Uitpers nummer 55

Washington, de Koude Oorlog en de wortels van het terrorisme


door Wim de Neuter

Mahmood Mamdani. Good Muslim, Bad Muslim. America, the Cold War and the Roots of Terror, Pantheon Books, New York, 2004, 304 blz., 25,90 euro.

Het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten, hun militaire strategie, hun "war on terror", hun president en zijn rechtse, oerconservatieve en fundamentalistische regeringsploeg hebben sinds de aanslagen van 11 september voor een overvloedige boekenoogst gezorgd. Helaas zit er meer kaf dan koren bij. Maar dat kan niet worden gezegd van "Good Muslim, Bad Muslim. America the Cold War and the Roots of Terror" van Mahmood Mamdani.

De terreur van netwerken als Al Qaeda, die op 11 september 2001 de Twin Towers en een deel van het Pentagon in de as legden, zijn elementen van de hedendaagse (moderne) politiek en allesbehalve een gevecht van moslims "die zich verzetten tegen de moderniteit", zo luidt een eerste stelling van Mahmood Mamdani. Tweede stelling: de islamitische terreur is een product van de Koude Oorlog. Amerika heeft steeds zijn "goede moslims" gehad. En daarnaast bestaan er ook "slechte moslims", zij die - zoals de Iraanse ayatollahs, de Libanese Hezbolllah, Yasser Arafat of Saddam Hoessein - te nadrukkelijk op hun eigenheid en onafhankelijkheid staan. De Amerikaanse politiek (tijdens en na de Koude Oorlog), heeft het steeds opnieuw gemunt op elke regering die zich wil ontrekken aan de overheersing van Washington.

De auteur is politicoloog en antropoloog. Hij groeide – als Oost-Afrikaanse Indiër van de derde generatie - op in de Oegandese hoofdstad Kampala. In 1974 studeerde hij af aan de Harvard University in de Verenigde Staten en doceerde later aan de universiteiten van Dar-es-Salaam (Tanzania), de Makere universiteit in Kampala (Oeganda) en de University of Cape Town (Zuid-Afrika). Op dit ogenblik woont en werkt hij in New York, waar hij antropologie doceert en directeur is van het "Institute of African Studies" van de Columbia University. Mahmood Mamdani treedt in de voetsporen van belangrijke Derde Werelddenkers als Frantz Fanon, Samir Amin of Edward Saïd. "Good Muslim, Bad Muslim" is een essay van een Afrikaan en tiers-mondist, die glashelder het Amerikaanse buitenlandse beleid tijdens en na de Koude Oorlog analyseert.

‘Culture Talk’

In het eerste deel van zijn essay zet Mahmood Mamdani zich af tegen een nieuw verschijnsel, dat na het einde van de Koude Oorlog de kop opstak. De auteur noemt het: "culture talk". Volgens Mamdani bestaan er twee versies van. Culture talk beweert de politiek te verklaren vanuit de cultuur – dwars door de geschiedenis heen. "Maar geen van beide versies is echt het werk van een historicus," stelt hij vast. "Als er al een stichter (‘founding father’) van de culture talk bestaat, dan is het wel Bernard Lewis, de bekende oriëntalist van Princeton, die adviseur is geweest van het politieke establishment in de Verenigde Staten. De bekende uitdrukking van de hedendaagse culture talk – "clash of civilizations" – was de titel van het laatste hoofdstuk van een artikel van Lewis uit 1990: "The Roots of Muslim Rage". Lewis’ tekst inspireerde de tweede, nog ruwere versie van de culture talk, die werd neergeschreven door Samuel Huntington, een politicoloog van Harvard. Zijn betrokkenheid bij de hoogste politieke kringen in de VS dateert al van in de tijd van de Viëtnamoorlog.(1) Waar Lewis zijn stelling nog beperkt tot de historische relaties tussen twee beschavingen, die hij "islamitisch" en "joods-christelijk" noemt, toont Huntington zich heel wat ambitieuzer. Hij breidt de stelling van Lewis uit tot heel de wereld."

Volgens Huntington zullen de fundamentele conflictbronnen in ‘onze nieuwe wereld’ niet langer van ideologische of economische aard zijn. De grote scheidslijnen binnen de mensheid en de belangrijkste conflictbronnen zullen cultureel bepaald zijn. De "clash of civilizations" zal de globale politiek beïnvloeden. De tegenstellingen tussen de beschavingen vormen de frontlinies van morgen."

"De argumentatie van Huntington," aldus Mahmood Mamdani, "is rond twee ideeën opgebouwd: sinds het einde van de Koude Oorlog is "het ijzeren gordijn van de ideologie" vervangen door "het fluwelen gordijn van de cultuur" en het fluwelen gordijn is opgetrokken langs de "bloedige grenzen van de islam". Huntington beschrijft de islam als een vijandige beschaving en dus kunnen de moslims, vanuit zijn visie, alleen maar slecht zijn."

"Goede en slechte moslims"

Bernard Lewis van zijn kant is "genuanceerder" in zijn oordeel over "de islam". Mahmood Mamdani citeert uit Lewis’ artikel "The Roots of Muslim Rage": "Er is iets in de religieuze cultuur van de islam dat de nederigste boer of straatventer inspireerde tot een waardigheid en beleefdheid tegenover anderen, die andere beschavingen niet of nauwelijks hebben gekend. Vandaag, op een ogenblik van oproer, ontwrichting en hoogoplaaiende passies, slaan deze waardigheid en beleefdheid tegenover de anderen om in een explosief mengsel van woede en haat, die zelfs de regering van een oud en beschaafd land – en zelfs de woordvoerder van een grote en ethische godsdienst – aanzetten hun steun te verlenen aan kidnappers en moordenaars. Zij gaan dan op zoek in het leven van hun profeet naar goedkeuring en precedenten van soortgelijke acties."

En Bernard Lewis voegt er meteen aan toe: "Voor de Westerse waarnemer, die getraind is in de theorie en de praktijk van de Westerse vrijheid, is het precies dit gebrek aan vrijheid dat aan de grondslag ligt van zo vele troebelen in de moslimwereld". Volgens Lewis is er nog een tweede verklaring voor het onheil dat nu in de moslimlanden geschiedt: "het gebrek aan secularisme". "Tot op het ogenblik dat de ideeën van de Franse revolutie in de negentiende eeuw begonnen binnen te sijpelen in het Midden-Oosten, was de notie van een niet-religieuze samenleving of de wenselijkheid en de toelaatbaarheid ervan volstrekt vreemd aan de islam."

Mahmood Mamdani besluit dan ook: "Het is Bernard Lewis en niet Samuel Huntington, die intellectuele steun verleent aan de idee dat er "goede" en "slechte moslims bestaan. En deze idee is de drijvende kracht achter het Amerikaans buitenlands beleid."

Mamdani herinnert aan een sterk televisiebeeld uit 1985. De toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan stelde op het gazon van het Witte Huis een groep van in tulband gehulde Afghaanse moedjaheddin voor aan de pers met de woorden: "Heren deze mannen zijn de morele evenknieën van de '‘founding fathers'’van de Verenigde Staten van Amerika."

Het moslimterrorisme van vandaag is een product van de Koude Oorlog, waarin president Ronald Reagan een cruciale rol heeft gespeeld, stelt Mamdani. En daarom wijst hij een culturalistische benadering van het fenomeen terreur van de hand. Het islamitisch fundamentalisme en het terrorisme zijn volgens hem niet op de eerste plaats een reactie op de moderniteit, zoals de aanhangers van de culture talk steeds beweren. Beide fenomenen behoren tot onze moderne tijd en kunnen niet los worden gezien van de globale politieke context van gisteren en vandaag. Volgens Mamdani "moet het terrorisme worden begrepen als een moderne politieke beweging in dienst van een moderne grootmacht. In die zin is het ontstaan van het politieke terrorisme, dat uiteindelijk verantwoordelijk is voor de tragedie van 11 september terug te brengen tot de voorbije Koude Oorlog."

Terreur en Koude Oorlog

"Can’t we get rid of this guy?", vroeg de Amerikaanse president Eisenhower op 18 augustus 1960 aan zijn medewerkers, tijdens een vergadering van de National Security Council. "This guy" was niemand minder dan de kersverse Congolese regeringsleider, Patrice Lumumba. Congo was op die bewuste datum welgeteld negenenveertig dagen onafhankelijk. Minder dan twee weken na de onafhankelijkheid op 30 juni 1960, had de grondstoffenrijke provincie Katanga zich onder leiding van Moise Tshombe van Congo afgescheiden. De operatie werd gesteund door de Belgische Union Minière ("waarin de Rockefellers spoedig een meerderheidsaandeel zouden verwerven," merkt Mamdani fijntjes op). Congo zou voor de Amerikanen (met de Belgen als hulpjes) een belangrijke slag worden in de Koude Oorlog. En terreur werd een vast onderdeel in de Amerikaanse militaire strategie. Patrice Lumumba werd vermoord. Amerikanen en Belgen lieten hun huurlingenleger (onder leiding van Mike Hoare) op de Congolese burgerbevolking los. De Zuid-Afrikaanse huurlingen van Mike Hoare gingen zo brutaal te keer, dat zelfs de gezaghebbende apartheidskrant ‘The Cape Times’ het over "zinloze, koelbloedige killers" had.

Uiteindelijk werd Mobutu in het zadel gehesen, een man die op de loonlijst van de Amerikaanse geheime dienst CIA stond. Voor Mahmood Mamdani was Congo een voorsmaakje van wat de Derde Wereld later in de jaren zestig, daarna in de jaren zeventig en tachtig met de Amerikaanse supermacht zou beleven. "De Verenigde Staten wisten dat de Koude Oorlog niet op het Europese slagveld zou worden uitgevochten," zo luidt de centrale stelling van Mahmood Mamdani. Washington was er in de eerste plaats op gebrand om de invloed van de Sovjetunie in de Derde Wereld volledig in te dammen. Pas onafhankelijk geworden kolonies, die al te nadrukkelijk op hun onafhankelijkheid stonden, werden er door de VS prompt van verdacht "agenten van Moskou te zijn". De Koude Oorlog die de VS in de Derde Wereld uitvochten moest bij voorkeur een "proxy war" zijn: een oorlog die door huurlingenlegers werd gevoerd. Dat werd bijzonder duidelijk in de Nixondoctrine, die in deze oneliner werd samengevat: "Asian boys must fight Asian wars" ("Aziatische jongens moeten Aziatische oorlogen uitvechten"). In Viëtnam eindigde deze militaire doctrine op een fiasco. De "viëtnamizering" van deze in 1964 ontketende oorlog mislukte, ondanks terreurbombardementen, een massale chemische oorlogvoering (waarbij op grote schaal het ontbladeringsmiddel agent orange werd gebruikt), de inzet van honderdduizenden Amerikaanse soldaten. In 1975 werden de Amerikaanse troepen door het communistische verzet definitief verslagen.

Van Azië naar Afrika en Centraal-Amerika

"1975 was het jaar van de Amerikaanse nederlaag. Maar het was ook het jaar van de ineenstorting van het Portugese koloniale imperium in Afrika," stelt Mamdani. "In 1975 werd het zwaartepunt van de Koude Oorlog van Zuid-Oost-Azië naar zuidelijk Afrika verlegd. De vraag die Washington zich hierbij stelde: wie zou de brokstukken van het Portugese imperium oprapen: de VS of de Sovjetunie?"

Op dat ogenblik zal de Nixondoctrine, die op het einde van de Viëtnamoorlog was uitgedokterd, de Amerikaanse strategie volledig bepalen. "In de praktijk kwam het erop neer dat de VS terroristen gingen bewapenen en het terrorisme zelf cultiveerden in hun strijd tegen regimes, die ze ervan beschuldigden pro-Sovjet te zijn. Het onmiddellijke gevolg hiervan was het bondgenootschap tussen de VS en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, ook al werd dit door de Verenigde Naties beschuldigd van voortdurende "misdaden tegen mensheid". President Reagan zou dit bondgenootschap zelfs "constructive engagement" noemen."

De Koude Oorlog, die Washington in zuidelijk Afrika voerde, is gebaseerd op blinde terreur. "Zuid-Afrika werd het belangrijkste kanaal en de partner van de VS in hun "hete" oorlog tegen de regeringen in de regio, die als pro-Sovjet werden bestempeld," "De partners Pretoria en Washington steunden een aantal terroristische organisaties: de RENAMO in Mozambique en de UNITA in Angola. Hun terrorisme was nooit eerder vertoond in Afrika. Deze terreurgroepen vonden een groot aantal burgerslachtoffers tijdens militaire operaties aanvaardbaar – vandaag noemen de Amerikaanse leiders dit verschijnsel "collateral damage". Nieuw was dat deze terreurbewegingen het specifiek op burgerdoelwitten gemunt hadden. Zij doodden en verminkten opzettelijk burgers, maar niet de hele bevolking. Bedoeling was een aantal mensen in leven te laten, die hun verhaal zouden kunnen doen en zo angst en paniek zouden zaaien. De angst van de bevolking moest ook de regeringen verlammen."

Op het einde van de jaren zeventig, begin van de jaren tachtig, werd de Koude Oorlog dan weer verlegd naar Centraal-Amerika. En ook daar werden terroristische groeperingen – zoals de contra’s in Nicaragua of de doodseskaders in El Salvador en Guatemala - bewapend en gefinancierd. Om de inmenging van het Amerikaanse Congres tegen te gaan, voerden de Amerikaanse regering en toenmalig president Ronald Reagan een semi-clandestiene oorlog, die voor een deel gefinancierd werd door Latijns-Amerikaanse drugsbaronnen en figuren uit de Amerikaanse georganiseerde misdaad. Samen met Israël werd er zelfs een geheime wapentrafiek opgezet met Iran, wat tot het beruchte Irangateschandaal leidde. De contra’s terroriseerden de Nicarguaanse bevolking. De CIA legde mijnen in de Nicarguaanse havens. Alle ingrediënten van het door Washington gesteunde terrorisme waren aanwezig in de strijd tegen de Nicaraguaanse Sandinisten.

"Onze moslims" in Afghanistan

De grootste Amerikaanse operatie tijdens de Koude Oorlog was de hulp aan de Afghaanse modjahedin – de fundamentalistische verzetsgroepen, die tien jaar lang strijd voerden tegen de Sovjettroepen in hun land. Deze radicale moslimgroeperingen konden zonder enig beperking rekenen op miljardensteun van de CIA, Pakistan, Saoedi-Arabië en de georganiseerde drugshandel. Mamdani onderstreept daarbij drie belangrijke elementen. Ten eerste: in 1979 kwamen Afghaanse communistische splintergroepen via een staatsgreep aan de macht. "De geheime Amerikaanse hulp aan de tegenstanders van het pro-Sovjetregime in Kaboel was begonnen nog voor het Sovjetleger Afghanistan was binnengevallen," stelt Mamdani. "Documenten van de CIA en het State Department, die tijdens de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran in beslag waren genomen, toonden aan dat de contacten van de VS met de vertegenwoordigers van de Afghaanse rebellen in Pakistan al van april 1979 dateerden, acht maanden voor de militaire interventie van de Sovjets." En Mamdani citeert een interview met Zbigniew Brzezinski, de veiligheidsadviseur van de toenmalige VS-president Jimmy Carter. Daarin geeft Brzezinski toe dat deze Amerikaanse hulp vooral bedoeld was om "een militaire interventie van de Sovjets uit te lokken". Brzezinski wilde van Afghanistan het Viëtnam van de Sovjets maken.

Tweede vaststelling van Mamdani: de VS konden het verlies van hun bondgenoot, de Shah van Iran, en de Iraanse islamitische revolutie moeilijk verteren. "De regering van Ronald Reagan hoopte in de regio een pro-Amerikaanse, islamitische lobby op te richten". Die rol werd toebedeeld aan de Afghaanse fundamentalistische terreurgroepen, verzetsbewegingen, krijgsheren en drugsbaronnen. Gulbuddin Hekmatyar, de fundamentalistische krijgsheer, die tien jaar lang meer dan de helft van de globale Amerikaanse en Saoedische steun ontving (in het totaal meer dan 2 miljard dollar) werd de grootste drugshandelaar van Afghanistan (dat tijdens de oorlog de belangrijkste drugsleverancier ter wereld was geworden).

Ten derde: "indien de anti-Sovjetkruistocht van Washington een nationaal karakter had gehad, dan had de CIA voornamelijk Afghanen gerekruteerd om deze oorlog te voeren. Maar de Amerikanen (en hun bondgenoten Saoedi-Arabië en Pakistan) vatten deze oorlog op als een internationale jihad, en dus ging de CIA op zoek naar vrijwilligers in alle moslimlanden ter wereld."

Het resultaat kennen we inmiddels. De Afghanen hebben een afschuwelijk hoge prijs betaald. Bij het begin van de Sovjetinvasie en de Amerikaanse interventie in hun land waren ze met 20 miljoen. In die oorlog zijn 1 miljoen slachtoffers gevallen, 1,5 miljoen Afghanen werden verminkt en 5 miljoen werden vluchtelingen. Tienduizenden moslim extremisten werden politiek en ideologisch geschoold en militair getraind in Pakistan en Afghanistan. Eén van de mannen, die hierbij een cruciale rol speelde was Osama Bin Laden. In Afghanistan werden niet alleen de terroristen getraind, die verantwoordelijk zouden zijn voor de aanslagen van 11 september 2001. Ook de terroristen, die in Algerije een bloedige burgeroorlog ontketenden, hadden hun strepen verdiend in Afghanistan. Hun opleiding was betaald door de CIA. Niet zonder sarcasme stelt Mahmood Mamdani dat Osama Bin Laden en de zijnen "de zonen van Ronald Reagan zijn".

De fundamentalistische terreurbewegingen "zijn dan ook een modern project en allesbehalve een erfenis uit een ver verleden," merkt Mamdani op. "Trouwens de moslimwereld had al eeuwen geen jihad meer meegemaakt." "De CIA creëerde de modjahedin en Bin Laden als een alternatief voor het seculiere nationalisme, net zoals de Israëlische geheime diensten- zij het in een andere context – Hamas heeft gecreëerd als alternatief voor de seculiere PLO."

De as Tel-Aviv-Washington

Mahmood Mamdani wijdt ook een belangrijk hoofdstuk aan het bondgenootschap van de Verenigde Staten met Israël. Ook deze alliantie is van cruciaal belang geweest tijdens de Koude Oorlog. Israël was rechtstreeks betrokken bij een aantal geheime oorlogen van Washington in de Derde Wereld (Nicaragua, El Salvador, Guatemala, om slechts deze drie te noemen) en was de wapenleverancier voor pro-Amerikaanse militaire dictaturen (Chili, Argentinië). Het Amerikaanse bondgenootschap met de staat Israël is uiteraard gericht op de controle van het olierijke Midden-Oosten. Maar volgens Mahmood Mamdani verklaart dit niet alles. De as Washington-Tel-Aviv heeft een politieke en ideologische grondslag. De Verenigde Staten en Israël zijn producten van het kolonialisme. Mamdani noemt beide "settler states". De Verenigde Staten zijn gegrondvest op slavernij en de genocide van de "native Americans" (de Indianen). Israël ontstond na de etnische zuivering van de Palestijnen in 1948. In de VS en Israël blijven deze koloniale en racistische grondslagen van het systeem onbespreekbaar. En dat schept banden. Kritiek op de Israëlische politiek is in de Verenigde Staten nagenoeg onbestaande. De joodse staat kan straffeloos en met de permanente steun van Washington de Palestijnen koloniseren en onderdrukken. "Op internationaal vlak is er één staat, die praktisch elke resolutie van de VN naast zich neerlegt: Israël", zo stelt Mamdani vast. "Voor de internationale gemeenschap staat Israël voor de uitoefening van macht en volstrekte straffeloosheid. Israël daagt de internationale gemeenschap voortdurend uit – niet omdat het de enige supermacht in de wereld is, maar omdat het gesteund wordt door de enige supermacht in de wereld."

De macht aan banden leggen

De aanslagen van 11 september 2001 "waren voor de regering Bush de uitgelezen kans om een aantal zaken, die tijdens de Koude Oorlog niet konden worden opgelost, definitief te regelen", besluit Mahmood Mamdani. Washington voert niet langer "proxy wars", maar gaat over tot openlijke agressieoorlogen. De interventie in Afghanistan na 11 september en de oorlog tegen Irak zijn er de illustratie van.

Mahmood Mamdani pleit voor een wereldwijde mobilisatie tegen de straffeloosheid waarmee de Verenigde Staten hun overheersing van de hele wereld willen opleggen. "Als de Amerikanen de Koude Oorlog hadden beëindigd met een totale demilitarisering en een vredesdividend, dan had 11 september nooit plaats gehad. Maar de Verenigde Staten ontmantelden op het einde van de Koude Oorlog hun globale apparaat van hun imperium niet. De hele mensheid staat vandaag voor een geweldige uitdaging: hoe kunnen we de ontzagwekkende macht, die de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog hebben opgebouwd, aan banden leggen en aan een democratische controle onderwerpen?" En de auteur heeft ook een duidelijke boodschap aan het adres van de machthebbers in Washington: "Om het gevecht tegen het terrorisme te winnen, is het van belang te erkennen dat de wereld veranderd is. Het oude kolonialisme is niet meer en zal ook nooit meer terugkomen. Vreemde landen bezetten zal een dure aangelegenheid zijn (in mensenlevens en in geld). Amerika kan de wereld niet bezetten. Het zal moeten leren leven in deze wereld."

Het essay van Mahmood Mamdani is een niet onbelangrijke bijdrage tot het debat over de huidige buitenlandse politiek van Washington. J.M. Coetzee (Nobelprijs literatuur in 2003) noemde het boek van Mahmoodi "verbijsterend, doch essentieel". "Mahmoodi legt de leugens, stereotiepen en gemakkelijke veralgemeningen bloot, waarop het beleid van de VS ten opzichte van de moslimwereld is gebaseerd."

(Uitpers, nr. 55, 5de jg., juli-augustus 2004)

(1) Samuel Huntington, zo herinnert Mahmood Mamdani ons eraan, advizeerde de Amerikaanse regering tijdens de bloedigste jaren van de oorlog in Viëtnam om de bevolking die met de Viëtcong sympathizeerde te deporteren naar strategische dorpen. Huntington had aandachtig de militaire geschriften van de Chinese leider Mao Zedong en de Viëtnamese president Ho Chi Minh gelezen. Beiden gingen ervan uit dat de guerrilla, die de strijd voor nationale onafhankelijkheid voerde, "zich onder de bevolking moest bewegen als een vis in het water". En dus besloot Huntington dat de beste methode om de guerrilla in Viëtnam te bestrijden erin bestond "de vis droog te leggen". Honderdduizenden boeren, die de Viëtcong genegen waren, moesten hun dorpen verlaten en werden samengeperst in concentratiekampen, door de Amerikanen omgedoopt tot "strategische dorpen".

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 55


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie