Uitpers nummer 60

Brieven aan de Lumumbacommissie


door Ludo De Witte

Bijlage bij: De moord op Lumumba: academici tussen waarheid en raison d’état (Ludo De Witte)

 

21 mei 2000

Aan de heer G. Versnick

Voorzitter van de Lumumba-commissie

Kamer van Volksvertegenwoordigers

Brussel

Betreft : Archieven ten behoeve van de commissie-Lumumba

Geachte mijnheer Versnick,

Staat u me eerst toe u te feliciteren voor uw voorzitterschap van de commissie-Lumumba. Ik twijfel er niet aan dat onder uw leiding deze commissie kan uitgroeien tot een mijlpaal van een nieuwe politieke cultuur in dit land, en een element wordt van een nieuwe basis voor de Belgisch-Centraal-Afrikaanse betrekkingen.

Wat uw oproep betreft om archieven ter beschikking te stellen, wil ik, in het belang van een grondig onderzoek, u en uw commissie wijzen op enkele punten :

a) ‘De moord op Lumumba’ (1999) is het complement van mijn boek ‘Crisis in Kongo’ (1996) : beide boeken vormen een tweeluik, en vormen samen het resultaat van mijn zesjarige studie van de Congocrisis. U zult merken dat in ‘Crisis in Kongo’ de dekolonisatie, de geostrategische aspecten van de Congocrisis alsook de intern-Congolese dynamiek tijdens de gehele periode uitgebreid worden geanalyseerd. ‘Crisis in Kongo’ schetst dus het kader waarbinnen ‘De moord’ moet worden gelezen. Bijgevolg moet men, wat het door mij al gedane onderzoek betreft, met (de geraadpleegde archieven van) beide werken rekening houden. In dat verband is het niet onbelangrijk te vermelden dat ik ten behoeve van ‘Crisis in Kongo’ de VN-archieven heb onderzocht. Het spreekt vanzelf dat ik mijn nota’s, fotokopieën e.d. van mijn onderzoek in die archieven ter beschikking houd van uw commissie.

  1. Wat nog te raadplegen archieven betreft, volgt hier een niet-limitatief lijstje. Het gaat om archieven die mijns inziens essentieel zijn om het onderzoek vooruit te helpen :
  • de (tot vandaag nog steeds niet volledig geïnventariseerde) P-CRU-dossiers in de archieven van Buitenlandse Zaken
  • de gecodeerde boodschappen in de archieven van Buitenlandse Zaken (terug te vinden op de door mij geraadpleegde microfilms en in de dossiers ‘Cab 3722’ en ‘Cab 3684’). Specialisten en journalisten proberen al enige tijd om de code te kraken van enkele van die boodschappen, maar tot vandaag zijn ze daar nog niet in geslaagd.
  • de archieven van majoor Jules Loos, rechterhand van de minister van Afrikaanse Zaken. Deze archieven zijn door de weduwe van Loos overgemaakt aan kolonel Vanderstraeten van de archieven van het ministerie van Defensie.
  • de archieven van minister van Afrikaanse Zaken Harold d’Aspremont Lynden. (deze zouden (gedeeltelijk ?) in het bezit zijn van Jacques Brassinne)
  • de archieven van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny
  • de archieven van het interministeriële Congocomité van de regering-Eyskens
  • de archieven van ambassadeur Robert Rothschild (deze zouden onlangs zijn overgemaakt aan het departement van Buitenlandse Zaken)
  • de archieven van de Staatsveiligheid (olv. de heer L. Caeymaex)
  • de archieven van Ganshof Van der Meersch (actief betrokken bij de dekolonisatie en Belgische sûreté-activiteiten in de zomer en herfst van 1960)
  • de archieven van de Union Minière en de Generale Maatschappij
  • de archieven van het State Department en de CIA. Zoals u weet is een gedeelte van die archieven al onderzocht (Senaatscommissie-Church en Madeleine Kalb). Ik heb vernomen dat het State Department al enige tijd initiatieven neemt om de rest van de CIA-archieven over Lumumba open te stellen voor onderzoek.
  • de archieven van Jan R. Vanden Bloock, Etienne Davignon, Charles Van Overstraeten, Charles Magnette, René Grosjean, André Lahaye, Jean Cordy, Armand Verdickt en Louis Marlière (onlangs overleden)

c) Verder zijn ook de tv-interviews met onder meer Gerard Soete, Jacques Brassinne, Louis Marlière en Victor Nendaka van belang. Ze zijn opgenomen voor documentaires van de ARD (journalist : Thomas Giefer), de BBC (journaliste Caroline Pare, programma ‘Correspondent’) en de VRT (journalist Bert Govaerts).

Ongetwijfeld komen er nog gelegenheden om dieper in te gaan op het vraagstuk van het verhoor van getuigen/betrokkenen ; hier kan alvast worden gezegd dat er nog minstens een 25-tal personen in leven zijn van de ‘Wie is wie op 17 januari 1961?’ in mijn boek.

Steeds ter beschikking van de commissie, haar experts en haar voorzitter,

met achtingsvolle groet,

Ludo De Witte

 

21 mei 2001

Mijnheer Versnick,

In uw brief van 16 mei 2001 vraagt u me of ik nog documenten in mijn bezit heb die voor het parlementair onderzoek nuttig kunnen zijn. Staat u me toe vooraf te stellen dat ik uw zorg deel om het onderzoek van de commissie te laten steunen op alle beschikbare documenten, en dat u in dat verband op mijn volledige medewerking kunt rekenen - getuige ook mijn brieven van 21 mei 2000 (‘archieven ten behoeve van de commissie-Lumumba’), van 25 juni 2000 (‘inventaris van archiefdocumenten in mijn bezit’) en van 4 oktober 2000 (met in bijlage een nota over het belang van het onderzoek van de archieven van de veiligheidsdiensten), en mijn onderhoud met de experts van de commissie op 5 september 2000.

Sinds enkele maanden verricht ik bijkomend onderzoek over de internationale context van de Congocrisis, en meer bepaald over de koude-oorlogsaspecten ervan en de westerse (NAVO-) samenwerking tijdens de crisis. Dit onderzoek gebeurt ter voorbereiding van een nieuwe inleiding van anderstalige edities van mijn boek die in de zomer zullen verschijnen, en ter voorbereiding van een tv-documentaire over hetzelfde onderwerp. Dit onderzoek bestaat uit een herlezing van al gepubliceerde bronnen over de Amerikaanse rol in de Congocrisis, en uit nieuw onderzoek op basis van Amerikaans en Brits archiefmateriaal. Ik ben nog volop bezig met het inzamelen van nieuwe documenten. Binnen enkele weken begin ik met een inventarisatie, verwerking en analyse van dat materiaal, en ik verwacht dat dit in de loop van augustus zal afgerond zijn. Ik stel voor dat ik in de loop van augustus met u contact opneem om de resultaten van dat onderzoek te bekijken.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om u alvast enige informatie, suggesties en bedenkingen over te maken die misschien nuttig kunnen zijn voor het parlementair onderzoek.

a) in bijlage vindt u, in vraagvorm, een lijstje van ‘zwarte vlekken’ in het onderzoek.

b) in bijlage vindt u ook (de drukproeven van) de inleiding van de Engelstalige editie van mijn boek, dat binnenkort verschijnt. Daarin vindt u een eerste, voorzichtige hypothese over de Belgisch-Amerikaanse samenwerking in de crisis.

c) misschien kan bij de nabestaanden van Louis Marlière zijn exemplaar van mijn boek (Franstalige editie) worden opgevraagd? Volgens een journaliste staan daarin uitvoerige notities van de kolonel over de gebeurtenissen.

d) ik begrijp niet waarom Justin Bomboko en Etienne Tshisekedi niet voorkomen op de lijst van te ondervragen personen (lijst van 20 april 2001).

Steeds ter beschikking van de commissie,

Met hoogachting,

Ludo De Witte

Vragen (in willekeurige volgorde) over de zwarte vlekken in het Lumumba-onderzoek

1. welke geldstromen vloeiden er vanuit het kabinet van d’Aspremont Lynden naar Congo om Lumumba uit te schakelen?

2. binnen welke netwerken functioneerden de (geheim)agenten WI/ROGUE, QJ/WIN, e070/a, Pilaet, Dedeken, en welke relaties bestonden er tussen hun opdrachtgevers onderling?

3. waar is het Katangese rapport dat volgens F. Vandewalle, gezant van d’Aspremont Lynden en ‘chef occulte’ van het Katangese leger ten tijde van de moord op Lumumba, kort na de moord is opgesteld en naar Brussel is verstuurd?

4. waar zijn de archieven van de VN-commissie die in 1961 de moord op Lumumba heeft onderzocht, en waarin documenten zitten met Belgische getuigenissen en materiaal over de wijze waarop de toenmalige Belgische regering het onderzoek naar de moord heeft benaderd?

5. is er sprake van een coördinatie tussen de Amerikaanse en Belgische agenten die in de herfst van 1960 de moordoperaties tegen Lumumba organiseerden?

6. welke rol speelde het overleg op NAVO-niveau a) eind juli 1960; b) eind september, begin oktober 1960; en c) einde 1960, begin 1961?

7. wie gaf het bevel om Lumumba ‘af te maken’ als het gevaar dreigde dat hij in Maison Brouwez zou worden bevrijd? In welke mate werden de Belgische topofficieren en functionarisen in Katanga over de gebeurtenissen in Brouwez op de hoogte gehouden?

8. welke mishandelingen ondergingen Lumumba, Mpolo en Okito in Maison Brouwez? Werden ze doodgemarteld, en was de executie slechts schijn? Wat is de genese van het document-Verscheure, sleuteldocument als er van een cover-up sprake is?

9. is er bloedgeld betaald aan de Belgische deelnemers aan de gebeurtenissen van 17 januari?

10. welke rol speelden Jean Bruck en andere vertegenwoordigers van ‘de katholieke zuil’, al dan niet in samenwerking met Joseph Ileo, het Congolese ankerpunt?

11. wat schreef koning Boudewijn aan de presidenten Kennedy en De Gaulle, kort na de moord, en voor de bijeenkomst van de Veiligheidsraad van de VN van 21 februari 1961?

12. welke politieke onderhandelingen gingen aan de aanstelling van d’Aspremont Lynden vooraf?

13. welke fondsen vloeiden van de UMHK, de Forminière en de Generale Maatschappij naar Loos en de Congolese tegenstanders van Lumumba?

14. welke relatie is er tussen het Katanga-avontuur van Weber, en zijn latere carrière onder generaal Lemnitzer en Leopold III?

15. wat is er gebeurd met de stoffelijke resten van Lumumba waarvan Soete eind 1999 beweerde dat ze in zijn bezit waren?

16. welke rol speelden de verschillende Belgische veiligheidsdiensten in de Congocrisis?

17. wat staat er in de twee gecodeerde berichten uit de archieven van Buitenlandse Zaken waarvan de code niet is gekraakt, en die ik aan de experts heb bezorgd?

18. wat is er geregeld tussen Rothschild en Bomboko tijdens hun ontmoeting in Parijs op 10 januari 1961?

 

3 juli 2001

Kamer van Volksvertegenwoordigers

Aan de heer Geert Versnick,

voorzitter van de parlementscommissie

belast met een onderzoek over de moord op Patrice Lumumba

Betreft: de rapporten van de experts van 6 juni 2001

Bijlage: opmerkingen bij de rapporten

Mijnheer Versnick,

In de persberichten over de eerste rapporten van uw experts is de nadruk gelegd op de vooruitgang in het inzamelen van relevant bronnenmateriaal. De mening overheerst dat de verwachtingen gecreëerd door het vrijgeven van archieven en bestanden (Laken, Jules Loos, Rekenhof,…) niet zijn beschaamd. Verder stel ik vast dat de rapporten informatie bevatten die interessante perspectieven voor verder onderzoek opleveren - onder meer over de rol van de Sûreté, (para-)militaire netwerken, het ACV en operatie-Barracuda (door uw experts 'actie 58316' genoemd). Ik wil u daarom feliciteren voor het werk dat uw commissie tot vandaag heeft gepresteerd.

U weet dat ik uw zorg deel om de commissie alle kansen te geven om het onderzoek tot op het bot te voeren, getuige mijn vorige brieven waarin ik u informatie en suggesties voor verder onderzoek heb bezorgd. Met die constructieve instelling wil ik u in een bijlage bij deze brief enkele bedenkingen over de rapporten van uw experts overmaken. De jongste weken heeft een journalist me urenlang voorgelezen uit de rapporten. Dat heeft me een inzicht verschaft in het referentiekader en de methodologie waarmee uw experts het onderzoek aanpakken. Op basis van de stand van ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek van de Congocrisis stellen er zich enkele problemen waarover ik u mijn mening wil te kennen geven:

  • bepaalde gehanteerde premissen en hypothesen zijn verouderd,
  • sommige interpretaties zijn eenzijdig en ongenuanceerd,
  • documenten worden soms 'op zichzelf' bekeken en gewoon naast mekaar geplaatst, zodat het verhaal wordt verengd tot een cataloog van geschreven bronnen,
  • soms blijft de rol van de VN en vooral van de VS te veel uit het blikveld, hoewel men het Belgisch optreden in de Congocrisis niet kan begrijpen zonder rekening te houden met de (soms conflictuele) samenwerking tussen Brussel, Washington en New York,
  • de context van bepaalde documenten en gebeurtenissen wordt gereduceerd, zodat de capaciteit van de commissie om bepaalde feiten, uitspraken en documenten te beoordelen, wordt ingeperkt.

Wat zorgen baart, is het feit dat de mankementen in de rapporten niet leiden tot een optelsom van fouten die mekaar opheffen en uiteindelijk dus een ‘neutraal’ effect hebben, maar het verhaal vertekenen ‘ten nadele’ van de regering-Lumumba en de Congolese premier. Soms wordt het al te veel een Belgisch verhaal. Verder valt het op dat men bij de tekst vooral vraagtekens moet plaatsen als het gaat over feiten en documenten die wijzen op de betrokkenheid van de Belgische regering, individuele Belgische ministers en de Belgische gezanten in datgene wat centraal staat in uw onderzoek: commando-acties, met inbegrip van moordpogingen, tegen Patrice Lumumba.

Ik geef een voorbeeld. In het laatste punt van mijn tekst in bijlage bespreek ik twee uitdrukkingen in het Belgische telexverkeer over de ‘eliminatie’ van Lumumba. Volgens de experts gaat het in beide gevallen om ‘politieke eliminatie’, en niet ‘fysieke’ eliminatie, en ze voeren daarvoor vier argumenten aan. In de tekst leg ik uit dat één van hun argumenten geen steek houdt, en dat tegenover de drie andere argumenten drie tegenargumenten kunnen geplaatst worden die wél wijzen in de richting van een moordplan. Onrustbarend echter is het feit dat zeven argumenten die wijzen in de richting van een moordplan gewoon niet vermeld worden. Moet de commissie niet alle argumenten in handen krijgen om een genuanceerd oordeel te kunnen vellen? Dit voorbeeld roept onaangename herinneringen op aan een tv-interview van een van uw experts, die zich enkele maanden geleden geroepen voelde om in de plaats van uw commissie verregaande conclusies te formuleren over de rol van Belgische militairen in Congo en Katanga inzake de moord op Lumumba. Ik verheel niet dat dit soort van blikvernauwingen doet vrezen voor de rapporten die nog in de maak zijn.

In bijlage vindt u mijn belangrijkste bedenkingen bij de twee eerste rapporten. Er is geen hiërarchie aangebracht in de lijst; de opmerkingen zijn meestal niet thematisch gegroepeerd en er zijn geen algemene conclusies aan verbonden. Gezien het belang van de rapporten voor het onderzoek en een kritische reflectie daarop, verzoek ik u mijn brief aan de commissieleden over te maken.

Met achting,

Ludo De Witte

P.S.: Ik verneem dat in kringen van oud-officieren van de Belgische campagnes in Afrika een tamelijk recent document circuleert (auteur onbekend, zonder datum, met als titel ‘Lumumba est mort? Fatalement!’). In dat document wordt geciteerd uit een brief van Julien Gat aan Jacques Brassinne van 28 mei 1991. Afgaande op de citaten bekritiseert Gat in die brief de versie van Brassinne over de laatste uren van Lumumba, Mpolo en Okito. Is uw commissie in het bezit van de brief van Gat?

Bijlage: opmerkingen bij de rapporten van de experts

Rapport ‘Eerste fase: 30 juni 1960 - 5 september 1960’

  1. de historische context van de crisis ontbreekt. (p. 1) De oorzaken worden herleid tot punctuele acties van de Congolese regering (zie ook hieronder, punt 2). Die context is nochtans essentieel om de crisis te kunnen begrijpen: de geforceerde mars naar de onafhankelijkheid om de nationalisten de pas af te snijden en de radicalisering van de bevolking voor te zijn; de manoeuvres van Laken om de onafhankelijkheid ‘kreupel’ te maken (zie nota-Pirenne in mijn boek Crisis in Kongo); de pronostiek van Brussel dat pro-Belgische Congolese politici een parlementaire meerderheid zouden halen; de nota-d’Aspremont Lynden over zijn gesprek met Robilliart (Union Minière/Generale) over ‘de te elimineren man’ (hier in politieke zin) (Lumumba); de manoeuvres van Ganshof van der Meersch om Lumumba zijn verkiezingsoverwinning te ontfutselen en hem uit de premierstoel te houden; de eenzijdige wijziging van de Congolese grondwet om Tshombe in Katanga aan de macht te helpen (‘een wettelijke staatsgreep’ volgens Jef Van Bilsen); de commotie over beschuldigingen van verkiezingsfraude in Katanga ten voordele van de anti-nationalisten; de ontbinding, door de Belgische regering op 27 juni 1960, drie dagen voor de onafhankelijkheid, van het Comité Spécial du Katanga, de concessiehoudende maatschappij waarvan de Congolese regering, als erfgenaam van de koloniale overheid, de grootste aandeelhouder was, en tweederde van de aandelen van de Union Minière kon opeisen; de Belgische weigering om in te gaan op de vraag van premier Lumumba om kort voor de onfhankelijkheid een amnestie af te kondigen; de manoeuvres om in het ontwerp van Vriendschapsverdrag tussen België en Congo een aantal hefbomen in Belgische handen te houden (militaire bases, etc.); de intimiderende rol van het conservatieve blanke officierskorps van het Congolese leger - volgens het CRISP ‘het eerste en belangrijkste obstakel voor de onafhankelijkheid, en een groot gevaar voor [de] persoonlijke veiligheid [van Lumumba en de andere nationalisten].’; de rol van generaal Janssens die na de onafhankelijkheid de Congolese regering elke zeggenschap over (hervormingen in) het leger wil ontzeggen, als aanleiding van de muiterij; enzovoorts.
  2. de verbreking van de diplomatieke relaties tussen Congo en België op 14 juli zorgt voor ‘een ommekeer in de schoot van de Belgische regering, die actieve steun gaat verlenen aan Tshombe’. (p. 5, 17) Het is niet waar dat het standpunt van Brussel inzake Katanga (de secessie wordt op 11 juli afgekondigd) verhardt vanaf 14 juli (steun aan de secessie) (laat staan dat er sprake is van een ‘ommekeer’), en dat de Congolese regering daarvoor verantwoordelijk is:
  1. er is geen sprake van een verharding op 14 juli, alleen van een formalisering van de Belgische positie, nadat het op 12 en 13 juli duidelijk was geworden dat de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië niet van de crisis en de secessie van Katanga zouden gebruikmaken om in de koperprovincie een eigen bruggenhoofd uit te bouwen (dat was een van de constante hoofdbekommernissen van de regering en het hof in het gehele dekolonisatieproces), en na de resolutie van de Veiligheidsraad (nacht van 13 op 14 juli) waarin tot de ontplooiing van een VN-troepenmacht was besloten en waardoor de Belgische heroveringsoperaties in Congo aan herziening toe waren.
  2. de experts voeren als ‘bewijs’ voor hun stelling de toespraak van Eyskens in de Senaat van 12 juli aan, en ze voegen eraan toe dat de Belgische regering pas op 14 juli zijn ‘sympathie’ voor Katanga uitspreekt. Alleen blijkt uit voetnoot 7 (p. 16) dat de experts die toespraak van Eyskens niet gelezen hebben... Als de experts die toespraak zullen lezen, zullen ze vaststellen dat premier Eyskens daarin zijn sympathie voor Katanga uitspreekt... Samengevat: de verbreking van de Congolees-Belgische diplomatieke betrekkingen zijn niet de oorzaak van de Belgische steun aan de secessie, maar het gevolg daarvan. De Congolese regering zegde de betrekkingen op ten gevolge van een hele reeks Belgische daden van agressie tegen de Congolese souvereiniteit. Aan de basis van het Belgisch optreden liggen de (eenzijdige) beslissingen om troepen naar Katanga te sturen (9 juli, ‘s middags) en de beslissing genomen in de nacht van 11 op 12 juli om luitenant-generaal Cumont naar Congo te sturen om er, naar diens zeggen ‘Sauver des vies humaines et soutenir le Katanga’.
  1. Conclusies op basis van nog niet gezien ‘bewijsmateriaal’ komen ook elders voor. Zo staat er in de synthesetekst ‘Nota van de experts’, pp. 1-2, dat het onderzoek van het archief van de Staatsveiligheid een van de problemen vormt, maar men voegt er in een adem aan toe dat ‘men niet teveel van dat archief moet verwachten.’ Integendeel, op basis van het beschikbare onderzoeksmateriaal verwachten we heel veel van een onderzoek van dat archief. In de archieven van Buitenlandse Zaken wemelt het immers van documenten die melding maken van activiteiten van Belgische Sûreté-agenten in Congo/Katanga en van de banden met hun superieuren in Brussel. Zie in dat verband - en ik beperk me nu tot enkele voorbeelden die in de rapporten van de experts zelf staan - het overzicht van de telexen van agent Lahaye aan Brussel over een eventuele arrestatie van Lumumba in september 1960, in het tweede rapport van de experts, pp. 27-29; de problemen met de directievenstroom vanuit Afrikaanse Zaken én de Staatsveiligheid, zoals wordt aangeraakt in de telex van Marlière van 4 oktober 1960, in het tweede rapport van de experts, p. 38; en het moordplan van de pseudo-journalist ‘Bogaerts’ waarover agent Lahaye zijn superieuren informeert (tweede deel van het rapport, pp. 63-65)... Mag ik eraan herinneren dat André Lahaye, adjunct-administrateur van de Staatsveiligheid en een sleutelfiguur in de gebeurtenissen, door niemand minder dan de chef van de Belgische Sûreté (Ludo Caeymaex) naar Congo is gestuurd om er de oppositie tegen Lumumba te ondersteunen, en vanuit Afrika in rechtstreekse telexverbinding met Caeymaex stond (zie hierover het tweede rapport van de experts, pp. 39-40) , en samen met die andere sleutelfiguur Marlière één ploeg vormde (zie hierover het tweede rapport van de experts, pp. 42, en het document in Idem, pp. 43-44)?
  2. Idem voor de opmerking in de synthesetekst ‘Nota van de experts’, p. 8: ‘De experts (...) wijzen nu al op de overschatting van de veiligheidsdiensten.’ - hoewel uit een nota blijkt dat generaal Detige (kabinet Gilson) verantwoordelijk was voor 'interventions secrètes' van Defensie (Nota Durieux, in rapport over de geheime fondsen, p. 16) Voor een commentaar over de rol van de civiele en militaire inlichtingendiensten, zie de nota die ik in september 2000 aan de commissievoorzitter en de experts heb bezorgd.
  3. ‘Dat de eerste Belgische militaire interventie, in de ochtend van 10 juli, zich voordoet in Katanga, waar de Belgische economische belangen aanzienlijk zijn, is zeker geen toeval. Anderzijds zijn precies in Elisabethstad in de nacht van 9 op 10 juli de eerste blanke slachtoffers gevallen. De militaire interventie moet - in hoofde van de Belgische regering - niet begrepen worden als een uitnodiging tot secessie. In de namiddag van 11 juli verspreidt Binnenlandse Zaken een nota aan de bevriende mogendheden, waarin steun aan de secessieplannen wordt afgeraden.’ (p. 16) Verschillende elementen worden door mekaar gehaald. Het voorbeeld dat de experts geven (angst voor westerse concurrenten die van de crisis gebruik zouden kunnen maken om Brussel in Katanga als neokoloniale macht te vervangen) zegt niets over de basishouding van Brussel: steun aan het Katangese regime, als wapen tegen de regering-Lumumba, wiens afrikanisering van het Congolese leger voor Brussel een brug te ver was. (zie hierover het boek van kolonel Vanderstraeten). Verder ontbreekt in het rapport alle informatie over de secessieplannen van de Belgisch-Katangese lobby in Katanga, beraamd lang voor er van een muiterij sprake was, en over de secessieplannen die tijdens de muiterij van het ANC opnieuw opdoken - informatie die Brussel kende voor ze besloot in Katanga te interveniëren. In het rapport wordt gesuggereerd (hoewel de eerste zin van het bovenstaande citaat enigszins in contradictie is met de tweede) dat de interventie van Brussel er pas komt nadat er doden zijn gevallen. Als men het boek van Vanderstraeten goed leest (volgens de experts zelf een referentiewerk), dan stelt men vast dat eerst de beslissing tot interventie wordt genomen (9 juli ‘s middags); daarna wordt de Belgisch-Katangese lobby in Katanga geïnformeerd dat een Belgische interventie nakend is; gesterkt door die informatie maakt de Belgisch-Katangese lobby zich op voor de strijd tegen de afrikanisering van de legerkampementen in Katanga (= een beslissing van de Congolese regering en een eis van de nationalistische soldaten), want die afrikanisering zou de ruggengraat breken van de blanke officieren die Tshombe overeind hielden. Het verzet van de Belgische officieren in Katanga tegen de afrikanisering lokt een opstand uit bij de soldaten, wat leidt tot de eerste doden, en daarna tot de interventie zelf. Anders gezegd: de doden zijn een gevolg van de beslissing tot interventie, en niet de oorzaak ervan.
  4. De experts schrijven dat Lumumba en Kasa Vubu in ‘de houding van de Belgen in E’ville’ de hand van de Belgische regering zien, waarna ze de diplomatieke betrekkingen met Brussel verbreken, wat op zijn beurt een verharding van het standpunt van Brussel uitlokt. (p. 17) Het laatste zinsdeel is niet juist (zie hoger), en misschien is voor een goed begrip nuttig om de eerste twee zinsdelen even te expliciteren, want in het rapport ontbreekt essentiële informatie over de dynamiek van de interventie in Katanga en Congo. Wat Katanga betreft: de Congolese leiders zagen met recht en reden de hand van Brussel in de gebeurtenissen, getuige de heroveringsoperaties van de Belgische troepen in Katanga, de rol van Weber die Lumumba en Kasa Vubu de toegang tot Katanga ontzegt, en het feit dat de opperbevelhebber van het Belgische leger in persoon (generaal Cumont) dit soort maatregelen, inclusief de aanstelling van Weber tot een soort van proconsul in Katanga, komt goedkeuren (13 juli). De dynamiek van de interventie in de rest van Congo wordt bepaald door cruciale gebeurtenissen die in het rapport onbesproken blijven, zoals de Belgische aanval op de havenstad Matadi (11 juli), het gebaar van goede wil van Lumumba om Belgische troepen in Luluaburg toe te laten (11 juli) (afgewezen door België), de bevelen van generaal Cumont om grote centra te heroveren, Kasaï het Katangese voorbeeld te laten volgen, Kikwit ‘te bevrijden’ en Lumumba... te ontvoeren naar de Belgische basis van Kitona (bevel van 14 juli). Dit is slechts een handvol voorbeelden uit een hele reeks die een beeld schetsen van het optreden van de Belgische troepen die het groene licht hadden gekregen voor een herovering van Congo enerzijds, en van de in het algemeen beheerste, vredelievende reactie van de Congolese autoriteiten anderzijds.
  5. In het rapport ontbreekt elke informatie over de rol van het Belgische militaire apparaat - en in het bijzonder van de Belgische militaire veiligheid - in de uitdieping van de onverklaarde oorlog tegen de Congolese regering in juli 1960.
  6. In het rapport over de eerste fase zit een koude-oorlogsretoriek verweven die de confrontatie met de historische bronnen niet doorstaat:
  1. de dreiging van Lumumba om met de hulp van bevriende Afrikaanse troepen (Ghana/Guinea) en gesteund door Moskou met militaire middelen een einde te stellen aan de secessies zou op een nieuwe ‘Koreaanse oorlog’ uitlopen. Wie een blik werpt op de kaart van Afrika en rekening houdt met de militaire mogelijkheden van de Sovjetunie in 1960, ziet dat de vergelijking met Korea niet opgaat. Naarmate documenten vrijkomen, blijkt dat het westerse blok en de leiding van de VN dat ook goed wisten: er is een wereld van verschil tussen de koude-oorlogstaal (gebruikt om de publieke opinie in het Westen voor de onverklaarde oorlog tegen de Afrikaanse nationalisten te mobiliseren) en wat de westerse strategen werkelijk dachten. Essentiële informatie om propaganda en schijn van de werkelijkheid te onderscheiden en een analyse van de geostrategische context ontbreken, maar de koude-oorlogsbril wordt wel al opgezet en er worden al impliciete conclusies getrokken (ivm. de rol van Moskou en de collusie tussen de Congolese nationalisten en Moskou).
  2. de enige referenties in het rapport voor een analyse van de geostrategische context zijn het Church-rapport (volledig toegespitst op de CIA-rol) en het boek van M. Kalb. Zowel het rapport als het boek zijn erg waardevol, maar ondertussen wel al gedateerd, want ze steunen op onderzoek dat resp. 26 en 20 jaar geleden is afgesloten; ondertussen is veel nieuw materiaal vrijgekomen.
  3. ‘Wanneer Lumumba op 22 augustus beslist met het ANC en Sovjet-steun een einde te maken aan de secessie van Zuid-Kasaï en Katanga, is zijn politieke lot bezegeld.’ (p. 41) In werkelijkheid was het geen beslissing van Lumumba maar van de Congolese regering; is de zinssnede ‘met Sovjet-steun’ tendentieus want de Congolese regering deed beroep op alle hulp, inclusief Afrikaanse, en eiste daarvoor alle beschikbare materiaal op, met inbegrip van de Sabena-toestellen; was zijn politieke lot al voor 22 augustus bezegeld, cfr. de opdracht van premier Eyskens om Lumumba af te zetten en de beslissing van de National Security Council om de CIA op Lumumba af te sturen - beide beslissingen dateren van 18 augustus. De stelling dat de ‘Sovjet-connectie’ van Lumumba zijn lot heeft bezegeld, overtuigt niet.
  4. ‘het ultimatum van Lumumba aan de VN en zijn beroep op de Sovjet-Unie van 17 juli’ (p. 47): Lumumba deed geen ‘beroep’ op Moskou; hij dreigde er alleen mee dat, als het Westen en de VN geen einde stelden aan de Belgische interventie, hij een beroep zou doen op de Sovjet-Unie. Dat paste in het kader van zijn beleid van ‘positief neutralisme’ - steun aanvaarden van gelijk wie, op voorwaarde dat die steun onvoorwaardelijk is.
  5. In het rapport worden de volgende redenen opgesomd die moeten verklaren waarom de Belgische regering beslist om de regering-Lumumba actief te gaan bestrijden: ‘de toenadering van Lumumba tot de Sovjet-Unie en de dreigende oorlog tussen Congo en België’, op 13 juli ‘de verklaring van de Sovjets in de VN [die] aan de Congo-crisis een nieuwe wending geeft en minister Kashamura op radio-Leopoldstad een felle anti-Belgische campagne begint’, en op 14 juli Lumumba en Kasa Vubu ‘een rechtstreeks beroep doen op de Sovjet-Unie’ (pp. 52-53) Wat dat laatste betreft is er geen sprake van een ‘rechtstreeks beroep’, maar wel van een dreiging om dat te doen als de VN en het Westen zelf niet optraden. De Sovjets draaien trouwens bij en keuren de VN-operatie goed in de nacht van 13 op 14 juli. In het rapport lezen we dat het Congo-comité op 14 juni, om 5.30 uur ‘s ochtends, samenkomt, ‘gealarmeerd door het Congolese ultimatum’ (p. 53); in werkelijkheid staan de nachtelijke besprekingen van de Veiligheidsraad in New York centraal. De ‘anti-Belgische campagne’ van de Congolese radio is niet de oorzaak van de actieve strijd van Brussel tegen Lumumba, maar het gevolg ervan - tgv. de Belgische heroveringsoperaties (Matadi, Leopoldstad, etc.). De reacties van de Congolese radio en regering waren trouwens erg beheerst na de aanval op Matadi (11 juli); pas nadien verscherpte de toon, toen de Congolese regering merkte dat de operaties van het Belgisch leger de vorm begonnen te krijgen van een militair bezettingsregime.
  6. In het rapport schrijven de experts dat uit verklaringen van 14 juli van minister Wigny en NAVO-ambassadeur De Staercke blijkt dat ‘hun oppositie tegen Lumumba steunt op de vrees voor de « sovietisatie » van het Congolese regime.’ (p. 60) De experts zwijgen over de sarcastische opmerkingen van kolonel Vandewalle over de verzinsels van ‘het communistisch complot’. Ze schrijven wel dat het ‘moeilijk’ is vast te stellen in welke mate er sprake is van realiteit dan wel van propaganda. Uit de lijst van alle vervalste documenten die in die dagen aan de lumumbisten werden toegeschreven en waarin hun Moskou-connectie werd ‘aangetoond’, blijkt hoe wanhopig Brussel op zoek was naar voorwendsels om haar inbreuken op de Congolese soevereiniteit te rechtvaardigen. Het gezwaai met de vlag van de strijd tegen het communisme creëerde ruimte voor extreem-rechtse, anti-communistische milieus, die, al dan niet met officiële steun, Lumumba te lijf gingen. Wijzen op het dreigende communistische gevaar was ook een uitstekend middel om de NAVO-bondgenoten tot actieve solidariteit met Brussel in haar strijd tegen Lumumba te bewegen.
  7. De experts citeren uit een nota van d’Aspremont Lynden van 20 juli, waarin hij het optreden van de regering-Lumumba ziet als onderdeel van een communistisch complot dat ertoe moet leiden dat ‘Dans deux ans toute l’Afrique noire sera sous l’influence de l’Est.’ De commentaar van de experts luidt: ‘Daaruit kan slechts één conclusie getrokken worden. De regering-Lumumba is een gevaar en moet bestreden worden.’ (pp. 61-62) Het omgekeerde is waar: Brussel oordeelde dat de regering-Lumumba een gevaar was dat moest worden bestreden, en daarom was het nuttig om de Congolese regering af te schilderen als communistisch. Want men kon de publieke opinie, de NAVO en extreem-rechtse schoktroepen gemakkelijker mobiliseren voor de strijd tegen ‘de Russische beer’ dan voor een strijd tegen een regering die opkwam voor nationale soevereiniteit en een consequente dekolonisatie, waarbij de koloniale superwinsten en koloniale uitbuiting in het gedrang kwamen. Daarom was het nuttig om de muiterij van het Congolese leger af te schilderen als onderdeel van een lumumbistisch complot om de Belgische kaders in Congo te kunnen vervangen door technici uit het Oostblok. Zelfs de verkrachtingen van blanke vrouwen waren een onderdeel van dat complot, zo werd in een officiële Belgische brochure gesuggereerd! Een spoor van een complot is nooit gevonden.
  1. De aanstelling van d’Aspremont Lynden tot minister van Afrikaanse Zaken (september 1960) is ‘de keuze van Eyskens, die door de koning met sympathie zal zijn onthaald.’ (p. 42) Het volstaat de memoires van Eyskens aandachtig te lezen om te zien hoe de aanstelling van een ‘harde Katangees’ (Dubuisson of als tweede keus d’Aspremont Lynden) een gemeenschappelijk initiatief is van Eyskens én Laken, doorgedrukt via een forcing van beiden op 31 augustus, 1 september en 2 september 1960.
  2. De toestand in Congo in juli 1960 wordt zo beschreven: ‘het economisch leven is grotendeels stilgevallen’; ‘het land zinkt weg in chaos en anarchie’; ‘geweldpleging is aan de orde van de dag en in belangrijke delen van het land heerst burgeroorlog’ (p. 46) Deze beschrijving roept echo’s op van de ‘congoliseringspropaganda’ van weleer: de ‘chaos’ veroorzaakt door ‘onbekwame’ Congolezen was immers de officiële rechtvaardiging voor de Belgische bemoeienissen. Deze beweringen zijn zwaar overdreven of onjuist. Zo is het bijvoorbeeld niet juist dat de blanken en masse vertrokken. De blanken tewerkgesteld in de privé-sector reageerden anders dan de ambtenaren op de muiterij van het Congolese leger van juli: de eerste bleven, de tweede vertrokken. De ambtenaren werden aangemoedigd om Congo te verlaten en hun werd een reïntegratie in België beloofd. Tussen 30 juni en 28 juli 1960 verlieten 38.000 blanken, onder wie 9000 mannen, het land. De exodus beperkte zich tot ongeveer 40 % van de blanke kolonie, en tot minder dan een kwart van de mannen. Een meerderheid van de blanken in Kongo had de exodus dus aan zich voorbij laten gaan, in tegenstelling tot wat de media suggereerden. De ‘chaos’ nam nadien, in augustus, september en oktober 1960 wél scherpere vormen aan, toen de sabotage van Lumumba’s Congo op kruissnelheid kwam. Bovendien moet men zaken als ‘de blanke exodus’ (of andere aspecten, zoals de burgeroorlog tussen Lulua en Baluba in de Kasaï) in historisch perspectief zien: beide fenomenen waren al voor de onafhankelijkheid, onder Belgisch bewind, een realiteit...
  3. ‘In juli en augustus vallen [in de Kasaï] duizenden doden in twisten tussen Lulua en Baluba en nadien in de militaire confrontatie tusen het ANC en de afgescheiden Baluba-staat Zuid-Kasaï.’ (p. 46) Dit amalgaam werd ook in 1960 gebruikt. De duizenden doden ten gevolge van de etnische tegenstellingen in de Kasaï (begonnen ten tijde van de kolonie, en in het begin zelfs aangewakkerd door koloniale krachten, zie hierover mijn boek ‘Crisis in Kongo’) en van de hongersnood in Zuid-Kasaï (na de exodus van de Baluba, op gang gekomen ten tijde van Belgisch Congo en uitgediept na de afkondiging van de secessie) worden op één hoopje gegooid met de enkele tientallen doden (betrouwbare bronnen zoals een Le Monde-journalist hebben het over 51 tot 70 doden) die onder de burgerbevolking vielen bij de inname van Zuid-Kasaï door het ANC. Dat amalgaam werd in 1960 door VN-secretaris-generaal Hammarskjöld gebruikt om de poging van de regering-Lumumba om haar soevereiniteit over Zuid-Kasai te herstellen, tot staan te brengen. Hammarskjöld sprak van een ‘ontluikende genocide’ in Bakwanga. Volgens het VN-Handvest kon hij de blauwhelmen een actieve rol opdragen in het geval van genocides e.d., en de VN-macht kreeg de opdracht zich als buffer tussen de Congolese troepen en het regime van Zuid-Kasai te plaatsen.
  4. De basis van de tegenstelling tussen Kasa Vubu en Lumumba (en de coup van september) wordt zo uiteengezet: ‘Dit in wezen Belgische systeem - met als kenmerken het onderscheid tussen staatshoofd en premier, de parlementaire regering en het tweekamerstelsel - correspondeerde niet met de traditionele Congolese vormen van gezagsuitoefening.’ (p. 47) Men vergeet dat de tegenstellingen die er tussen de president en de premier bestonden voor de onafhankelijkheid, na de Belgische interventie op het achterplan geraakten: uit documenten en getuigenissen blijkt dat het verzet van Lumumba tegen de Belgische interventie zijn populariteit bij de Congolese bevolking alleen maar deed groeien en dat Kasa Vubu met dat verzet akkoord ging; dat in de gehele periode dat Lumumba premier was, met inbegrip van de dagen tot aan de coup van Kasa Vubu, de Belgische interventie en de Katangese secessie de centrale, zo niet enige punten waren op de Congolese politieke agenda; dat Kasa Vubu, als hij al zou hebben gewild om zich op eigen kracht tegen Lumumba af te zetten, daarmee politieke zelfmoord zou hebben gepleegd, gezien de populariteit van de premier. Als Kasa Vubu zijn coup van 5 september heeft kunnen doorvoeren, dan was het uitsluitend omdat het buitenland (in de eerste plaats de VN, met de hulp van de VS) aan de touwtjes trok.
  5. Volgens de experts heerst er vanaf 6 juli 1960 ‘een grondig en wederzijds wantrouwen tussen premier Lumumba en de Belgische regering (...) Reeds op 6 juli beweert Lumumba dat de muiterij het gevolg is van een Belgisch complot en dat bepaalt uiteraard zijn relatie met de Belgische autoriteiten.’ (p. 51) De suggestie dat Lumumba aan de basis ligt van de ‘psychologische’ breuk tussen Leo en Brussel, staat haaks op de realiteit, cfr. zijn oproep om niet-racistische Belgische officieren als raadgevers in het Congolese leger te houden (8 juli); het gebaar van goede wil van Lumumba om Belgische troepen in Luluaburg toe te laten (11 juli) (afgewezen door België); de beheerste reactie van de Congolese autoriteiten op de Belgische poging om Matadi te veroveren (11 juli); de vele positieve uitspraken van Lumumba over de Belgen, België en de Belgisch-Congolese samenwerking in juli en augustus; enzovoorts, versus de vijandige houding van Brussel tegenover Lumumba in de gehele periode.
  6. De houding van Justin Bomboko wordt in positieve bewoordingen beschreven. Hij is iemand die ‘zonder de Congolese belangen uit het oog te verliezen, de band met België wil behouden’ en door ‘zijn tussenkomsten tot bescherming van Belgische vluchtelingen’ de Belgische regering ‘vertrouwen’ inboezemt. Impliciet wordt zijn optreden tegenover dat van Lumumba geplaatst. (p. 52) Deze apologie après-coup staat haaks op de realiteit. Lumumba’s acties ten voordele van Belgische vluchtelingen moet niet onderdoen voor die van Bomboko, wel integendeel. Eigenlijk nemen de experts met dit soort van bewoordingen de officiële Belgische rechtvaardiging voor de Belgische militaire interventie in Congo gewoon over: de bescherming van blanken was het hoogste criterium bij de uitstippeling van het beleid. In dat verband moet worden vermeld dat die interventie anti-humanitaire effecten heeft opgeleverd, zoals voorspeld was door de Belgische ambassadeur en Belgische officieren van het Congolese leger. De meerderheid van de verkrachtingen van blanke vrouwen zijn gebeurd na de Belgische interventie en de aanval op Matadi; de rust in de kampementen van het Congolese leger keerd weer na de afrikaniseringsmaatregelen van de Congolese regering, nog voor de Belgische interventie een feit was.
  7. De experts spreken over een Katangees moordplan tegen Lumumba. Ze verwijzen naar een bevel van Katangees minister Munongo van 13 augustus 1960 waarin wordt gezegd dat Lumumba moest verdwijnen als hij in Katanga zou willen binnendringen. (pp. 108-109) Als men het document aan een grondige historische kritiek onderwerpt, komt men tot het besluit dat het eigenlijk om een Belgisch-Katangees moordplan gaat, met de nadruk op het Belgische aandeel:
  1. het bevel is gericht aan de legercommandanten van Albertville, Kabalo, Kongolo en Manono. In die dagen werd de orde in Katanga gehandhaafd door meer dan 2000 Belgische gevechtstroepen; het Katangese leger was nog zo goed als onbestaande; het commando van de legereenheden was (zoals ook nadien) in handen van Belgische officieren. ‘Des forces belges assuraient encore l’ordre partout’, schrijft Vandewalle (Mille et quatre jours, II, p. 216), en op 23 augustus moesten er nog Belgische para’s (gelegerd op de basis van Kamina) naar Albertville worden gestuurd om nationalistiche opstootjes de kop in te drukken.
  2. Vandewalle, die het bevel van 13 augustus parafraseert, vermeldt niet de opdrachtgever... (Mille et quatre jours, II, p. 201)
  3. In de archieven van Buitenlandse Zaken bevindt zich telex 51718 van Weber aan majoor Crèvecoeur (in een reeks van boodschappen van medio augustus, zonder datum): ‘Lumumba préparerait dans délai rapproché une certaine action militaire contre Katanga. Prendre toutes mesures sécurités possibles. Vous rappelle Sabena mettra à votre disposition deux CESNA pour observation frontières. Arrive demain Eville huit heures. Weber’ (Arch. Buitenlandse Zaken) Het document-Munongo heeft het over mogelijke Cesna-vluchten in en naar Katanga, wat doet vermoeden dat het document-Weber voor of gelijktijdig met het document- Munongo is totstandgekomen.
  4. Tekenend over hoe ‘Katangees’ het Katangese leger wel was, is de telex van d’Aspremont Lynden (E’ville) aan Wigny/Gilson/Schöller van 20 augustus over de positie van een Belgische kolonel in de Katangese gendarmerie: ‘3. M’étonne que colonel Matterne qui a été démis de son commandement par président Cocem [generaal Cumont] se croit encore habilité à donner des ordres. Aspremont’ (Arch Buitenlandse Zaken) Het hoofd van Mistebel beklaagt zich bij de Belgische politieke en militaire autoriteiten over de positie van een officier van het ‘Katangese leger...

Rapport ‘Tweede fase: 5 september 1960 - 10 oktober 1960’

  1. De experts parafraseren een boodschap van ‘davwe’: ‘Reeds op 3 september signaleren de Belgische diplomaten Davignon en Westhof dat het weinig waarschijnlijk is dat Lumumba het spel van de democratische oppositie zal spelen als zijn regering omver wordt geworpen. Zij houden rekening met een gewelddadige reactie’ (p. 24) Dit is de rechtvaardiging die minister Wigny gebruikt om te stellen dat Lumumba onschadelijk moet worden gemaakt. In het rapport wordt daar niet meer over gezegd, hoewel enige kanttekeningen op hun plaats zijn. Lumumba verdedigde het standpunt dat hij premier blijft zolang het parlement hem het vertrouwen schenkt. Is het correct om de geschiedschrijving op te hangen aan de rechtvaardiging van zijn tegenstanders, en Lumumba’s houding te beschrijven als een weigering om ‘het spel van de democratische oppositie te spelen’? Belgisch premier Gaston Eyskens weigerde begin augustus 1960 om op aandringen van Laken de plaats te ruimen voor een zakenkabinet. Eyskens nam dus het standpunt in dat Lumumba een maand later ook zou innemen. Zouden de experts de houding van Eyskens ook omschrijven als een weigering om ‘het spel van de democratische oppositie te spelen’? Zou het niet correcter zijn om deze omschrijving te zien voor wat ze is, dat is: een rechtvaardiging om desnoods met geweld de aanhangers van de Congolese legaliteit te bestrijden?
  2. In het rapport staat er: ‘De arrestatie van Lumumba geraakt ook vrij snel verweven met de kwestie van de persoonlijke veiligheid van de commissarissen zelf. Omdat de tegenstellingen steeds meer een gewelddadig karakter krijgen, aanleiding geven tot molestaties van wederzijdse aanhangers, groeit ook de vrees voor de persoonlijke veiligheid.’ (p. 30) Zoals in punt 1) hierboven, worden rechtvaardiging en realiteit, oorzaak en gevolg en kwalitatief verschillende acties (afzettingsmaatregel Kasa Vubu en reactie Lumumba) op één hoopje gegooid. De gezanten van Brussel op het terrein rechtvaardigen de arrestatie van Lumumba (of erger) als preventieve maatregelen om geweld te ‘voorkomen’. Men kan de analyse echter niet beperken tot de reproductie van de standpunten van één van de partijen in het conflict. Moet men niet beginnen met het begin, en het ongrondwettelijk karakter van de afzettingsmaatregel van Kasa Vubu uiteenzetten?
  3. Na zijn coup van 14 september 1960 aarzelt Mobutu om Lumumba te arresteren. De experts verklaren dit door te verwijzen naar ‘een zeker respect’ van ‘de nationalist Mobutu’ voor zijn ex-patron, maar vooral naar ‘het verzet van de Ghanese VN-troepen, en de invloed van de Marokkaanse VN-generaal Kettani op Mobutu’. (p. 31) Deze verklaring is een echo van het officiële Belgische discours van die dagen, waarin de VN wordt voorgesteld als partijdig; als eerder pro-lumumba. Hoewel fracties van de VN-macht (vooral de gewone soldaten van Afrikaanse contingenten) achter Lumumba stonden, en Ghanese blauwhelmen een rol speelden in de bescherming van Lumumba, kort na Mobutu’s coup, is het algemene beeld van het beleid van de VN en van de gevolgen daarvan op Mobutu’s politiek niet correct.

In werkelijkheid:

(a) zochten de VN-leiders, die eerst Kasa Vubu hadden geholpen Lumumba af te zetten, naar een formule om Lumumba politiek uitgeschakeld te houden zonder dat de VN tegenover de internationale gemeenschap in een moeilijke situatie zou terechtkomen. Die formule zou kort nadien worden gevonden, toen Lumumba’s huisarrest iedereen blij maakte: het Westen (dat zo Lumumba politiek uitschakelde) én de VN (die hem officieel beschermden tegen een arrestatie door de troepen van Mobutu)

(b) was Mobutu’s houding in die dagen vooral ingegeven door zijn fundamentele zwakte. Hij wierp zich op als een neutrale scheidsrechter die boven het dispuut tussen de politici (Kasa Vubu en Lumumba) en hun aanhangers in het leger stond, precies omdat de nationalistisch gezinde militairen nog zo invloedrijk waren. Amper drie dagen na zijn coup werd Mobutu aan zijn intrinsieke zwakte herinnerd, toen de CIA hem waarschuwde voor een moordcomplot dat nationalistische militairen, onder leiding van majoor Pakasa, tegen hem beraamden. Met de hulp van VN-militairen werd Pakasa gearresteerd. Op 20 september werd er op Mobutus residentie geschoten; op 23 september belegerden 400 soldaten zijn residentie, en eisten zij hun soldij op. VN-topman Dayal zei over Mobutu: ‘Mobutu is de zwakste sterke man die ik ooit heb ontmoet’.

4) In het rapport wordt gesuggereerd dat minister Wigny’s waarschuwing voor een verzoening van anti-lumumbistische Congolezen met Lumumba (26 september) was ingegeven door Bomboko’s uitspraak dat Lumumba ‘een misdadiger’ is (p. 32) De actieve rol van Wigny in de strijd tegen Lumumba in de zomermaanden van 1960, het feit dat een week later Wigny zelf onderhandelingen met Lumumba bestempelt als ‘uiterst gevaarlijk’ in zijn correspondentie met... Bomboko (p. 32) en de werkelijke krachtsverhoudingen tussen Wigny en Bomboko, maken deze suggestie ongeloofwaardig. De werkelijke reden is het besef (in Brussel én Washington) dat de coup van Mobutu het probleem niet heeft opgelost: de positie van de kolonel blijft wankel, en het ziet er niet naar uit dat de VN een arrestatie van Lumumba zal toestaan. Daarom zal Marlière enkele dagen later operatie-Barracuda opnieuw op de dagorde plaatsen.

5) In de telex van Loos aan Marlière van 1 oktober 1960 staat dat Lumbala ‘proclame sa volonté de voir disparaître Lumumba physiquement et d’éliminer Kasavubu.’ (p. 35) Het is moeilijk te begrijpen waarom de experts uit deze ‘eerste expliciete vermelding van wat als moord kan worden bestempeld’ (dixit de experts zelf) niets besluiten over de houding van Brussel. (De commentaar van de experts staat op pp. 33-34 en p. 85). Loos vermeldt Lumbala’s voornemen in zijn telex zonder daaraan een expliciete commentaar te verbinden. Als Loos tegen een moordpoging zou zijn geweest, is zijn stilzwijgen vreemd: in dat geval had hij dat vermeld in zijn telex, en had hij Marlière opgedragen om Lumbala in die zin onder handen te nemen. Dat laatste is niet onbelangrijk, want uit de telex blijkt dat er contacten waren tussen Lumbala en Marlière, en een eventuele moordaanslag door Lumbala zou ook België, via zijn contacten met Marlière, kunnen compromitteren. De reactie van Loos daarentegen is van een heel andere orde: hij vraagt Marlière om zijn mening, en meldt ook dat Lumbala wil worden gefinancierd. Het is dus aannemelijk dat Loos niet gekant was tegen een moordaanslag op Lumumba, zelfs als dat impliceerde dat, als de zaak zou worden ontdekt, op een of andere wijze België zelf in diskrediet kon worden gebracht, gezien de relaties van de complotteurs met Brussel of haar gezanten. Dit alles is niet zonder belang bij de interpretatie van andere documenten, o.a. van het antwoord van Marlière over het manoeuvre ‘visant mise hors circuit Lumumba’ (zie verder)

6) In een telex van Marlière aan Loos van 13 september is er sprake van een onderhoud met Joseph Ileo, die vreest dat het leger niet de kant van Kasa Vubu en Ileo zal kiezen. Marlière raadt aan gelijktijdig twee operaties op te zetten: a) generaal Lundula het bevel geven om de kant van Kasa Vubu te kiezen en Lumumba te laten vallen; als Lundula dat weigert, hem afzetten; en b) voor het geval dat (a) mislukt, vraagt Marlière aan Loos om ‘m’envoyer deux délégués surs pour organiser coup de main’. Vu évolution rapide situation il serait souhaitable que nous disposions rapidement sur place [wapens en munitie] (...) Ne les céderons qu’en toute dernière extrémité et à coup sur.’ In het rapport lezen we dat de ‘coup de main’ ‘waarschijnlijk [is] gericht op het disciplineren van de Force Publique’. (telex pp. 46-47, commentaar pp. 44-45 en 47) Die interpretatie is onwaarschijnlijk:

a. de inhoudelijke elementen wijzen op een commando-actie - hoe zou men met wapens en twee afgevaardigden uit België het Congolese leger kunnen ‘disciplineren’?

b. de militaire betekenis van ‘coup de main’ wijst op een commando-actie: ‘attaque exécutée à l’improviste, avec hardiesse et promptitude’ (Robert); ‘attaque brusque et hardie’ en ‘opération militaire locale menée par surprise sur un objectif limité’ (Larousse); ‘overrompeling, aanslag’ volgens van Dale.

c. de wapens waarvan sprake (‘le colis demandé’) zijn wellicht dezelfde als deze die zijn gevraagd op... 5 of 6 september door... Youlou (Brazzaville) (zie hiervoor de telex van Dupret van 6 september, in het rapport, p. 45). Wat zou de rol van Brazzaville kunnen zijn in het ‘disciplineren’ van het Congolese leger, en hoe zou men daarvoor 20 mitrailletten inzetten? Men kan veilig veronderstellen dat de wapens te maken hebben met de bekommernis om na de coup van Kasa Vubu de comeback van Lumumba kost wat kost te beletten - een comeback die in de periode 5 tot 13 september, na de parlementszittingen, imminent leek.

d. in een ander bericht, van 13 oktober, heeft men het opnieuw over de ‘coup de main’. Daaruit blijkt ondubbelzinnig dat het gaat om een commando-actie tegen Lumumba: ‘de Belsulat Brazza a Belext Bru. Télégr. 655 du 13/10/1960. rpt Minaf et Mistebel Eville. Avons ce jour entretiens interessants avec Cordy. Il en resulte primo Bomboko tres tendu est entierement preoccupe par conflit avec ONU suite refus laisser arreter Lumumba. (...) avis Cordy etre de maintenir blocus [rond de residentie van Lumumba] temps maximum compatible avec necessite de ne pas perdre la f[a]ce et entretemps de faire organiser coup de main par petit commando independant de Force Publique. (...) Dupret-Westhof’ (Arch. Buitenlandse Zaken)

e. dat het om een commando-actie gaat, blijkt ook uit de rol van de hoofdpersonen in de telexen in die dagen over wapenleveringen: Youlou en Ileo. De antinationalistische scène in Leopoldstad en Brazzaville was niet groot: een tiental Congolese leiders werkten samen met de Belgische ploeg Marlière-Lahaye en het CIA-team van Lawrence Devlin, en Ileo en Youlou waren spilfiguren van de antilumumbistische actie. De lange lijst van vrijgegeven CIA-documenten kunnen ons dus veel leren over de ontwikkelingen en de protagonisten van de Congolese scène. Op 15 september - 3 dagen nadat Ileo aan de Belgen wapens had gevraagd en 2 dagen nadat Marlière met Ileo had overlegd - stuurde de chef van de CIA in Leopoldstad Devlin een boodschap naar zijn superieuren: 'the Station Officer reported that he was serving as an advisor to a Congolese effort to "eliminate" Lumumba (…) [Devlin] concluded: "Only solution is remove him from scene soonest."' (uit het Church-rapport, p. 17) In de CIA-documenten wordt gesuggereerd dat de centrale spil van de plannen voor de Congolese aanslag op Lumumba… Ileo was. In een Cable van CIA Leo to Headquarters van 7 september staat er: ‘To [Station officer Devlin’s] comment that Lumumba in opposition is almost as dangerous as in office, [a high-level Congolese politician] indicated understood and implied might physically eliminate Lumumba.’ Deze ‘politician’ is ongetwijfeld Ileo, ‘premier’ van Kasa Vubu na de coup van 5 september, want in de boodschap staat ook dat Devlin deze ‘politician’ had aangeboden te helpen ‘in preparation new government program’. Op 17 september bespraken een CIA-agent en een Congolees senator de toestand. In een boodschap schreef de agent: '[Congolese senator] requested clandestine supply small arms to equip (…) troops recently arrived [Leopoldville] area (…) [The senator] says this would provide core armed men willing and able take direct action (…) [senator] Reluctantly agrees Lumumba must go permanently.' Op 21 september liet VS-ambassadeur in Congo Timberlake in een boodschap aan Washington weten dat Youlou had benadrukt dat ‘Lumumba must be permanently removed’. In de boodschap staat ook dat Youlou de activiteiten van Ileo financierde. (doc in M. Kalb) Richard Mahoney, die tientallen vertrouwelijke interviews afnam van Amerikaanse en Belgische actoren in de Congocrisis, schrijft in zijn doctoraat: ‘Arms were distributed to at least one of Lumumba’s opponents, a Congolese senator, for purposes of assassination.’ Die senator is wellicht Ileo.

7) In het hoofdstuk ‘Analyse van het telexverkeer tussen Brazzaville en Brussel’ (pp. 44 e.v.) worden telexen en andere documenten achter mekaar geplaatst zonder de verbanden tussen die documenten uit te diepen. Het gaat om documenten uit een korte periode: grosso modo van 5 september tot 15 oktober. Deze periode is cruciaal in de strijd tegen Lumumba: het is de periode van de coup van Kasa Vubu, waarbij Lumumba wordt afgezet maar dreigt terug aan de macht te komen; de periode wordt afgesloten nadat op 10 oktober een dubbel cordon rond Lumumba’s residentie is gelegd en in de dagen nadien duidelijk wordt dat dit van de ex-premier een feitelijke gevangene maakt. In die korte periode worden een reeks telexen gestuurd die het allemaal hebben over ‘actions’ (geplande en lopende), met steeds weerkerende codewoorden en steeds dezelfde protagonisten (Loos, Marlière, Pilaet, Van Gorp, Dedeken). Deze documenten hebben te maken met commando-acties - van Belgische en Congolese makelij - waarbij de uitschakeling van Lumumba op de agenda staat. Want is het niet betekenisvol dat dit telexverkeer stilvalt na Lumumba’s feitelijk huisarrest, d.w.z. in de dagen dat het duidelijk wordt dat Lumumba (althans voorlopig) politiek uitgeschakeld lijkt? Op 10 oktober is de hoogdringendheid van een actie weggenomen, maar het gevaar blijft sluimeren: Lumumba’s aanhangers hergroeperen zich in het Oosten van het land voor een tegenoffensief. Een definitieve oplossing blijft nodig. De (Belgische en Congolese) ‘actions’ geraken op het achterplan, maar... de CIA neemt het roer over en brengt haar operatie om Lumumba te elimineren in een hogere versnelling. In die dagen voert de CIA het plan af om Lumumba ‘indirect en vanop afstand’ te doden - met gif, of via een 'autonome Congolese actie - als een moeilijk haalbaar project, en wordt het licht op groen gezet om een CIA-doder op Lumumba los te laten (CIA-agent ‘QJWIN’ komt op 21 november aan in Congo). Dat wijst erop dat er sprake was van een of andere vorm van Amerikaans-Belgische coördinatie van de commando-acties - wat logisch zou zijn, gezien de samenwerking op het terrein tussen de ploeg Marlière-Lahaye en Devlin (CIA Station).

