Uitpers nummer 132

Het erfgoed van de arbeidersstrijd


door Francine Mestrum

1 mei, dag van de arbeid, had een bittere bijsmaak dit jaar. In Rome werd paus Johannes-Paulus II zalig verklaard. Waarom dat precies op de dag van de arbeid moest gebeuren, vroegen velen zich af? Wel, wie de duizenden Polen met een rood sjaaltje om de hals en een rode roos in de hand door de straten van Rome zag stappen, begreep dat de Kerk dit symbool van de arbeidersbeweging wil recupereren.

Of dat zal lukken is nog maar de vraag, maar het valt wel op dat de rode symboliek vandaag erg in de smaak valt van zijn tegenstanders: Che Guevara op een koekjesdoos en een schilderij van Diego Rivera op een verslag van de Wereldbank. De boodschap is wel telkens dezelfde: de arbeidersstrijd behoort tot het verleden. De iconen zijn machteloos geworden.

Vreemd genoeg was dit ook ietwat de boodschap in eigen land, met 1 mei als erfgoeddag rond het thema ‘Armoe troef’. In het Brussels programmaboekje was duidelijk te zien hoe de arbeidersstrijd van honderd jaar geleden een strijd tegen de armoede en de uitbuiting was, een strijd voor meer hygiëne en een betere gezondheid, een strijd voor een beschermde oude dag. De arbeiders hebben die strijd gewonnen. Ze kregen een verzorgingsstaat met een ziekteverzekering, een pensioen, een werkloosheidsuitkering, gezinstoelagen en openbare diensten. De arbeiders hebben zich geëmancipeerd, maar de armoede is daarom niet verdwenen.

Misschien is dat de verklaring waarom de armoedebestrijding van vandaag nog zo weinig met een strijd tegen uitbuiting, tegen ongelijkheid en voor emancipatie is. Armoede wordt vandaag gepsychologiseerd, armoede is ‘multidimensioneel’, armoede is ‘kwetsuren binnenin’, en niemand zal loochenen dat armoede inderdaad gepaard gaat met een gebrek aan zelfvertrouwen, een gebrek aan waardigheid, een gebrek aan respect. Maar stel dat alle arme mensen een voldoende inkomen hebben om de maand rond te komen, hoeveel van die problemen zouden niet als sneeuw voor de zon verdwijnen? Overigens, met hoeveel ‘kwetsuren binnenin’, met hoeveel ‘affectieve armoede’ moeten niet-arme en zelfs rijke mensen soms leven?

Ik bedoel maar, armoede is een ernstig en pijnlijk probleem. Maar als we armoede echt de wereld willen uithelpen, als we armoede ‘illegaal’ willen verklaren, zoals Riccardo Petrella vraagt, dan moeten we echt wel iets meer doen dan arme mensen psychologisch weerbaar maken. Een echte armoedebestrijding kan enkel succes hebben als we de verarmingsprocessen stop zetten, als we ervoor zorgen dat mensen decent werk met een decent inkomen hebben, een sociale zekerheid en openbare diensten. En juist daarom blijft 1 mei wel degelijk belangrijk.

De opkomst van een ‘gevaarlijke klasse’

Armoede staat al twintig jaar bovenaan de internationale politieke agenda. Armoedebestrijding heeft helaas de plaats ingenomen van economische en sociale ontwikkeling. Vandaag worden landen en volken niet langer geholpen, alleen mensen verdienen nog steun. Vorig jaar beleefden we ook een ‘Europees Jaar voor armoedebestrijding’, maar ook hier zagen we hoe de neoliberale ideologie het haalde van de armenzorg. EU-voorzitter Van Rompuy riep de kerken op hun verantwoordelijkheid te nemen voor de arme mensen. Armoedebestrijding is volgens de EU een kwestie van arbeidsmarktparticipatie, ‘actieve insluiting’ en liefdadigheid.

Ondertussen treedt een mechanisme in werking dat net zoals in de derde wereld twintig tot dertig jaar geleden de overheidsfinanciën wil ‘saneren’ en daarom bezuinigingen oplegt die enkel tot een sociaal bloedbad kunnen leiden. In Griekenland, Ierland en Portugal is dat volop bezig. De Europese Raad stelt uitdrukkelijk dat sociale bescherming een ‘nationale bevoegdheid’ is, maar raadt de lidstaten toch aan de pensioenleeftijd op te trekken, de indexmechanismen te herzien, de collectieve onderhandelingsmechanismen te bekijken, openbare diensten te liberaliseren en de lonen van de ambtenaren ‘competitief’ te houden.

