Uitpers nummer 60

Marokko : de grote mensenrechtenshow van Mohammed VI


door Wim De Neuter

Marokko staat af en toe heel even in het middelpunt van de belangstelling. En dan is het nooit echt aangenaam vertoeven in de Marokkaanse hoofdstad. Op 11 december 2004 leek Rabat op een spookstad. Het hele centrum was afgegrendeld en bezet door leger en politie. De Marokkaanse koning Mohammed VI was de gastheer van een prestigieuze internationale conferentie met de protserige naam "Forum of the Future".

De Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken Mohammed Benaissa en zijn Amerikaanse ambtgenoot Colin Powell hanteerden de voorzittershamer op deze bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën van een twintigtal Arabische en islamitische landen. Doel van dit forum: "Democratie, mensenrechten en economische liberalisering naar de Arabische wereld brengen."

Mohammed VI toont de wereld graag dat hij een van de beste leerlingen van de (Amerikaanse) klas is. Daarom heeft hij eigenhandig een grootste show opgezet rond het thema mensenrechten. De slachtoffers van de dictatuur van zijn voorganger en vader, Hassan II, mogen in het openbaar praten. Maar ze mogen wel de namen van hun beulen niet noemen.

Ondanks de enorme veiligheidsmaatregelen rond het ‘Forum for the Future’, konden een vijfhonderdtal Marokkaanse mensenrechtenactivisten toch een protestdemonstratie houden voor het parlement in Rabat. Amine Abdelhamid, de voorzitter van de ‘Association marocaine des Droits de l’Homme’ (AMDH - Marokkaanse Vereniging voor de Mensenrechten), hekelde in scherpe bewoordingen "de organisatie van dit forum door Marokko". "De regering van George W. Bush is de vriend van de Arabische potentaten. Hij heeft niet het geringste moreel gezag om zich voor te doen als de voorloper van de democratie."

Democratie onder Amerikaanse vlag

Het Forum is inderdaad een Amerikaans initiatief. In juli 2004 had Washington tijdens de top van de G8, de rijkste industrielanden (de VS, Canada, Japan, Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk, Italië, plus Rusland) het "Greater Middle East Initiative" aangekondigd. Het "Forum for the Future" in Rabat, waaraan naast het gastland en de Verenigde Staten, ook Afghanistan, Algerije, Bahrein, Egypte, Irak, Jemen, Koeweit, Libanon, Libië, Mauritanië, Oman, Pakistan, het Palestijnse Nationale Gezag, Qatar, Saoedi-Arabië, Syrië, Tunesië en de Verenigde Arabische Emiraten deelnamen, is de eerste fase van dit Amerikaanse plan om de Arabische en islamitische bondgenoten aan te zetten tot enige democratisering, respect voor de mensenrechten en vooral meer economisch liberalisme. Niet alleen de Arabische man in de straat staat zeer wantrouwig tegenover het initiatief van Bush en Powell. De Egyptische president Hosni Moebarak - toch een zeer volgzame Arabische leider - sprak in Rabat de vrees uit dat "de Amerikanen met een verborgen agenda werken". De voorzitter van de Arabische Liga, Amre Moessa, had ook zo zijn twijfels over de Amerikaanse bemoeienissen. Hij zei onomwonden dat "de toestand in de Arabische wereld gespannen en gewelddadig zal blijven, zolang er geen eerlijke en rechtvaardige oplossing van het Palestijns-Israëlische vraagstuk komt. Ik geloof niet dat we erop vooruit zullen gaan." Colin Powell probeerde dit wantrouwen weg te nemen met uitspraken, die geen enkele Arabier of moslim - hoe gematigd ook - kan geloven. "Amerika wil in geen geval de wereld zijn dictaten opleggen," beweerde Powell, "integendeel, wij willen andere landen helpen bij hun modernisering en hun pogingen om op hun manier hervormingen door te voeren."

Het Forum van Rabat werd een maat voor niets. Buiten wat ronkende retoriek was er van concrete democratiseringsplannen weinig te merken. Daarvoor was het aantal vertegenwoordigers van gekroonde hoofden, oliemonarchen en autoritaire presidenten te groot. De Verenigde Staten hadden gehoopt een symbolisch investeringsfonds te kunnen opstarten in Rabat. Dit fonds moet in de Arabische wereld voornamelijk KMO-activiteiten ondersteunen. Washington ging ervan uit dat een aantal rijke Arabische donorlanden met 100 miljoen dollar over de brug zou komen. Bij het opmaken van de eerste rekening bleek het fonds voorlopig slechts over 60 miljoen dollar te beschikken.

De erfenis van Hassan II

In de marge van het Forum kondigde de Marokkaanse monarchie de start aan van de grootste mensenrechtenshow sinds de onafhankelijkheid van het land in 1956. Midden december begonnen de openbare werkzaamheden van de IER (Instance Equité et Reconciliation – Instantie voor Gerechtheid en Verzoening). De IER werd bij koninklijk decreet in januari 2004 opgericht door Mohammed VI. De koning kondigde aan dat alle dossiers uit wat de Marokkanen nog altijd zedig "les années de plomb" noemen (de loden jaren of de jaren van de ongebreidelde dictatuur van de monarchie) op tafel moeten komen. Slachtoffers van willekeurige arrestaties, folteringen en nabestaanden van verdwenen of terechtgestelde gevangenen kunnen bij de IER hun zaak aanhangig maken. De IER moet in april 2005 klaar zijn met haar werk, om dan weer onmiddellijk ontbonden te worden. In het decreet van Mohammed VI stond dat de IER "alle gebeurtenissen uit het verleden, van 1956 tot 1999, zal onderzoeken en analyseren, die er op wijzen dat er ernstige schendingen van de rechten van de mens hebben plaatsgevonden op systematische en massale schaal: gedwongen verdwijningen, politieke gevangenen..."

De IER heeft echter geen enkel juridisch statuut en kan hoogstens klachten registreren. Deze koninklijke instelling heeft niet het minste mandaat om concrete onderzoeksdaden te verrichten naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan folteringen, standrechtelijke executies, politieke moorden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten. De IER is een echt product van het koninklijk paleis: louter symbolisch en megalomaan. Ze heeft niet minder dan 150 mensen in dienst (zij het erg tijdelijk). Het kantoor van de IER in Rabat telt vier verdiepingen. Midden december waren er ongeveer 22.000 dossiers van slachtoffers van de dictatuur binnen. De helft daarvan is echter afkomstig van de ‘Conseil consultatif des Droits de l’Homme’ (CCDH), die in 1990 door Hassan II was opgericht. Over de CCDH deden in Marokko sarcastische grapjes de ronde: Hassan II betaalde niet alleen zijn beulen, gespierde politiemannen en folterknechten, hij betaalde ook zijn eigen mensenrechtencommissie. In ieder geval hebben de slachtoffers van de dictatuur van Hassan II weinig tastbare resultaten gezien van de CCDH. Slechts 68 mensen kregen een schadeloosstelling. En het moet gezegd: deze 68 werden door de monarchie vrij royaal vergoed voor het leed dat hen was aangedaan. Er werd hen in het totaal 13 miljoen dollar uitgekeerd. Ook hierover vertellen de Marokkanen sarcastische moppen: er zijn straatarme en superrijke slachtoffers van Hassan II.

Erepact

Nieuw bij de IER van Mohammed VI is alvast dat de slachtoffers in het openbaar zullen kunnen getuigen. Er komen zittingen vanaf eind december in Rabat en Casablanca. Daarna trekt de IER ook naar de provincie. De IER wordt voorgezeten door Driss Benzekri, die achttien jaar politieke gevangene is geweest en een deel van zijn straf onder Hassan II heeft uitgezeten in de gevangenis van Kenitra in het gezelschap van Ibrahim Serfaty, de politieke gevangene die in Marokko het langst in de cel is gebleven. Midden december gaf de IER een aantal bevindingen vrij. Van de ongeveer 22.000 dossiers heeft minder dan 2% betrekking op verdwijningen. 70% van de dossiers gaat over willekeurige arrestaties en gevangenschap, wat bijna altijd gepaard ging met folteringen (op het moment van de arrestatie en later in de gevangenis). In 13% van de schendingen van de mensenrechten waren vrouwen het slachtoffer. De getuigenissen van de slachtoffers zullen rechtstreeks worden uitgezonden door de radio en de twee televisiestations in Marokko. Ook de kranten en weekbladen zullen hieraan ruime aandacht besteden. De slachtoffers van de "annéés de plomb" hebben echter een soort erepact moeten aanvaarden met de IER (en dus met de overheid): ze mogen in het openbaar de namen van hun beulen niet onthullen. Zelfs de VN-Commissie voor de Mensenrechten in Genève sprak in november haar bezorgdheid uit over het feit dat Marokko weinig "concrete stappen blijkt te willen ondernemen" om de "verantwoordelijken voor de schendingen van de mensenrechten daadwerkelijk te berechten." De woordvoerders van de IER kregen scherpe kritiek op deze gang van zaken. Zij hadden de grootste moeite om deze maatregel goed te praten. IER-voorzitter, Driss Benzekri, verklaarde achter de beslissing te staan. "Zo maar namen te grabbel gooien, dreigt in verdachtmakingen en eerroof te eindigen. De slachtoffers beschikken doorgaans over te weinig bewijzen als ze namen noemen..." IER-woordvoerder Driss El-Yazami (en algemeen secretaris van de FIDH, de ‘Internationale Federatie voor de Rechten van de Mens’) toonde zich eveneens een voorstander van dit erepact: "De zwarte jaren uitleggen als een gevolg van de ijver van enkele misdadige individuen is veel te beperkt. Het ging hier om een systeem en dat moet worden aangetoond." De Marokkaanse sociaal-democratische regeringspartij USFP liet zich evenmin onbetuigd in het debat. USFP-secretaris-generaal, Mohammed Elyazghi, waarschuwde de IER ervoor dat ze "veertig jaar geschiedenis van het koninkrijk niet kan schrijven – herschrijven – zonder het risico op simplificaties. De geschiedenis moet door historici worden geschreven."

Mohammed VI uit de wind

De IER ontvangt klachten over de periode 1956-1999, met andere woorden vanaf de onafhankelijkheid van Marokko tot het jaar, waarin Mohammed VI zijn vader Hassan II opvolgde. Slachtoffers van de repressie tijdens de Rifoorlog in 1958 kunnen hun dossier bij de IER indienen, maar ook de families van Marokkaanse officieren, die betrokken waren bij een reeks mislukte aanslagen op Hassan II in het begin van de jaren zeventig en de duizenden Marokkanen die het slachtoffer werden van het koninklijke regime na de volksopstanden in Casablanca, Fes en Marrakesj in de jaren ’80. Critici van de showvertoning van de IER voeren aan dat de huidige koning Mohammed VI netjes buiten schot blijft. Ook onder zijn bewind verdwijnen journalisten achter de tralies, krijgen kranten en tijdschriften verschijningsverbod. De repressie in de door Marokko bezette Westelijke Sahara blijft even genadeloos als voorheen.

In november en december was het bijzonder onrustig in de door Marokko bezette gebieden in de Westelijke Sahara en in het zuiden van Marokko, waar Saharaanse studenten en scholieren protestacties organiseerden tegen de schendingen van de mensenrechten en de torenhoge werkloosheid waarvan vooral de Saharanen het slachtoffer zijn. Op 16 december betoogden meer dan duizend Saharaanse studenten aan de Ibnu Zouhr-universiteit in het Marokkaanse Agadir. Zij protesteerden niet alleen tegen de voortdurende schendingen van de mensenrechten, maar eisten ook de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara. De Saharanen vrezen dat de IER één grote witwasoperatie wordt voor de verantwoordelijken van de repressie onder Hassan II en Mohammed VI. Mohamed Abdelaziz, de voorzitter van de Saharaanse bevrijdingsbeweging Polisariofront en president van de Democratische Arabische Republiek van de Saharanen (DARS), vatte het op 27 december 2004 als volgt samen: "De IER is in feite niets meer dan een Marokkaans koloniaal mechanisme, dat de Marokkaanse regering moet vrijpleiten van haar misdaden tegen het Saharaanse volk, dat dagelijks het slachtoffer blijft van willekeur en schendingen van zijn rechten door het Makhzenregime van Mohammed VI."

Na de aanslagen van moslimfundamentalisten in Casablanca in mei 2003, waarbij 45 doden vielen, kondigde de Marokkaanse regering een nieuwe anti-terrorismewet goed. Meer dan tweeduizend vermeende moslimfundamentalisten werden gearresteerd. De meesten werden gefolterd. Er volgden schijnprocessen en zestien verdachten kregen de doodsstraf. "De Marokkaanse veiligheidsdiensten hebben schijnbaar niets geleerd, of tenminste niets vergeten van hun oude methoden," schreef Christine Daure-Serfaty, de echtgenote van de voormalige politieke gevangene Ibrahim Serfaty, op 10 december 2004 in een vrije tribune in de Franse krant Le Monde. En zij wees op "mishandelingen en folteringen, geheime detentiecentra, zoals in Tamara in de buurt van Rabat, oneerlijke processen." "De rapporten van de internationale organisaties voor de mensenrechten zijn zeer streng voor Marokko. En toch zijn de proteststemmen weinig talrijk hier: de slachtoffers zijn immers islamisten en hun gewelddaden rechtvaardigen - helaas - voor velen hun onmenselijke en mensonterende behandeling. Is men dan vergeten dat nog niet zo lang geleden de strijd tegen het communisme of de verdenking van te weinig nationalistisch gevoel stilzwijgen en lafheid toelaatbaar maakten?"

De stilte is niet alleen in Marokko oorverdovend. Mohammed VI is een eerbaar vorst voor Washington en de staats- en regeringsleiders van de Europese Unie. Hij wordt door hen alom geprezen om zijn niet aflatende strijd "tegen het terrorisme." Net zoals zijn vader wordt hij met veel egards "notre ami, le roi" genoemd.

(Uitpers, nr. 60, 6de jg., januari 2005)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 60


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie