiden of het Oosten. De doelstellingen van het Kyotoprotocol waren hoe dan ook niet in verhouding met de aanbevelingen van het IPCC. Het VN-klimaatpanel stelt immers dat de geïndustrialiseerde landen hun uitstoot tegen 2020 moeten terugschroeven met 25 tot 40 procent en tegen 2050 met 80 tot 95 procent. Er diende dus meer dan een tandje te worden bijgestoken. Dat Kyotoprotocol loopt af eind 2012, vandaar de hoge nood om er een opvolger voor te vinden. There we are.

Heeft het Kyotoprotocol gewerkt? Integendeel, elk jaar blazen we meer broeikasgassen de lucht in. In 2010 was er een stijging van de uitstoot van zes procent ten opzichte van het jaar voordien, een record! Bovendien nemen de groeilanden in het Zuiden – China, India, Brazilië…- een steeds groter deel van die uitstoot voor hun rekening, al staat het vast dat de geindustraliseerde landen historisch gezien, maar ook vandaag nog veruit de grootste verantwoordelijkheid dragen. China wordt wel eens met de vinger gewezen als ‘grootste uitstoter ter wereld’, maar een gemiddelde Amerikaan stoot nog steeds vier maal zoveel broeikasgassen uit als een gemiddelde Chinees. Nu goed, de uitstoot neemt jaar na jaar toe en de kans dat we de opwarming onder de kritische grens van twee graden celsius kunnen houden, lijkt onbestaande vandaag.

Een akkoord of een lege doos?

Wat is er nu uit de bus gekomen in Durban? Zo’n 36 uur na het verstrijken van de officiële deadline, lag er toch nog een akkoord op tafel. Maar ja, kan je dat echt een akkoord noemen? Er is eigenlijk vooral beslist om verder te praten, om zo tegen eind 2015 een akkoord af te sluiten dat alle landen zou binden –ook de VS, China en India- en dat in 2020 in werking zou moeten treden. Over hoeveel die reducties dan wel zouden bedragen, werd er nog niets defintief vastgelegd. Maar hoe dan ook is 2020 veel te laat. Om goed te zijn zou de uitstootpiek zich tegen 2015 moeten voordoen, om daarna snel naar beneden te gaan. Maar volgens dit akkoord zou er dus in dat jaar pas een verdrag worden afgesloten, waarvan de uitvoering dan nog eens vijf jaar op zich zou laten wachten. Als het van dit akkoord zal afhangen, ziet het er bijzonder slecht uit voor het klimaat en dus vooral ook voor de mens.

Sinds COP13 in Bali en zeker ook COP16 in Cancún werden er wel stappen vooruit gezet in de discussie over de uitbouw van een klimaatfonds voor het Zuiden en het bosbeheer. De geïndustrialiseerde landen hebben een historische schuld uitstaan bij de landen in het Zuiden. Daarom zou een dergelijk klimaatfonds die landen uit het Zuiden moeten toelaten om zich aan te passen aan de ergste gevolgen van de klimaatverandering, een lage koolstofeconomie te ontwikkelingen en bepaalde natuurlijke rijkdommen niet te ontginnen. In Cancún werden er schuchtere stapjes in die zin gezet, al liep het eigenlijk al van meet af aan fout; er ontstond een wildgroei aan allerhande klimaatfondsen, waarbij de praktijken soms ronduit onaanvaardbaar zijn. Zo beheert bijvoorbeeld de Wereldbank een deeltje van de middelen terwijl die instelling de landen uit het Zuiden altijd het mes op de keel heeft gezet en bovendien ook vandaag blijft investeren in grootschalige projecten van fossiele energie. Hier en daar leefde de hoop dat Durban misschien op dit vlak stappen vooruit zou kunnen zetten. Maar ook dat bleef uit.

Gebeurde er dan niets positiefs in Durban? Sommige waarnemers zien toch wel wat lichtpuntjes. Wie echter met zijn neus op de onderhandelingen en de kleine lettertjes zit, weet dat het altijd nog erger had gekund. Het worst case scenario voor Durban was er één waarbij er helemaal niets zou volgen op Kyoto. Het Kyoto-protocol is immers het enige, internationaal, wettelijk kader om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Zonder een verlenging zouden we in een ronduit hopeloze situatie zijn terechtgekomen van een record-uitstoot zonder enig wettelijk kader rond reducties. Maar is dat werkelijk een lichtpuntje? Wordt Kyoto II immers geen lege doos? Voor de EU zou Kyoto II betekenen dat de reeds afgesproken doelstellingen 20/20/20 (ondermeer 20 procent reductie tegen 2020) opgenomen zouden worden in het protocol. We kunnen niets anders dan erop wijzen dat deze doelstelling onder de lat van het IPCC ligt. De andere Kyotolanden zouden het louter op vrijwillige reducties houden. Canada besliste zelfs om uit Kyoto te stappen om zo de boetes voor het niet naleven van het verdrag te vermijden. De Verenigde Staten zijn er zeker van dat ze niets hoeven te ondernemen tot 2020. Een ook de opkomende groeilanden blijven buiten schot… Zo bekeken lijkt er niet erg veel verschil tussen een verlenging van Kyoto of helemaal niets. Ja, zonder enig wettelijk kader is er niets en zouden de teugels helemaal losgegooid kunnen worden. Maar toch.

Meer problemen dan oplossingen

Wat voor zin hebben internationale klimaatonderhandelingen die ons steeds verder wegdrijven van ons doel? Ons wereldwijd model gebaseerd op eindeloze winst en groei is zwaar olieverslaafd. Zoals een verstokte roker wel eens zegt: “Morgen stop ik ermee”, zo heeft Durban eens te meer de zaak voor zich uitgeschoven. Morgen stoppen we met olie, gas en steenkool, maar niet vandaag. Zelfs indien de beloftes van Durban worden nagekomen, zal er een hele hoge menselijke tol betaald worden voor de gevolgen van de opwarming. Maar het is net verontrustend dat we helemaal niet zeker zijn dat die beloftes zullen uitgevoerd worden, wel integendeel. Hoeveel COP’s gaan er nog volgen, die de zaken voor zich zullen uitschuiven, die meer problemen dan oplossingen brengen, die het tegenovergestelde doen dan datgene waarvoor het allemaal bedoeld was: de klimaatverandering tegengaan?

Daarom mag de internationale klimaatbeweging zich niet laten opsluiten in de logica van deze COP-killers. Het uitblijven van een internationaal en bindend klimaatverdrag kan voor niets of niemand een excuus zijn om niet in actie te komen tegen klimaatverandering, om geen maatregelen te nemen om de opwarming tegen te gaan of om de zaken op hun beloop te laten. In een evaluatieartikel (1) rond Durban merkt journalist Dirk Barrez terecht op: “Eenzijdige stappen voor het klimaat bieden het onschatbare voordeel dat er niet moet worden over onderhandeld. Het grootste belang daarvan is dat er dus geen tijd meer verloren moet gaan aan futiele onderhandelingen. Dat de wereld op die manier een reizend circus van duizenden vliegtuigreizen uitspaart, is mooi meegenomen. Ze hoeft dan ook geen getuige meer te zijn van een gênant applaus door de onderhandelaars voor een lege doos.”

Allicht is het wel belangrijk dat de onderhandelingen doorgaan. Ooit zal er immers toch eens een verdrag uit de bus moeten komen. Maar het klimaat is vandaag het meest gebaat bij een slagkrachtige beweging die op alle niveaus de druk opvoert en op die manier mee een draagvlak creëert voor sociale klimaatmaatregelen. Buurtbewoners kunnen samen trachten om hun energiefactuur naar beneden te halen en toegang te krijgen tot groene energie. Steden en provincies kunnen kiezen om klimaatneutraal te worden binnen een redelijke termijn. Landen of groepen landen kunnen er hoe dan ook voor kiezen om veel verder te gaan in hun inspanningen dan die lamentabele klimaatonderhandelingen opleggen. Maar ze zullen dit slechts doen wanneer er een combattieve klimaatbeweging is, die erin slaagt om via een sociale en solidaire aanpak van het probleem een breed draagvlak op te bouwen en zo voldoende kracht ontwikkelt om politieke verandering af te dwingen. Dat is alvast een veel concreter perspectief dan het eindeloze wachten op de goodwill van een COP!

 

Mijn inspiratie haal ik bij het ecosocialisme: mens en milieu zijn de dupe van een samenleving die volledig gebaseerd is op altijd meer winst en groei. Indien we de stap willen zetten naar een duurzame en rechtvaardige samenleving, zullen de sociale noden en de draagkracht van de aarde moeten primeren op de winstbelangen van een kleine groep.