Onze nationale regeringen komen samen in de Europese Raad, spreken er tot zichzelf, vertellen elkaar met wat soort sociale bezuinigingen ze begonnen zijn en raden dan de nationale regeringen aan – zichzelf dus – om te doen wat ze al aan het doen zijn. ‘Europa verplicht ons te bezuinigen’ zeggen ze bij hun thuiskomst in eigen land.

Maar wat al deze bezuinigingen betekenen kan alleen maar leiden tot een verarming van de werknemers. Wanneer mensen langer moeten werken en bij gebrek aan spaarvermogen enkel een basispensioen kunnen krijgen, wanneer ondernemingen zich niet langer moeten houden aan de collectieve onderhandelingen, wanneer openbare diensten geprivatiseerd worden en burgers consumenten worden die hogere prijzen moeten betalen, wanneer het arbeidsrecht wordt ontmanteld, dan vallen we inderdaad terug op een toestand die na verloop van tijd alleen de realiteit van de ‘erfgoeddag’ kan evenaren.

De werknemers wacht dan enkel nog een opvang in de armoedebestrijding. Op dat ogenblik kunnen de eeuwenoude mechanismen in al hun glorie worden hersteld: een onderscheid tussen ‘goede’ armen en ‘slechte’ armen. Een onderscheid tussen hen die zich schikken naar alle voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen: vrijwilligerswerk dat dwangarbeid kan worden genoemd, bijscholingen en opleidingen, lage lonen voor werkende armen, psychologische ondersteuning… Wie dat niet doet komt in een strafstatuut terecht: geen uitkering meer, stigmatisering en tenslotte criminalisering. De armen worden dan weer een ‘gevaarlijke klasse’ die zorgt voor onveiligheid en uit onze stadscentra moet worden geweerd.

Armoedebestrijding versus sociale bescherming

De armoedebewegingen die vandaag hard op tafel slaan om voldoende inzet en middelen te krijgen van de overheid hebben overschot van gelijk. Armoede had al lang de wereld moeten uit zijn, daarvoor is er meer dan rijkdom genoeg.

Toch moeten hier ook een paar kanttekeningen bij gemaakt worden.

Ten eerste is het onmogelijk om armoede los te zien van rijkdom en van ongelijkheid. Juist de toenemende ongelijkheid in al onze landen maakt de armoede nog schrijnender, al zullen de arme mensen van vandaag het relatief beter hebben dan de armen van een eeuw terug. Onze samenleving heeft nieuwe behoeften gecreëerd en het is moeilijk om vandaag te leven zonder badkamer, mobiele telefoon of internet. Op straat en op televisie wordt het succes van rijke mensen in de verf gezet en wordt dit voorgesteld als een individueel succes. Wie niet slaagt heeft dit enkel aan zichzelf te danken. De enorme concentratie van rijkdom de afgelopen decennia heeft een decadente arrogantie doen ontstaan die de armen nog wat dieper met hun neus in de ellende drukt.

Ten tweede vloeit hieruit voort dat armoede onmogelijk enkel op het niveau van arme mensen kan worden aangepakt. Wie de ongelijkheid niet drastisch inperkt zal nooit kunnen komen tot een wegwerken van de armoede. Dat is een neoliberale belofte die nog nooit werd ingelost. Armoede is inderdaad (mede) een gevolg van de middelen die een rijke klasse zich toeeigent en afneemt van de armen. Het is een accumulatieproces dat arme mensen berooft van hun bestaansmiddelen en hen nodig heeft om zich in stand te houden.

Ten derde is het logisch dat de armoede nooit kan verdwijnen als permanent nieuwe armoede wordt gecreëerd. En hier komen we bij de perverse mechanismen van de afbouw van de verzorgingsstaten. Meer en meer wordt er op gewezen dat goed betaalde werknemers ‘bevoorrecht’ zijn, dat de sociale ‘lasten’ te hoog zijn en dat het geld in tijden van bezuinigingen ‘moet gaan naar wie het echt nodig heeft’. Kortom, overheden moeten keuzen maken en die keuze moet gaan naar ‘de armen’, te koste van werknemers die met hun vakbonden nog enkel ‘gevestigde belangen’ dienen.

Wie goed luistert naar de commentaar bij elke staking, begrijpt dat hiermee een gevaarlijke spiraal op gang kan worden gebracht. Sociale zekerheid en armoedebeleid zijn namelijk niet aan elkaar tegen gesteld. Integendeel, zij vullen elkaar aan. Zonder sociale zekerheid zou de armoede in België niet 15 % maar zeker 26 % bedragen. De beste manier om armoede te bestrijden is mensen tegen armoede te beschermen, ervoor te zorgen dat ze niet arm worden. Anders is het dweilen met de kraan open.

Wie de sociale zekerheid tegenover armoedebestrijding stelt verdedigt in feite een herverdeling aan de onderkant van de maatschappij in plaats van rijk naar arm. Het zijn volgens die redenering de niet-arme werknemers – die geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor de armoede - die moeten inleveren voor de armen, terwijl de rijken ongemoeid worden gelaten. Mensen die samen moeten vechten voor hun rechten worden op die manier verdeeld en er wordt een valse tegenstelling gecreëerd.

Een alternatief

Voor de linkerzijde kan de prioriteit daarom niet gaan naar armoedebestrijding. Dat klinkt misschien vreemd op het eerste gezicht, maar is wel volstrekt logisch. Want wie de armoede wil uitroeien zal in eerste instantie de verarmingsprocessen moeten aanpakken, de oorzaken van de armoede bekijken en ondertussen de hoogste nood lenigen. Want naar welk sociaal-economisch systeem we ook streven, mensen zullen altijd en overal sociale bescherming nodig hebben.

Armoede is niet het probleem van arme mensen, maar van een hele samenleving en zal daarom op het niveau van die samenleving moeten worden bestreden.

Dat betekent dat de sociale bescherming heel breed moet worden gezien en die hele samenleving ook ten goede moet komen. Een status quo is geen alternatief en het gaat niet op aan de ene kant een verzekeringsmechanisme en aan de andere kant een bijstandssysteem in stand te houden.

We zullen moeten nadenken over en werken aan een nieuw en beter systeem dat bescherming biedt aan rijk en arm, een systeem waar iedereen toe bijdraagt en iedereen van profiteert, waar iedereen in betaalt naar vermogen en iedereen van krijgt in functie van behoeften.

Het is daarbij logisch dat de huidige indeling van de sociale zekerheid niet kan behouden blijven. Iedereen heeft gezondheidszorg nodig, alle gezinnen met kinderen verdienen steun. Anderzijds moeten de werknemersorganisaties voldoende inspraak blijven hebben in verzekeringen voor hun leden. Maar ze zullen zich ook moeten inzetten voor wie eventueel toch nog uit de boot valt.

Een ander punt is de noodzaak aan een bredere definitie van sociale bescherming. Idealiter, met het oog op de uitroeiing van armoede, zal het gaan over het arbeidsrecht, het werkgelegenheids- en loonbeleid, de openbare diensten, de sociale zekerheid, armenzorg en bijstand.

Hoe goed bedoeld ook, alle maatregelen die enkel voor de armen zijn bedoeld, kunnen nooit met succes worden bekroond. De vakbonden zullen hun rol moeten herdefiniëren en er zal moeten nagedacht worden over een hervorming van de financiering van sociale bescherming. Het is duidelijk dat er nieuwe financieringsbronnen moeten aangeboord worden en een belasting op de nu onbelaste financiële transacties kan daarbij een rol spelen. We moeten nadenken over wat we Europees willen organiseren en wat best op nationaal of lokaal vlak behouden blijft.

Dat werk zou dringend moeten beginnen. De arbeidersbeweging heeft een nog zeer belangrijke rol te spelen, niet enkel voor het verdedigen van de rechten van werknemers, maar ook voor de uitroeiing van de armoede. 1 mei moet weer een strijdfeest worden, tégen uitbuiting en vóór emancipatie. Dat erfgoed moeten we beschermen.

(Uitpers nr. 132, 12de jg., juni 2011)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 132


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie