Uitpers nummer 83

Griekse tragedie in de Bijlmer


door Walter Lotens

Michiel van Kempen. Vluchtwegen. De Geus, Breda, 2006, 314 blz. ISBN 90 445 0819 9

"In de Bijlmermeer gaan we uit van goed leven door meer ruimte, geluk zit niet in een houten wandje, geluk zit in beton. De mensen uit de oude wijken komen hiernaartoe en op termijn gaan die oude wijken tegen de vlakte," laat Michiel van Kempen een visionaire stedenbouwer uit de golden sixties zeggen (p.23).

Brasilia was enkele jaren voordien gebouwd. Iedereen keek op naar figuren als Lucio Costa en Oscar Niemeyer die, met op de achtergrond het lichtend voorbeeld van Le Corbusier, een nieuwe Braziliaanse hoofdstad in the middle of nowhere hadden gecreëerd. Dat sterk geloof in de maakbaarheid van de samenleving speelde ook in de hoofden van de Bijlmer-architecten die de koeien uit de Hollandse poldergrond door betonnen hoogbouw vervingen.

Zo introduceert van Kempen zijn hoofdpersonage. "Vluchtwegen" is eigenlijk het verhaal van de rise and fall (vooral het laatste dan) van een megalomaan stedenbouwkundig project. Het liep al vlug anders dan verwacht. In plaats van de verwachte doelgroep( ‘van hardwerkende en goed verdienende upper class die wat te spenderen had’) te bereiken, werd de Bijlmer een opvangplaats voor mensen die van over heel de wereld aanspoelden. Een groot aantal Surinamers kwam, na de overhaaste onafhankelijkheid in 1975, als eerste in de Bijlmer terecht.

De auteur weet waarover hij schrijft want, na zijn verblijf in Suriname, woonde hij einde van de jaren tachtig jaren in een Bijlmerflat. Van Kempen beschrijft het leven in deze multiculturele microkosmos van de jaren tachtig tot 1992. "In Groeneveen woonden toen mensen uit 117 landen op een totaal van 480 woningen."

Van op de eerste bladzijden voelt de lezer dat er een drama in de lucht hangt, maar het is pas op het einde van de roman - wanneer alle personages zijn opgevoerd – dat het El Al vliegtuig zich in de Bijlmerflats boort. De Griekse tragedie wordt aangekondigd door Hella, het hoofdpersonage uit het boek die met haar bebloed hoofd voor het instortende café De Nachtegaal staat, maar pas op de laatste bladzijden begrijpt de lezer wat er met haar gebeurd is.

De idealistische opbouwwerkster Hella (‘aan de theatergordijnen van haar halsvel kon je zien dat ze niet meer tot de jongsten behoorde’) – Hollands, zelfbewust – is het aanspreekpunt voor de Bijlmerbewoners. Zo komt zij ook in contact met de verwarmingsmonteur Bram die overhoop ligt met zijn streng joodse vader. Hella is - waarschijnlijk al te lang- getrouwd met een aardige aardrijkskundelaar, maar seksueel voelt zij zich meer aangetrokken door de monteur.

Ook Hashim, een Marokkaanse man met drie zonen, ene mevrouw Bartha, een Hongaars vrouwtje dat vroeger psychiater was maar nu krom loopt van de artrose, en een Surinaamse man met de naam J.L. Strijdhaftig die van een uitkering leeft, maar de indruk wil wekken dat hij een voorname functie vervult, zijn Bijlmerflatbewoners en behoren dus tot de professionele doelgroep van Hella.

Al de figuren die van Kempen opvoert - buiten Hella - zijn in meer of minder mate ‘tussenfiguren’ (de term is trouwens van de essayist van Kempen zelf) die tussen Nederland en Suriname of Marokko of Hongarije of… hangen. Ook Hella moet zich eerder gast in eigen land voelen, vooral wanneer ze voorbij al die onuitspreekbare naambordjes loopt of wanneer ze flarden Sranan, Albanees, Lingala, Papiamentu en nog zovele andere talen op haar bord van opbouwwerkster geserveerd krijgt.

De roman krijgt pas een dreigende wending wanneer de drie jongens van Hashim geradicaliseerd uit Marokko terugkeren en merken dat Hella met hun vader naar bed is geweest. Terwijl zij Hella bijzonder hardhandig aanpakken, terwijl Bram een explosief aanbrengt in het toilet van mevrouw Bartha die nog een bedenkelijk oorlogsverleden blijkt te hebben, terwijl J.L. Strijdhaftig bliksemsnel zijn appartement verlaat omdat hij van de uitkering is gegooid, gebeurt het onvermijdelijke.

Van Kempen beschrijft de inslag van het vliegtuig niet realistisch, niet als een brutale explosie, maar eerder als de optelsom van de gelijktijdige implosies die zich in het leven van zijn hoofdpersonages voordoen. Bram, de monteur, voelt het geluid van het vrachttoestel nader komen als ‘de donderende stem van God’. ‘Hij krimpt niet ineen en hij rekt zich niet uit, hij opent zich, en voor een moment, dat evengoed een flits kan zijn als een eeuwigheid, voelt hij zich totaal en wezenloos gelukkig in die barst in de Bijlmertijd.’ (p. 309)

Het ironische van het Bijlmerleven, zoals van Kempen het beschrijft, is dat iedereen in dit boek wel op de vlucht is voor iets (nietigheid, roots, verleden, godsdienst, vaderfiguur…) en daardoor op zoek gaat naar iets (seks, radicalisme, aanzien) maar uiteindelijk door het noodlot wordt getroffen waarvoor geen vluchtwegen bestaan.

De zeer creatieve en productieve Michiel Van Kempen heeft zich in de voorbije decennia geprofileerd als een literatuuronderzoeker van formaat. Zijn eigen literair werk (verhalenbundels, reisverslagen en de Surinaamse roman ‘Plantage lankmoedigheid’) bleef daardoor een beetje in de schaduw van zijn Suriname-studies. Na de publicatie van "Vluchtwegen" kan dat niet meer. Dit is het werk van een gerijpt iemand die niet alleen bewezen heeft dat hij op een scherpzinnige manier over literatuur kan schrijven. Met "Vluchtwegen" levert van Kempen een zeer eigen literair visitekaartje af dat, wat mij betreft, nu al een aparte plaats verdient in de huidige Nederlandstalige literatuur. De wetenschappelijke beschrijver van literaire tussenfiguren heeft als schrijver zijn eigen onderzoeksonderwerp als literair thema gekozen en op een briljante manier uitgewerkt.

(Uitpers, nr. 83, 8ste jg., februari 2007)

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=435173&refsource=uitpers