De verbanden tussen de verschillende documenten liggen voor het rapen. ‘Actie 58316’ (telex 583 van 16 september) (pp. 47-48) en de telexen waarin de codenaam ‘barracuda’ voorkomt (pp. 55-58) zijn documenten die betrekking hebben op dezelfde activiteiten van Brussel en haar gezanten om kost wat het kost Lumumba van de macht verwijderd te houden, nadat met de coups van 5 en 14 september de anti-nationalisten en hun westerse bondgenoten de Rubicon zijn overgestoken (de coups zijn open oorlogsverklaringen en daden van hoogverraad die, als Lumumba ze ongedaan kan maken, zware repercussies zouden hebben voor hun auteurs en hun westerse bondgenoten).

De 2 ‘délégués surs’ of ‘les deux enfants’ waarvan sprake in punt 6) komen ook ter sprake in de telex van Loos van 14 september (zoals ook de experts schrijven, p. 45). Dat is eveneens het geval in een telex van Loos aan Brazza van 13 of 14 september (Arch. Buitenlandse Zaken), waarin verder nog sprake is van de wapenlevering ( via een Sabena-toestel, ‘vol 522’) (de details van de levering staan in het rapport, p. 46) die verband houdt met de vraag van Youlou (zie voor die vraag het rapport, p. 45). In een telex van Loos aan Marlière van 1 oktober komen de wapenleveringen opnieuw ter sprake (zie het rapport, p. 66) Verder komen ‘de twee kinderen’ én commandant Dedeken ook voor in de documenten over Barracuda.

Er zijn dus goede argumenten om aan te nemen dat er verbanden zijn tussen de documenten over ‘actie 58316’/‘barracuda’, de ‘missie-Pilaet’, de operatie-Dedeken en de documenten over de wapenleveringen en de ‘coup de main’. De experts schrijven dat het ‘aannemelijk’ is dat (enkele van) deze operaties met mekaar te maken hebben, maar ze sluiten zo goed als uit dat daarbij de fysieke eliminatie van Lumumba zou zijn beoogd. (rapport, p. 47) Om de verbanden tussen de verschillende operaties door te knippen, steunen de experts op twee hypothesen: (a) de ‘coup de main’ is een ‘disciplinering’ van het Congolees leger, en (b) de operatie-Dedeken is een gewone ontvoeringsoperatie. Verder worden (c) de missie-Loos-Vervier en hun ontmoeting met Marlière in Pointe Noire van 10 oktober en (d) de missie-Pilaet niet in de analyse opgenomen. (a) heb ik hierboven besproken, in punt 6; (b), (c) en (d) komen hieronder aan bod, resp. in punten 9, 8 en 10.

8) De experts schrijven dat de missie-Loos-Vervier en de ontmoeting van Loos en Vervier met Marlière in Pointe Noire van 10 oktober te maken heeft met de ‘action prévue’. Loos had geschreven dat Marlière de actie moest coördineren, maar dat de minister het groene licht zou geven - tenzij in geval van hoogdringendheid. Over wat hebben Loos, Vervier en Marlière gesproken? De experts schrijven: ‘wij kunnen de antwoorden alleen maar gissen’. (p. 48) Marlière heeft nochtans aan de Duitse tv (ARD-documentaire van 1 november 2000) verklaard dat Loos en zijn medewerker (Vervier dus) hem een ‘tueur de crocodiles pour descendre Lumumba’ zijn komen aanbieden. Waarom wordt dit niet vermeld? Als dit niet is gebeurd om Vervier onverhoeds te kunnen ondervragen over deze ontmoeting van 10 oktober, tijdens zijn ondervraging door de commissie (wat vreemd is, want de documentaire is uitgezonden en kranten en weekbladen hebben daarover geschreven), dan hadden de experts hier toch moeten verduidelijken dat de interpretatie van de gebeurtenissen en de documenten uit deze periode erg voorwaardelijk is, gezien het belang van de ontmoeting in Pointe-Noire. Verder is het onbegrijpelijk waarom de experts niet de politieke context van die dagen (begin oktober) schetsen: er waren initiatieven aan de gang om het parlement te heropenen, er circuleerden projecten over een herschikking van de regering-Lumumba en Lumumba trok naar de volkswijken van de hoofdstad om zijn aanhang te mobiliseren, kortom: de dreiging van de come-back van Lumumba nam weer acute vormen aan. (zie hierover bvb. Vandewalle, Mille et quatre jours, pp. 319-321, en Church, p. 18, over de contingency planning van de CIA voor subversieve actie tegen de Congolese nationalisten) Deze informatie is essentieel voor de interpretatie van het Belgisch optreden in die dagen.

9) De experts reduceren de operatie-Dedeken tot een eenvoudige ontvoeringsoperatie. Ze steunen daarvoor uitsluitend op de getuigenissen van kolonel Dedeken zelf, die volgens de experts ‘een klaar en duidelijk beeld’ opleveren. Dedeken beweert dat hij Lumumba alleen maar moest ontvoeren en naar Brazzaville brengen, op bevel van generaal Cumont. Dedeken wordt op zijn woord geloofd. Kritische reflecties ontbreken. Alleen vragen de experts zich af wat er moest gebeuren, eens Lumumba naar Brazzaville zou zijn gebracht. (pp. 58-59; getuigenis Dedeken in bijlage) Om een evenwichtig oordeel uit te spreken over de operatie-Dedeken (en over de relatie met de andere activiteiten van de Belgen in die periode!), moeten enkele elementen worden vermeld die niet in het rapport terug te vinden zijn:

(a) de uitleg van Dedeken dat Lumumba naar Brazzaville moest worden ontvoerd, is ongeloofwaardig. Wat kon men met Lumumba in Brazza aanvangen? De druk van de internationale publieke opinie en gemeenschap om hem vrij te laten zou verpletterend zijn geweest, en een vrijlating was nu niet bepaald een van de doelstellingen van Dedeken en zijn opdrachtgevers in die dagen...

(b) het feit dat de actie zou worden uitgevoerd door Baluba laat vermoeden dat het ofwel om een moordaanslag zou gaan (zie ‘c’ hieronder) ofwel om een ontvoering met als einddoel Bakwanga, waar Lumumba in handen van het Baluba-regime van Kalonji (al dan niet via Brazza) moest vallen. Zo zou ‘onderaannemer’ Kalonji het werk afmaken en zouden blanke handen proper blijven. Kortom, dit lijkt wel een voorafspiegeling van wat op 17 januari zal gebeuren.

(c) een kroongetuige, kolonel Vandewalle met name, verwijst in zijn memoires, voor een beter begrip van het bericht van 13 oktober waarin Cordy aanraadt om een commando-actie tegen Lumumba te organiseren (‘de faire organiser coup de main par petit commando independant de Force Publique’) naar... de opdracht van ‘een generaal’ (Cumont) voor Dedeken om Lumumba te ontvoeren! (Vandewalle, Mille et quatre jours, pp. 323 en 242)

  1. Dedeken wordt genoemd in de documenten waarin de operatie-Barracuda ter sprake komen. Dedeken zelf bevestigt dat er in die dagen wel degelijk een operatie-Barracuda in de steigers stond, en dat het om een moordaanslag tegen Lumumba ging... (document 48: getuigenis Dedeken, als bijlage van het rapport)
  1. De experts zijn karig met commentaar bij de missie van Pilaet, een van de gezanten in het kader van operatie-barracuda. Volgens de experts stelde Pilaet voor Marlière een plan op voor de uitbouw van een clandestiene actie- en inlichtingendienst, en heeft hij Congoles

    Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

    Print dit artikelPrint dit artikel

    Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 60


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie