Uitpers nummer 122

Interview met Nasser Al-Ghawi, slachtoffer van etnische zuivering in Oost-Jeruzalem


door Ludo De Brabander

Sinds vorige zomer zijn radicale joodse kolonisten begonnen met de uitdrijving van Palestijnse families uit hun huizen in Sheik Jarrah, een wijk in Oost-Jeruzalem. In totaal 28 families, zo'n 500 mensen, zijn met uitdrijving bedreigd. De kolonisten kunnen rekenen op de hulp van de politie, rechtbanken, de gemeente Jeruzalem en de IsraŽlische regering.

De uitdrijvingen passen in de uitvoering van een veel groter plan met als doel een 'joodse continuÔteit' rond het oude stadsdeel van Jeruzalem te organiseren. Sheik Jarrah moet een schakel vormen in deze zionistische omcirkeling die verder ook de Palestijnse Olijfberg in het oosten en Silwan (de zogenaamde 'stad van David') in het zuiden omvat. In 1980 werd Oost-Jeruzalem bij IsraŽlische wet geannexeerd, maar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bestempelde deze annexatie als van 'nul en generlei waarde' (resolutie 478, 30 juni 1980) en beschouwt het stadsdeel als Palestijns Bezet Gebied. We hadden een gesprek met Nasser Al-Ghawi, die sinds hij uit zijn huis is gezet op 2 augustus 2009, elke dag samen met andere verdreven gezinnen aan de overkant van zijn huis kampeert.

Waarom ben je uit je huis gezet?

De kolonisten beweren dat ze het huis hebben gekocht van een joods fonds dat het pand in de 19de eeuw zou hebben verworven. Zij staven dit met zogenaamde authentieke documenten die nog dateren uit de Ottomaanse periode. In ons geval en dat van andere verdreven families oordeelde de IsraŽlische rechtbank in het voordeel van de kolonisten. Voor de andere families is er nog niets beslist. Nochtans besliste het Hooggerechtshof eerder, in 2006, dat de kolonisten niet over voldoende overtuigende bewijzen beschikten dat de grond en de huizen ooit joodse eigendom waren. De rechter besliste daarop om de bestaande situatie te bevriezen. Sinds de IsraŽlische bezetting van 1967 is onze eigendom al 3 keer 'verkocht', de laatste keer aan een radicale zionistische organisatie die luistert naar de naam, Bayit Ehad ('ťťn huis') en die streeft naar de etnische zuivering van Oost-Jeruzalem. Ze wordt gefinancierd door Irwin Moskovitz, een joods-Amerikaanse ondernemer en patroon van de kolonistenbeweging. We worden uit ons huis gezet om de stad te judaÔseren. Dat wil zeggen dat zoveel mogelijk Palestijnen moeten verdreven worden. Er volgde een hele procedure die uiteindelijk leidde tot een uitdrijvingsbevel. Onze advocaat kreeg de toestemming van Turkije om in de oude Ottomaanse archieven te zoeken naar bewijsmateriaal, wat tot een diplomatiek incident leidde met IsraŽl. Na negen dagen zoeken vond onze advocaat 110 jaar oude documenten die aantoonden dat dit land altijd Palestijns was. In eerste aanleg zei de rechter dat niet kon geoordeeld worden over de echtheid van ons document. Dit bracht ons tot in het Hooggerechtshof dat oordeelde dat het document echt is, maar dat we de termijn van de procedure hadden overschreden. Onze zaak werd afgewezen. Op 2 augustus om kwart na vier in de ochtend drongen speciale troepen ons huis binnen en zetten mij en mijn familie op straat. Mijn jongste dochter was 19 maanden toen we uit ons huis werden gezet. Het gaat om een groot huis met 8 appartementen. Amper enkele uren later trokken families van kolonisten met hun hele hebben en houden in ons huis. Sindsdien kamperen we aan de overkant van de straat op de stoep.

Maar hoe kunnen deze nieuwe bewoners zomaar je huis inpalmen. Het is toch bijzonder twijfelachtig dat zij of hun voorouders ook maar enige band hebben met dit huis?

Zij moeten niets aantonen. Het hele zionistische apparaat is er op uitgerust dat de wetgeving altijd in het voordeel speelt van de kolonisatiepolitiek. Het zijn immers joodse IsraŽli's die de wetten maken en stemmen. Opeenvolgende zionistische regeringen zijn zelf de drijvende kracht achter de bouw van joodse nederzettingen in Palestijns gebied. Het is hun gerechtelijk apparaat dat daarna over recht en orde moet oordelen. Het spreekt voor zich dat we daar weinig gerechtigheid moeten van verwachten. Maar we laten ons niet meer doen. Dit is ons land en Oost-Jeruzalem moet de hoofdstad van een toekomstige Palestijnse staat worden. Door hier te kamperen toon ik dat. Het is onze vorm van verzet, geweldloos verzet.

Je familie is al eens verdreven

In 1948, toen de Arabisch-IsraŽlische Oorlog, uitbrak, leefden mijn ouders in Al-Sarafan, waar ze eigenaars waren van 16 dunum land (0,1 ha) en werkten als boeren. De oorlog maakte vluchtelingen van hen, maar ze bleven in de buurt van hun land tot 1956, toen ze verplicht werden om uit te wijken naar Sheikh Jarrah in Oost-Jeruzalem (toen onder Jordaanse controle, nvdr). Daar bouwden de hulporganisatie van de Verenigde Naties (UNRWA) en de Jordaanse overheid huizen voor Palestijnse vluchtelingen. Een overeenkomst tussen UNWRA en JordaniŽ bepaalde dat drie jaar na de bouw ervan, het landgoed zou worden gerund door de familie die er woont.

Onze families zijn afkomstig van Jaffa, Haifa en Lod, allemaal plaatsen die vandaag in IsraŽl liggen. De kolonisten gebruiken het argument dat ze eigenaar waren van onze huizen en grond voor de oorlog van 1948 uitbrak, ook al weten we dat dit gelogen is. Hoe zit dat dan met de plaatsen waar onze families vandaan komen? Honderdduizenden mensen zijn tijdens de oorlog verdreven uit hun dorpen en steden. De IsraŽli's zorgden daarop met wetten dat we niet konden terugkeren naar onze huizen. Ze confisqueerden of vernietigden onze bezittingen. Waar zijn onze rechten? Waarom kunnen joodse kolonisten onze huizen claimen op basis van een vals eigendomsbewijs dat refereert aan een eigenaarschap van voor 1948? Onze ouders zijn met geweld uit hun huizen gezet. Dat is ons opnieuw overkomen. Sinds we hier kamperen worden we geregeld aangevallen. Voor oudere vrouwen en kinderen wordt geen uitzondering gemaakt. We leven in voortdurende angst. Mijn tent is al 17 keer aangevallen of afgebroken. Regelmatig komen radicale zionisten op provocatieve wijze bidden voor ons huis. Dat gebeurt altijd onder begeleiding van een stevige politiemacht. Eind oktober vorig jaar verwondden de kolonisten zeven van onze familieleden. Ze moesten naar het ziekenhuis om hun verwondingen te laten verzorgen. De politie was in de buurt, maar greep niet in. Kort daarop werden vijf lokale Palestijnse bewoners gearresteerd, zogezegd omdat ze de kolonisten hadden aangevallen. Het keert zich uiteindelijk altijd tegen ons."

Jullie lijken op heel wat internationale aandacht te kunnen rekenen. Ook in IsraŽl leeft de verontwaardiging.

"Ja, we kunnen rekenen op de steun van tal van IsraŽlische mensenrechten- en vredesactivisten, internationalen en Palestijnen. Elke vrijdag komen ze met honderden en soms zelfs duizenden samen om te protesteren tegen onze uitdrijving. Het protest groeit en zelfs de IsraŽlische media schrijven er over. De autoriteiten reageren zenuwachtig. Elke vrijdag verandert onze buurt in een militaire zone. Enkele weken geleden gebruikte de politie veel geweld tegen de manifestanten. Een tiental onder hen is toen gearresteerd en riskeert hoge boetes. De politie lijkt het protest in de kiem te willen smoren en kent maar een taal: die van de macht. Geregeld wordt me gevraagd of de manifestaties iets veranderen. Ik antwoord dan ja. Ze zorgen eerst en vooral voor de aandacht die we nodig hebben. Ik hoop dat de media-aandacht er zal toe leiden dat de IsraŽlische burgers begrijpen dat de Palestijnse rechten niet voortdurend kunnen onderdrukt worden. Ik heb de indruk dat ook de houding van het gerecht verandert. Er loopt een nieuwe procedure voor de rechtbank en ik hoop dat alle belangstelling ervoor zal zorgen dat onze zaak eerlijker wordt behandeld. Het dwangschrift om ons huis te verlaten was alleen maar aan mijn vader gericht. Dat gaat over slechts een appartement. Iemand heeft echter het woord 'anderen' toegevoegd. De rechter zegt dat dit niet van hem afkomstig is en heeft nu een onderzoek geopend naar schriftvervalsing. Dat stemt me hoopvol. Ik reken er op dat er een einde komt aan het kamperen."

Naschrift

Op 29 mei kregen twee andere families een aanmaning om hun huis binnen de 45 dagen te verlaten op straffe van boetes. Voor elke dag dat de deadline niet wordt gerespecteerd, riskeren de families een boete van 350 shekel (= 75 euro). Elk gezin kreeg ook het bericht dat het zou veroordeeld worden tot 12.000 shekel (2.550 euro) voor elk van de afgelopen zeven jaar die ze zogezegd op de hoogte waren van het 'echte' eigenaarschap. "Ik ben geboren in dat huis", zegt Karim Siyam (37). "Sinds we de brief hebben ontvangen zijn we doodsbang dat ze ons elke dag uit ons huis kunnen zetten".

(Uitpers nr. 122, 11de jg., juli-augustus 2010)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 122


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie