Uitpers nummer 122

Politiek centrum verschrompelt in Nederland


door Willem Bos

De parlementsverkiezingen in Nederland op 9 juni lieten een aanmerkelijke verschuiving in het politieke landschap zien. De oude regeringscoalitie - sociaaldemocraten en christendemocraten - verloor haar meerderheid. De liberalen wonnen en de rechts-populistische anti-islampartij van Geert Wilders werd met 24 zetels de derde partij van het land.

De grootse verliezer was het christendemocratische CDA van de huidige minister-president Balkenende die bijna gehalveerd werd (van 41 zetels naar 21) (1). De rechts-liberale VVD, die de afgelopen periode in de oppositie zat, steeg van 22 naar 31 zetels en werd net iets groter dan de sociaaldemocratische PvdA, die drie van haar 33 zetels verloor. De VVD is nu de grootste partij, maar tegelijkertijd de kleinste grootste partij in de Nederlandse parlementaire geschiedenis.

Verschrompeling van het centrum

Het meest opvallende van deze uitslag is het wegzakken van de traditionele partijen, de verschrompeling van het politieke centrum. Decennialang haalden de drie traditionele stromingen christendemocraten, sociaaldemocraten en liberalen samen tussen de 80 en 90% van de stemmen. De enige vraag na de verkiezingen was dan of de christendemocraten dit keer met de liberalen gingen regeren of weer eens met de sociaaldemocraten. Nu hebben deze drie partijen gezamenlijk nog maar een krappe meerderheid.

Het meest opvallende is de historische nederlaag van de christendemocraten, die bijna een eeuw lang een centrale rol speelden in de Nederlandse politiek. Met uitzondering van de periode van de twee paarse kabinetten (1994-2002, waarin sociaaldemocraten en liberalen samenwerkten) zaten de christendemocraten in het centrum van de macht. Nu zijn ze de vierde partij van het land.

De grootste winnaar van de verkiezingen is de rechts-populistische anti-islampartij PVV van Geert Wilders die 15 zetels winst boekte en op 24 zetels kwam. Hoe verontrustend deze opmars van Wilders ook is, echt een verrassing is het niet. De steun voor Wilders is een voortzetting van de doorbraak van de LPF van Pim Fortuyn die in 2002, negen dagen na de moord op Fortuyn, met 26 zetels de tweede partij werd. De LPF is aan onderlinge conflicten ten onder gegaan, maar het ressentiment onder het electoraat is blijven bestaan en Wilders heeft daar met zijn scherpe anti-islam vertoog op weten te scoren.

Wilders

Het electoraat van Wilders bestaat vooral uit kiezers die we zouden kunnen omschrijven als de verliezers van de neoliberale globalisering, of misschien nog sterker als mensen die denken dat zij wel eens de verliezers kunnen gaan worden. Zo slaat zijn anti-moslimretoriek vooral aan in de zogenoemde overloopgemeenten waar een belangrijk deel van de autochtone arbeidersklasse de afgelopen decennia vanuit de grote steden naar toe is verhuisd en waar het aantal moslimimmigranten zeer beperkt is. Ook in Limburg, waar het aantal immigranten uit de Maghreb zeer laag is, haalde de PVV van Wilders een monsterscore. Het is vooral het angstbeeld van de massa-immigratie en de gewelddadige islam die de kiezers tot een stem voor Wilders heeft gebracht.

Het is geen toeval dat Wilders in de verkiezingscampagne - naast het thema van het stoppen van de massa-immigratie - een aantal linkse standpunten op sociaaleconomisch gebied verdedigde: geen aantasting van het minimumloon, handhaven van het ontslagrecht en geen verhoging van de pensioenleeftijd. Het is evenmin toeval dat zijn partij op de eerste twee punten in het parlement eerder het omgekeerde standpunt had ingenomen en dat hij het punt van de pensioenleeftijd een week na de verkiezingen weer liet vallen.

En links…

Terwijl de traditionele partijen en vooral de twee grootste regeringspartijen de rekening gepresenteerd kregen, is links er niet in geslaagd om van de onvrede van de kiezers te profiteren. GroenLinks won weliswaar drie zetels en heeft er nu tien, maar dat is een stuk minder dan waarop gehoopt werd. Een deel van haar potentiële kiezers blijkt op het laatste moment toch overgestapt te zijn naar de PvdA, toen de verkiezingsstrijd steeds meer een strijd werd tussen de PvdA en de VVD.

Daarbij is het nog maar de vraag of deze partij (die voortkomt uit drie kleinere linkse partijen, waaronder de Communistische Partij en de Pacifistische Socialistische Partij) nog tot links van de sociaaldemocratie gerekend kan worden. Op verschillende sociaaleconomisch punten staat ze inmiddels rechts van de PvdA. Ze is bijvoorbeeld - net als de PvdA - voor verhoging van de pensioenleeftijd maar pleit in tegenstelling tot de sociaaldemocraten voor een verkorting van de werkloosheidsuitkering van drie naar één jaar.

De SP, de enige consequent anti-neoliberale partij, verloor 10 zetels en kwam op 15 zetels. Dat op de uitslagenavond bij de socialisten toch een feestelijke stemming heerste, was het gevolg van het feit dat de partij de afgelopen tijd in de peilingen nog veel dieper was gezakt. De leiderswisseling na de desastreus verlopen gemeenteraadsverkiezing in maart van dit jaar heeft de partij geen slecht gedaan. De nieuwe lijsttrekker Emile Roemer deed het goed in de debatten en in de loop van de campagne zijn er een aantal Kamerzetels bij gewonnen. Maar het blijft natuurlijk een ernstig probleem dat de partij die als geen ander het neoliberalisme heeft bestreden nu met de crisis niet voor- maar achteruit gaat en dat de proteststemmen naar rechts gaan.

Regeringsdeelname

Twee zaken spelen hierbij een rol. In de eerste plaats de sterke gerichtheid op het parlement en op regeringsdeelname. In 2006 werd de kiezers vooral voorgehouden dat als ze op de SP gingen stemmen de partij zo groot zou worden dat regeringsdeelname mogelijk werd. Dan zou er eindelijk wat veranderen. Toen dat niet lukte, keerde een deel van het electoraat zich weer van de partij af. Overigens, ook als het de partij wel was gelukt om als junior partner aan een regering deel te nemen, was een deel van de kiezers teleurgesteld geweest over de resultaten. De kracht van socialisten ligt uiteindelijk niet in haar parlementaire of gouvernementele positie, maar in de wijze waarop ze haar achterban weet te mobiliseren, de wijze waarop ze maatschappelijke druk weet uit te oefenen.

En dat brengt ons op het tweede punt: de houding van de SP ten opzichte van de sociale strijd en sociale bewegingen. Mede als reactie op haar vroegere maoïstische politiek van het oprichten van ‘eigen’ sociale bewegingen die als mantelorganisaties functioneerden (inclusief een ‘eigen’ vakbeweging), heeft ze nu een zeer afstandelijke houding ten opzichte van de werking in sociale bewegingen. Die houding komt er op neer dat het belang van sociale bewegingen inclusief de vakbeweging wordt erkend, maar dat een eigen werking in de bewegingen ontbreekt. Acties van de (vak)beweging worden gesteund, en zo nodig wordt er kritiek geleverd op de opstelling van de vakbondsleiding, maar van een systematische werking binnen de vakbeweging is geen sprake. En dat geldt ook voor andere sociale bewegingen. Daarmee laat de partij een belangrijke mogelijkheid voor sociale machtsvorming liggen. Het zwaartepunt van het partijwerk ligt heel sterk op het propagandistisch uitdragen van successen in parlementaire organen en veel minder op het versterken en het wortelen van de partij in de sociale strijd.

Groeiende instabiliteit

De verkiezingsuitslag zal leiden tot een periode van grote politieke instabiliteit. Het is voorlopig nog onduidelijk welke regeringscombinatie mogelijk is. Een regering met twee partijen is onmogelijk. Voor een regering met steun van een meerderheid in het parlement zijn drie, vier of meer partijen noodzakelijk. Aangezien verschillende partijen verschillende combinaties afwijzen, is dat een puzzel die niet makkelijk op te lossen valt en die tot een weinig stabiel resultaat zal leiden.

Wat voor regering er ook uitkomt, het zal een regering zijn die het meest drastische bezuinigingspakket sinds de oorlog door zal voeren. Daarbij zal ze kunnen rekenen op groeiend maatschappelijk verzet. Ondanks de verrechtsing van het politieke klimaat - die door de verkiezingsuitslag nog eens bevestigd werd - is er ook een duidelijke onderstroom van verzet. De schoonmakers hebben met de langste staking sinds 1933 een succes geboekt dat meteen doorwerkte in de staking van het gemeentepersoneel (2). Ook de overwinning van de oppositie in de vakbond voor de publieke sector ABVAKABO is een duidelijk teken aan de wand (3). Veel meer dan de regeringssamenstelling zal de omvang van het maatschappelijk verzet de komende periode bepalend zijn. Als de SP er in slaagt om zich in te schakelen in de dynamiek van deze strijd kan zij als oppositiepartij een belangrijke rol spelen en zich aanzienlijk versterken.

(Uitpers nr. 122, 11de jg., juli-augustus 2010)

Voetnoten

(1) De Nederlandse Tweede Kamer telt 150 leden die verkozen worden met een systeem van evenredige vertegenwoordiging, zonder kiesdrempel. Er deden 19 partijen aan de verkiezingen mee, waarvan 10 de kiesdrempel haalden en in de nieuwe Kamer vertegenwoordigd zijn.

(2) Zie daarover: Willem Bos: ‘De geboorte van een nieuwe vakbeweging’, http://www.grenzeloos.org/artikel/viewartikel.php/id/1672.html

(3) Zie daarover Rob Lubbersen in dit nummer van Uitpers

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 122


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie