Uitpers nummer 83

Pleidooi tegen "botsting der beschavingen"


door Koen Stuyck

Sami Zemni. 'Politieke islam, 9/11 en jihad'. Uitgeverij ACCO, Leuven, 2006,
ISBN 90-334-6274-5, 230 blz., 19,50 euro


Dit boek zou prominent moeten figureren in de literatuurlijstjes van iedereen die in dit land met buitenlands beleid bezig is. Diplomaten, adviserende beleidsorganen en politici zelf kunnen er heel wat uit opsteken, vooral als het gaat over de relaties met het Midden-Oosten.

Maar ook de minister van binnenlandse zaken die wel eens 's nachts wakker ligt van zogenaamd 'moslimterrorisme' zou het werk best laten bestellen door zijn kabinetschef. Tenminste als ze bereid zijn verder te kijken dan de heersende consensus die de islam louter bekijkt als de nieuwe vijand bij uitstek en onverenigbaar met democratie.

Als populair wetenschappelijk werk is de tekst niet gespeend van wetenschappelijk jargon, wat eigen is aan het genre. Maar de vlotte schrijftrant en de consistente lijn van het vertelde verhaal maakt het boek toch heel leesbaar. De dwingende oproep van de auteur, namelijk om de idee van een 'botsing der beschavingen' naar de papierversnipperaar te verwijzen, wordt er vooral door onderstreept.

De auteur steekt van wal met een essentieel stukje wetenschapskritiek. Ten eerste beschrijft hij de moderne opsplitsing van de bestudering van het menselijk gedrag in verschillende kentheoretische disciplines zoals sociologie, economie en politicologie; daartegenover staat de monolithische en reductionistische benadering van de antropologie en het oriŽntalisme waarmee niet Westerse samenlevingen werden en worden bestudeerd; vervolgens haalt hij het baanbrekende werk 'Orientalism' aan van Edward SaÔd dat de Westerse benadering van andere culturen fundamenteel bekritiseerde.

Het oriŽntalisme bestudeerde de samenlevingen in Noord-Afrika, het Midden- en het Verre Oosten puur op basis van de teksten die er waren en werden geproduceerd. Eenmaal men die teksten kende, kon men weten hoe de 'andere' denkt en functioneert. Sami Zemni wil met dit boek aantonen dat dat voor een belangrijk deel nog steeds zo is. In plaats van wetenschappelijk verantwoord en dus empirisch onderzoek te stimuleren naar hoe deze samenlevingen functioneren en wat hun burgers denken, blijft het beleid zich baseren op een oppervlakkige en bevooroordeelde kennis over het onderwerp. Ook al bestaan er ondertussen al wel relevante wetenschappelijke gegevens (zij het te weinig). Het is dan ook moeilijk opboksen tegen een gedateerd discours over de 'opkomst van het terrorisme' dat volledig gekaapt is door rechtse en conservatieve ideologen.

Eťn van de gevaarlijkste premissen van het rechtse discours is ongetwijfeld het poneren van de 'cultuurgemeenschap' als basis voor een natie, waarbij het klassieke basisprincipe van het democratisch burgerschap wordt ondermijnd. Westerse democratieŽn verworden daarbij tot 'etnieŽn,' en we weten tot welke toestanden dit kan leiden (Rwanda, Zuid-Afrika, IsraŽl). Maar ook liberale stemmen zoals Ayaan Hirsi Ali reageerden zeer negatief op de oproep voor nuance van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad: ze noemde hun rapport over de dynamiek van het islamitisch activisme "geen wetenschap maar kwakzalverij." Ik moest onwillekeurig denken aan Gerard Walschap die in zijn tijd de katholieke kerk voor 100% afwees, alhoewel de vergelijking verder niet opgaat want er bestaat geen islamitische kerk. Maar blijkbaar is het voor iemand als Hirsi Ali eveneens onmogelijk om nog genuanceerd over dit onderwerp na te denken.

De politieke islam zoals we die nu kennen is een modern gegeven, een verhaal dat startte met de Moslimbroederschap in Egypte, in de jaren '30 van de 20ste eeuw. Haar woordvoerders kwamen uit de beter opgeleide klassen. Belangrijk was dat ze een nieuwe stem vertegenwoordigden die het machtsmonopolie van de heersende elite en het politieke establishment in vraag stelden. Ze waren de spreekbuis van een grote groep mensen die sociaal mobiel waren maar verstoken bleven van enige politieke participatie. En dat is de belangrijkste vaststelling om het succes van deze en latere islamitische bewegingen te begrijpen. Je zou kunnen zeggen dat, terwijl in Europa de ontvoogding van het gewone volk betracht werd via de marxistische ideologie die religie afwees, in Egypte net islam de bindende factor was voor een volkse emancipatiebeweging. Wellicht was de positie van de kerk als machtige instantie in Europa niet vreemd aan die situatie. In de islamitische wereld waren er alleen de seculiere regimes die de bevolking onder de duim hielden. Centraal in de opbouw van de organisatie was dat promotie gebaseerd was op inzet en niet op basis van sociale afkomst. Hassan Al-Banna, grondlegger van de moslimbroederschap, benadrukte steeds het belang van een meritocratie op basis van specifieke kennis als motor van de vooruitgang in plaats van de traditionele nadruk op afkomst. Dat is een bijzonder modern concept.

Sayyid Qutb, de tweede belangrijke ideoloog van de Moslimbroeders stelde: "Als in een maatschappij de soevereiniteit alleen Allah toebehoort, dan uit zich dat ook in de gehoorzaamheid aan de goddelijke wet; dan is iedere persoon in die maatschappij vrij van dienstbaarheid aan anderen en alleen dan kan hij de ware vrijheid proeven." Een soort religieus anarchisme misschien maar wel een delegitimering van de bestaande sociale hiŽrarchie...

Waarnemers die de islam zonder meer als een verstarde conservatieve religie afdoen weten niet waar ze het over hebben, zegt Sami Zemni. In ieder geval zijn recente oproepen tot een nieuwe Ijtihaad (het zoeken van nieuwe oplossingen voor juridische problemen zonder beroep te doen op de bronnen van de wetgeving) niet zo nieuw als je zou denken. Eerder zijn bestaande bewegingen uit het zicht gebleven van het Westen of wil het Westen ze gewoon niet zien. Terwijl de bevolking geen enkele verbetering ondervond in haar povere levensomstandigheden ondanks opeenvolgende beloftes van een elite die moderne elementen importeerde uit het Westen maar uiteindelijk vooral bezig was met het instandhouden van de eigen machtspositie. Het succes van de politieke islam is mee het resultaat van het falen van het marxistische, nationalistische en liberale discours.

Na de jaren van verspreiding in de jaren '80 namen de verschillende regimes het begrippenkader over van het islamisme. Terwijl ze een economisch liberalisme invoerden, vooral als strategie om hun macht te kunnen behouden, namen meerdere belangengroepen in de samenleving de termen islam en sharia over. Zemni pleit er voor om achter het discours steeds de verschillende groepen, interpretaties en belangen te identificeren - er schuilen 'werelden van verschil' tussen, zegt hij. De auteur stelt ook de onontkoombare vraag, "wat is de Sharia eigenlijk?" En daarop blijkt geen eenduidig antwoord te bestaan: het is alvast geen wetboek zoals we dat in Europa kennen. Volgens geciteerde wetenschapper Ben Negrissa, meer een 'betekenaar' in plaats van een 'betekenis.' Daaruit volgt dat het invoeren van de Sharia aanleiding was tot een heftig debat en er ondermeer een breuk ontstond met de gewelddadige groepen die ondertussen het licht hadden gezien (zie verder).

Na de 1ste golfoorlog slaagde de politieke islam erin om zich in politieke partijen om te vormen en zo mee het politieke toneel te betreden tijdens de prille democratiseringsprocessen van de regimes. In het zelfde tijdsgewricht internationaliseerden de gewelddadige groepen door contacten te leggen met de Afghaanse Mujahidin. Die waren oorspronkelijk gefinancierd door de VS, Pakistan en Saudi-ArabiŽ. Ze hadden in de jaren '80 gevechtservaring opgedaan in de strijd tegen de Sovjet-Unie. Daarna speelden de gewelddadige groepen in de nationale evoluties in het Midden-Oosten meer en meer een marginale rol. Ook vanwege de efficiŽnte repressie van de autocratische regimes.

Als Zemni het dan over de gewelddadige groepen heeft, en dat is sinds de jaren '90 toch de meest zichtbare vorm van islamisme in het Westen, dan zitten er volgens hem (en andere collega's die het fenomeen bestudeerd hebben) twee belangrijke 'motoren' achter: ten eerste de zg. 'petro-islam' van Saudi-ArabiŽ. Als reactie op de sjiitische revolutie in Iran legden de Saudi's een enorme bekeringsijver aan de dag in de hele islamitische wereld. Ze hadden er het geld voor. De Verenigde Staten zag in de zeer conservatieve vormen van de islam een ideaal middel tegen de 'socialistische' en 'progressieve' staten zoals SyriŽ, Irak en zelfs Egypte, zij steunden de Saudische staat massaal. Wanneer ze in de grensgebieden tussen Pakistan en Afghanistan de islamistische vrijheidstrijders begonnen te steunen legden ze de basis voor een ongeleid projectiel dat de wereld nog heel zuur zou opbreken. Het verhaal van Osama Bin Laden als ťťn van de grote financiers van deze beweging is een hallucinant element in het geheel maar historisch is hij wellicht geen uitzondering. Hij kon zijn fortuin jarenlang opbouwen onder de beschermende hand van de CIA, de Pakistaanse geheime dienst ISI en de Saudische prins Turki Ibn FayÁal en keerde zich later als een gevallen engel tegen zijn broodheren. Voor de gewelddadige groepen werkten Bin Laden en de Mujahidin als een magneet.

Een andere belangrijke factor is de globalisering. De meeste rekruten voor de internationale gewelddadige strijd zijn ontwortelden en ontheemden. Ze staan los van de grote islamitische bewegingen en komen van overal. Bin Laden had ondertussen het geprivatiseerde en beursgenoteerde terrorisme uitgevonden. LabťviŤre heeft het over "een affairistisch islamisme dat zich inschrijft in de netwerken van de transnationale georganiseerde misdaad, beschermd door fiscale paradijzen." Ondertussen zijn grote stukken van Afghanistan weer enorme producenten van heroÔne geworden...

In het Westen vergeet men intussen makkelijk dat 'globalisering' ook een gevolg is van bewuste beleidskeuzes. De deregulering, het uit handen geven van beleids- en controle instrumenten aan de vrije markt enz. Een en ander maakt dat het onderscheid tussen het zg. centrum van de Islam (het Midden-Oosten) en periferie (de rest van de wereld waar islamieten wonen, en dat gaat van de Europese hoofdsteden tot in Zuid-Oost AziŽ) zinloos geworden is. Zemni stelt vast dat het niet langer het 'centrum' van de islamitische wereld is die een hoofdrol speelt in de evolutie van het gewelddadig islamisme. De meeste rekruten voor de gewelddadige groepen komen eerder uit Europa of AziŽ. 

Illustratief voor deze laatste vaststelling zijn ook de recente politieke evoluties in het Midden-Oosten. Zo haalde de Al-Wasat partij in Egypte, de politieke erfgenaam van de moslimbroederschap, via haar onafhankelijke kandidaten (de partij is nog steeds niet erkend), 88 zetels binnen bij de verkiezingen van oktober 2005. Een belangrijke keuze van Al-Wasat is: "Aangezien het volk de bron van de macht is en het volk altijd verdeeld en pluralistisch zal zijn, kan het niet anders dan dat dit zich zou weerspiegelen op het politieke veld." Ze hebben dus geen ambitie voor een ťťnpartijsysteem. Het democratisch deficit blijft, maar de islamitische stem komt stilaan aan bod.

Ook Marokko, waar het politieke landschap heel sterk gestuurd wordt door de koning, kennen de twee Islamitische formaties een interessante ontwikkeling. Sinds september 2003 oefent ťťn van die formaties, de PJD (Parti de la Justice et du Dťveloppement) effectief de lokale macht uit in een aantal steden w.o. de oude keizerstad Meknes. De woorden van de burgemeester van deze laatste stad, Aboubakr Belkora, zouden recht uit de mond van iemand als Patrick Janssens kunnen komen: "Er bestaat geen islamistisch beleid. Er is een goed of een slecht beleid. Een goed beleid is gebaseerd op transparantie, eerlijkheid en competentie. En dat is wat we doen. De vruchten van deze politiek kunnen jullie zelf vaststellen, door doorheen de stad te wandelen." Ook al past het succes van de PJD in een strategie van de Makhzen (het politiek-administratieve apparaat rond het koningshuis dat het land regeert) om de "angel uit de partij" te halen, toch vormen ze een relevante en democratische stem in het openbare debat.

Algemene conclusie: het simplistische beeld van het islamisme als zijnde een per definitie ondemocratische en antiwesterse beweging is fout. Het is vandaag noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen de verschillende strekkingen en stromingen binnen het islamisme. Het feit dat de heersende regimes in Marokko, Egypte en Turkije zelf schoorvoetend deze partijen toelaten is een gezonde evolutie, zeker gezien de gewoonte van Westerse regeringen  om de dictaten van de autocratische maar 'stabiele' regimes kritiekloos te aanvaarden.

De Frans-Zwitserse onderzoeker Patrick Haenni heeft het verder over 'marktislamisme.' Nog een tendens die schatplichtig is aan de processen van globalisering waarbij persoonlijk succes en het streven naar een (islamitische) welvaartstaat vooraan staat. Een cultuur die heel vergelijkbaar is met die van protestantse bewegingen in de Verenigde Staten. Met andere woorden, een cultuur die perfect strookt met het neoliberale gedachtegoed. De reactivering van de Zakat (islamitische aalmoezen) past hier perfect in, tegenover een sociale zekerheid georganiseerd door de staat, die daarin jammerlijk faalde de voorbije decenia. Het nieuwe merk muslimgear illustreert hoe de drager van deze nieuwe houding 'economisch efficiŽnt en politiek gedesengageerd' is. Het merk probeert een nieuwe vorm van 'muslimpride' te cultiveren.

Zoals ook al bleek op het seminarie van 15 december 2006 over 'Democratie in de Arabische wereld', is de scheiding tussen kerk en staat helemaal geen punt voor de politieke islam. Zemni wijst er op dat het in Europa evenmin gaat om een eenduidig concept maar wel om het resultaat van een historisch en lokaal ingebed conflict dat niet als een soort algemene maatstaf voor democratie kan gehanteerd worden. In dit verband zondigen Westerse sociologen nog al te vaak tegen de 'sociologische valstrik: het discours van de geobserveerde wordt kritiekloos overgenomen. Met andere woorden, het is niet omdat het containerbegrip 'de eenheid van kerk en staat' door sommige islamitische tenoren graag in de mond wordt genomen dat dit nu de realiteit is of zelfs maar de wens is van 'de politieke islam.' Belangrijke historische werken over het kalifaat (de instelling die tijdens de zg. bloeitijd van de islam het wereldlijke bestuur van de samenleving organiseerde) zoals dat van Abd al-Raziq (1888-1966)zeggen overigens het tegengestelde: "de islam is een boodschap van God en geen systeem van regering, een religie en geen staat." De islam was m.a.w. een religie die zich kon verzoenen met om het even welk staatssysteem dat de moslims verkozen.

De gewelddadige islamistische groepen maken nu uitdrukkelijk gebruik van zelfmoordaanslagen. Een moderne uitvinding van de sjiitische strijders in Iran tijdens de oorlog met Irak. Van daaruit werd het geÔmporteerd in de strijd tegen IsraŽl door sjiitische strijders van Hezbollah in Libanon. Daarna volgde ook soennitische geradicaliseerde jeugd overal ter wereld.

Een belangrijk onderscheid zal wellicht blijven bestaan, nl. dit tussen de lokale strijders (Palestina, Libanon, TsjetsjeniŽ) en de globale jihad-strijders. Terwijl de laatsten een weerspiegeling zijn van de excessen van onze moderne wereld, kadert voor de eersten hun strijd binnen de idee van de ambitie op een natiestaat. Ze worden vooral getekend door de uitzichtloosheid op een billijke of rechtvaardige oplossing. Dat is vanzelfsprekend een groot verschil met de globale strijders die met hun blind geweld trachten de 'zinloze' westerse eenheidsworst te overstijgen. Ze weten zich lid van een grotendeels virtuele gemeenschap, nadat ze meestal volledig gebroken hebben met familie en vrienden. Militanten die werden opgepakt bleken in hun verleden niet religieus te zijn geweest, wel kwamen ze vaak in contact met het gerecht. Een belangrijke consequentie voor het beleid is dan: het is niet via de politiek van islamisten of de religie dat de jongeren in Europa toetreden tot deze stroming. Hun ommekeer is eerder het gevolg van persoonlijke vernedering en soms zelfs nutteloosheid. Die gevoelens worden verlaten en vervangen door agressieve gevoelens van wraak. M.a.w.een subjectief psychologisch mechanisme ligt aan de oorzaak van dit soort terrorisme. De aantrekkelijkheid van de globale jihad ligt volgens Zemni en Olivier Roy vooral in het anti-imperialisme. Dertig jaar geleden zouden dezelfde jongeren tot een extreemlinkse splintergroep zijn toegetreden... De bijna rituele onthoofdingen van al-Zarqawi en de zijnen zijn bijvoorbeeld afgekeken van de Rode Brigades, en hebben niets te maken met een vermeende gewelddadige islamitische geschiedenis.

Tenslotte eindigt Zemni met een veelzeggende waarschuwing: "Als het humanisme er niet in slaagt om een Westerse zelfkritiek te combineren met een minimum aan empathie of meevoelen met de rest van de wereld, lopen we steevast af op nog meer geweld en onbegrip." We moeten in de eerste plaats stoppen met de andere te ontmenselijken. Interreligieuze en interculturele dialogen kunnen de spanning hoogstens wat milderen zolang bestaande onrechtvaardigheden niet worden aangepakt. We moeten dus dringend wat minder stilstaan bij het hoe van de rechtvaardiging en vooral kijken naar het waarom van de oorzaken.

(Uitpers, nr. 83, 8ste jg., februari 2007)


http://koenstuyck.blogspot.com/

Zie elders in dit nummer van Uitpers een interview van Wim de Neuter met de auteur van het boek onder de titel: Sami Zemni: ĎIslam, islamisten en jihadÖ het debat wordt fout gevoerdí.

U kunt dit boek via de link hieronder rechtstreeks bestellen bij:

en wie via Uitpers bestelt, helpt Uitpers!

De link:

http://www.groenewaterman.be/anne/index.dll?webpage=index.htm&inpartcode=480402&refsource=uitpers

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 83


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie