Uitpers nummer 55

Franse vakbondswereld: veel en weinig


door Freddy De Pauw

Frankrijk heeft opnieuw een lente van sociale mobilisatie gehad. De acties tegen de regeringsplannen voor besparingen in de ziekteverzekering en tegen de wijzigingen van het statuut van EDF en GDF (elektriciteit en gas), waren niet te vergelijken met de hete lente en zomer van vorig jaar – met de massale acties tegen de pensioenhervorming, tegen de afbraak van het statuut van de ‘intermittents’ in de culturele sector, maar ze geven alleszins de indruk dat de Franse vakbondswereld in staat is een grote vuist te maken. Toch is Frankrijk rode lantaarn in Europa inzake syndicalisatie.

Naar gelang de studies en bronnen is slechts negen procent van de Franse loon- en weddetrekkenden bij een vakbond aangesloten. Bovendien gebeurt dat dan nog verspreid over een tiental vakbondsorganisaties. Dus zeer weinig aangeslotenen bij de zeer versnipperde vakbonden. En toch ligt de sociale strijd in Frankrijk niet stil.

Vergeleken bij de syndicalisatiegraad in de rest van de EU bengelt Frankrijk helemaal achteraan. Naar schatting 9%, met 13% in de openbare diensten en slechts 5% in de privé-sector. Bovendien is slechts 2% van de jongere werknemers bij een vakbond aangesloten! In de Scandinavische landen ligt die syndicalisatiegraad boven 80%, in België tussen 60 en 70%, Italië rond 35%, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk rond 30%. Hoe dan ook overal beduidend hoger dan in Frankrijk.

In de landen met een hoge syndicalisatiegraad, treden veel leden deels toe omdat die vakbonden naast de verdediging van de groepsbelangen ook diensten verlenen. In Frankrijk kan men veel meer spreken van een militante aansluiting, toetreden tot een vakbond is met andere woorden een daad van militantisme. Niet alle, maar veel leden zijn tegelijk ook militanten, wat in vele andere Europese landen niet kan gezegd worden.

Bonte wereld

Maar daar bovenop komt wel de enorme versnippering. Na de Tweede Wereldoorlog bleef de vakbondswereld beheerst door de CGT die toen, en tot voor kort, zeer nauw verbonden was met de communistische PCF. De leider van de CGT zat vanzelf ook in de leiding van de PCF. Met actieve steun van de Amerikaanse vakbond AFL-CIO, en van de CIA, werd bij het begin van de Koude Oorlog een scheuring georganiseerd: dat werd Force Ouvrière, FO, met losse banden met de sociaal-democratie, toen nog de SFIO. Een in 1953 ontstane trotskistische stroming, de zgn. "Lambertisten" die nu de Parti des Travailleurs vormt, was altijd zeer actief in de FO, ook vandaag nog.

Daarnaast was er nog de christelijke vakbond CFTC, product van de christelijke arbeidersbeweging die in enkele regio’s, zoals Bretagne, sterk stond. In 1964 besliste een grote meerderheid de CFTC om te vormen tot de CFDT, waarop de minderheid besloot toch door te gaan als CFTC. De CFDT ging in de loop der jaren steeds sterker aanleunen bij de PS.

Daarmee is het plaatje nog verre van volledig. In het onderwijs was er de FEN die de meeste personeelsleden groepeerde. Enkele sectoren ervan sloten in de jaren 1990 aan bij de algemene bonden, terwijl de restant de FSU oprichtte die ook rekruteert buiten het onderwijs.

Tegelijk hadden enkele radicale groepen, vooral bij het spoor en in de posterijen, een nieuwe militante organisatie opgericht, SUD, dat bij de recente sociale verkiezingen bij de SNCF (spoor) de tweede grootste werd, een beloning voor haar strijdlust.

Andere autonome groepen zitten samen in de UNSA, de nationale unie van autonome syndicaten, die inzake opstelling de jongste tijd zowat op dezelfde lijn zit als de CGT.

Er is een aparte "syndicale" organisatie voor kaderleden, de CGC (Confédération Générale des Cadres) die echter meestal op de patronale lijn zit.

Strategieën

Er zit de jongste jaren veel beweging in die Franse vakbondswereld.

De CGT (volgens eigen cijfers bijna 700.000 leden) staat met haar nieuwe leider, Bernard Thibault, veel autonomer van de PCF, wat ook te maken heeft met het feit dat er binnen die PCF scherpe interne tegenstellingen zijn. Die lossere band leidt niet tot minder combattiviteit. De CGT is bijzonder actief geweest in de acties tegen de pensioenhervormingen en is de speerpunt van de acties tegen de hervormingen van EDF en GDF, trouwens twee bolwerken van de CGT. Daar ligt de syndicalisatiegraad op bijna de helft, terwijl de CGT er bij de sociale verkiezingen meer dan de helft van de stemmen haalt. De CGT doet het de jongste jaren tenandere, na jaren van neergang, weer beter in de sociale verkiezingen.

Op het congres van maart 2003 deed Thibault een duidelijke reformistische lijn goedkeuren, wat alleen neerkomt op een bevestiging van de praktijk.

De CFDT (volgens eigen cijfers rond 830.000 leden) maakt sinds 2003 een zware crisis door. De CFDT was de enige grote vakbond die met de rechtse regering meestapte in de pensioenhervorming, zogenaamd om die ingrijpend te amenderen. Maar de leiding moest toegeven dat daar niets van in huis kwam. Verscheidene regionale en sectoriële afdelingen zijn collectief uit de CFDT gestapt, meestal om bij CGT, UNSA of andere confederaties aan te sluiten. 26 vroegere leiders van de CFDT verweten de huidige leiding in een open brief slechts een boekhoudkundige en technocratische logica te volgen. De CFDT leed bij de sociale verkiezingen van de jongste twee jaar zware verliezen.

De CFDT was in de jaren 1960 en 1970 vaak combattiever dan de CGT, maar ging meer en meer met de PS en ook met rechts (en het patronaat) samenwerken. De huidige leider, François Chéreque, zette gewoon het beleid voort van zijn voorgangster, Nicole Notat, die nauw bij rechts aanleunde. Dat haar chauffeur op de loonlijst stond van het Crédit Lyonnais, was echter niet nieuw, ook haar voorgangers genoten indertijd van dat voorrecht. Maar de chauffeur van de vorige leider van FO, Marc Blondel, stond tot 2001 op de loonlijst van het Parijse stadsbestuur.

Die CFDT-leiding stelt zich, na de crisis van vorig jaar, wel iets kritischer op voor het beleid van de rechtse regering.

FO, dat geen cijfers geeft over aantal leden, heeft sinds korte en nieuwe leider, Jean-Claude Mailly, die er in de eerste plaats moet voor zorgen dat FO overeind blijft. De voorbije maanden stelt FO zich op vlak van de ziekteverzekering afwisselend krachtdadig en verzoenend op, een typische houding voor FO dat in woorden vaak zeer radicaal is, maar in de praktijk soms zeer ver ging in samenwerking met rechtse regeringen.

Dat chauffeurs van vakbondsleiders door een onderneming of een stadsbestuur worden betaald, is een uitwas van een systeem waarbij talrijke syndicale permanenten, zeker in de overheidssector, rechtstreeks of onrechtstreeks door andere instellingen worden betaald. De zwakke syndicalisatie heeft tot gevolg dat de vakbonden weinig middelen hebben waarmee ze hun apparaat en activiteiten niet kunnen betalen of stakingskassen – in Frankrijk zogoed als onbestaande - kunnen mee spijzen. Vandaar dat de vakbonden op zoek gaan naar allerlei vormen van subsidies, bij voorbeeld voor opleiding of voor het betalen van bedrijfslonen aan vakbondssecretarissen. Zo komt men tot zeer uiteenlopende stelsels, naargelang sectoren en bedrijven, afhankelijk van de syndicale inplanting. Twee opeenvolgende regeringen, centrumlinks en rechts, dachten aan een systeem van financiering zoals voor de politieke partijen, subsidies naar rato van de uitslagen bij de sociale verkiezingen. Maar de vakbonden willen andere regelingen, zoals financiering voor de deelname aan paritaire organen.

Ongelijke strijd?

Die structurele zwakheden vormen een zware handicap nu de rechtse regering Raffarin en de Medef, de patronale organisatie, er hard willen tegenaan gaan om "hervormingen" door te voeren. De regering kreeg wel twee zware electorale afstraffingen – de regionale verkiezingen van maart en de Europese van juni – maar zij haalde vorig jaar met de pensioenen haar slag thuis en zet nu ook door met de ziekteverzekering en de hervorming van EDF en GDF.

De Medef is in de aanval op alle fronten, tegen de 35-urenweek, voor de afbouw van de sociale zekerheid, voor de privatisering van openbare diensthen. De Medef voert een agressieve chantagepolitiek met onder meer de dreiging van delocalisaties. Het gaat niet alleen om dreigementen, ook om feiten. Eén voorbeeld: bij Bosch in Vénissieux, bij .Lyon, tekenden CFDT en CGC begin juni een akkoord om de werkduur per week met één uur te verlengen zonder extra loon, dus om een uur voor niets te werken. Zo willen we beletten dat het bedrijf naar Tsjechië verhuist, luidde de uitleg toen dit akkoord uitlekte – toen de personeelsleden thuis een brief kregen met een annex voor hun arbeidscontract. Tegelijk reisden 40 personeelsleden van Ronal in Saint-Avold, bij Metz, naar Polen om daar een beroep te doen op de solidariteit van de vakbond Solidariteit tegen de geplande verhuis van hun bedrijf naar twee bedrijven in Opper-Silezië. Maar daar werden ze door de patronale milities weggejaagd.

Tegen die agressieve politiek van patronaat en regering, staan de vakbonden in verspreide slagorde, zoals in Vénissieux. Patronaat en regering mikken op de angst voor werkloosheid en allerlei precaire arbeidssituaties om het sociaal protest te breken. Zo blijkt dat meer en meer jongeren, als ze al werk vinden, in zeer onzekere arbeidsomstandigheden terechtkomen: zeer lage lonen, tijdelijke contracten, interim-arbeid, deeltijdse arbeid (van de 5 miljoen laaggeschoolde arbeiders werken er 2 miljoen deeltijds), zeer rekbare flexibiliteit – ook inzake arbeidsduur en arbeidstijd, vooral in alles wat met dienstensector te maken heeft. Daar zijn de Franse vakbonden nog zwakker ingeplant dan elders, met jongeren van wie amper één op vijftig bij een vakbond is aangesloten.

Desondanks is al vaak, en niet alleen in 1968, gebleken dat de Franse arbeiders en bedienden tot grote mobilisaties in staat zijn. "De vakbonden remmen ons af, maar op een dag zal dat niet meer lukken. Onze manifestatie vandaag is een waarschuwing", zei een van de 80.000 betogers op 27 mei tijdens een actie tegen het begin van privatisering van de EDF – die een NV zou worden waarin de staat minstens 70% van de aandelen behoudt. Dat is misschien geen algemeen gevoel, het is wel een uiting van combativiteit die niet overeenstemt met de syndicale macht en die al vaker heeft geleid tot situaties waarin het protest veel verder gaat dan wat de vakbondsleidingen willen. Zoals vorig jaar toen de CGT niet inging op de eis van een groot deel van de massa’s actievoerders om een algemene staking uit te roepen.

(Uitpers, nr. 55, 5de jg., juli-augustus 2004)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 55


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie