Uitpers nummer 55

Bush’ 100 dagen na 11 september


door Soetkin Van Muylem

Bob Woodward. Bush in oorlog. Uitg. Van Halewijck, 2003.

De kans is groot dat de naam Woodward een belletje doet rinkelen. Hij is immers de meermaals bekroonde Amerikaanse onderzoeksjournalist die samen met collega-journalist Bernstein de ‘Watergate-affaire’ aan het licht bracht.

Woodward specialiseerde zich tijdens zijn carrière in het produceren van journalistieke boeken die een interne kijk geven op het Amerikaanse bestuur en zijn mankementen. De scherpte van zijn boeken is in de loop der jaren echter beduidend afgenomen en de meeste politieke personages die het onderwerp vormen van zijn schrijven werken tegenwoordig volop met hem samen, bijvoorbeeld door exclusieve interviews toe te staan (ziet u Bush al uren exclusieve interviewtijd geven aan Michael Moore?). De kritische noot is dan ook ver te zoeken in het boek ‘Bush at war’.

Totaal verstoken van enige analyse reconstrueert Woodward de gebeurtenissen in het Witte Huis in de 100 dagen volgend op de terroristische aanslagen van 11 september 2001. Hij steunt daarbij duidelijk iets te veel op de interpretatie van de Bush-administratie zelf. De voornaamste hoofdrolspelers in het boek zijn minister van defensie Donald Rumsfeld, minister van buitenlandse zaken Colin Powell, adviseur voor nationale veiligheidszaken Condoleezza Rice, directeur van de CIA George Tenet, Vice-president Dick Cheney en natuurlijk George W. Bush himself.

Het is een publiek geheim dat de personen die bereidwillig meewerken aan het onderzoek van Woodward, er een stuk positiever uitkomen dan degenen die minder vrijgevig zijn met informatie. Als we van deze theorie uitgaan moet Rumsfeld absoluut de minste medewerking verleend hebben. Hij wordt immers doorheen het hele boek als een venijnig, opportunistisch en grimmig mannetje opgevoerd. Colin Powell komt er dan weer uitzonderlijk goed uit. Bepaalde wendingen in de houding van de president lijken als het ware uitsluitend aan hem te danken, alsof er geen parlement, geen internationale spelers en geen binnenlandse of buitenlandse publieke opinie bestaan. Ook van George W. Bush schetst Woodward het globaal positieve beeld van een sterke president die in een uitzonderlijke situatie de controle probeert te behouden.

‘Bush in oorlog’ is een chronologisch verslag van de aanloop tot de oorlog in Afghanistan en de oorlog zelf. Dit komt in feite neer op een beschrijving van een schijnbaar eindeloze serie vergaderingen en geheime besprekingen rond nationale veiligheid in de nasleep van 11 september. Woodward wil duidelijk observeren en niet becommentariëren, maar men moet niet echt kritisch ingesteld zijn om na het lezen van de beschreven feiten zwaar geshockeerd te zijn door de gang van zaken in de machtigste administratie ter wereld. Het betreft duidelijk een disfunctioneel team dat op geen enkel moment enige diepgang probeert te steken in zijn analyses (als men al van analyses kan spreken). Dit uitgebreide verslag van meerdere geheime vergaderingen en besprekingen legt op een schrijnende manier de oppervlakkigheid van de gevoerde gesprekken bloot. Fundamentele vragen werden nooit, en door geen enkel lid van de Bush-administratie, gesteld. Niemand vroeg zich af wat nu precies de reden zou kunnen zijn voor het bloedige optreden van Al-Qaida tegenover de Verenigde Staten? Wie is eigenlijk de echte vijand in de oorlog tegen het terrorisme? Wat voor gevolgen zullen onze acties hebben in de regio? Zal alles effectief opgelost zijn als de Taliban is vernietigd of na de val van Saddam Hoessein? De reacties op de terroristische aanslagen in New York waren enerzijds emotioneel en instinctief, een wraakgevoel dat kost wat kost moest bevredigd worden ongeacht de gevolgen. De president stelt trouwens zelf trots dat hij de zaken niet volgens het boekje doet, maar vooral zijn gevoel volgt (!). Anderzijds waren er ook berekende reacties op 11 september, een kans om al lang gewenste maatregelen naar voor te brengen die in normale omstandigheden niet direct acceptabel zouden zijn, zoals het militair viseren van Saddam Hoessein. Al vrij vroeg en regelmatig opperden vooral Cheney en Rumsfeld de mogelijkheid om Irak aan te vallen. Wat ook naar voor komt in dit boek is het ontbreken van een grondig strategisch plan om Al-Qaida effectief te vernietigen in Afghanistan. Het oorlogsplan lijkt een samenraapsel van oude ideeën en de toepassing ervan steunde enorm op improvisatie. Vooral de weinig doordachte methode om Afghaanse stammen om te kopen om zich van hun steun te verzekeren, klinkt verbazend dwaas. De voor de inlichtingendiensten quasi onbekende warlords kregen honderdduizenden dollars cashgeld om vrij te besteden. Men krijgt sterk de indruk dat de Verenigde Staten de situatie in Afghanistan nooit echt onder controle heeft gekregen. Doordat de oorlog alleen gevolgd wordt via de beknopte verslagen die regelmatig worden doorgebrieft aan de president, wordt een zekere afstand gecreëerd ten opzichte van de gebeurtenissen daar. Het griezelige is dat de hoofdrolspelers (misschien hierdoor) de indruk wekken zich niet bewust te zijn van de menselijke impact van een oorlog. De graad van betrokkenheid lijkt het niveau van een oorlogsfilm of een computerspelletje niet te overstijgen.

Het verhaal dat Woodward uit de doeken doet, is naar eigen zeggen gebaseerd op gesprekken met meer dan honderd bronnen en 4 uur exclusieve interviews met de president. De auteur kon ook beslag leggen op ter plekke gemaakte aantekeningen bij de meer dan vijftig vergaderingen van de Nationale Veiligheidsraad en andere geheime besprekingen, persoonlijke memo’s en agenda’s. Al deze interne en vaak geheime informatie geeft natuurlijk een zeer intieme kijk op de administratie en de werking ervan. De emoties en reacties van de Amerikaanse president en zijn entourage worden in detail herbeleefd, en de lezer krijgt de indruk deelgenoot te zijn van ingrijpende gebeurtenissen en beslissingen. Woodward maakt vaak gebruik van citaten en permitteert zich zelfs om de gedachten van personen te formuleren. Lezers hebben het gevoel iets te weten te komen dat eigenlijk niet voor hun oren bestemd is. Het is precies deze typische intieme schrijfstijl die de boeken van Woodward aantrekkelijk maakt bij het grote publiek. Het maakt ze tegelijkertijd van zeer twijfelachtig allooi als historische bron. De realiteit wordt door een veel te eenzijdige bril bekeken en het romangehalte van sommige passages is enorm hoog. Het feit dat Woodward zich regelmatig geroepen voelt om dieper in te gaan op de uiterlijke details van de hoofdpersonages draagt daar volledig toe bij. Welk historisch belang heeft het immers dat de president "gekleed was in een sportbroek en een wit T-shirt" op 16 september 2001. Woodward verliest zichzelf regelmatig in het opsommen van allerlei niets ter zake doende details. Het is alsof de man krampachtig probeert te bewijzen dat alles wat hij zegt weldegelijk de waarheid is. Wie is er anders zo goed op de hoogte?

Hoewel de uitzonderlijke toegang tot informatie van Woodward in het verleden ongetwijfeld tot waardevolle onthullingen heeft geleid, heb ik niet het gevoel dat ‘Bush in oorlog’ spectaculaire nieuwe inzichten aanbrengt. Het boek bevestigt alleen dat een aantal inspiratieloze en incompetente mensen veel te machtig zijn in deze wereld. Het valt op dat Woodward met geen woord rept over bepaalde aspecten van de oorlog tegen het terrorisme die nochtans in dezelfde periode aan de orde waren, bijvoorbeeld de inperking van de burgerlijke vrijheden in Amerika zelf. Publicaties die zo snel na de feiten uitkomen missen natuurlijk per definitie een zeker inzicht. Maar van een journalist van het kaliber van Woodward verwacht je toch enkele kritische bijgedachten.

(Uitpers, nr. 55, 5de jg., juli-augustus 2004)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 55


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie