Uitpers nummer 83

Erkenning van Israël door het Palestijnse volk


door Egbert Talens

"Waarom zouden de Palestijnen hun kwelgeest eigenlijk moeten erkennen? Is dit niet de omgekeerde wereld? Komt dit niet neer op het goedkeuren van diefstal, het ongestraft laten van onrecht, het onderuit halen van datgene wat wij met een mooi woord ethiek en moraal - ofwel de normen en waarden als de bouwstenen van onze democratische samenleving - noemen?"

Aan dit kwalijke rijtje kan met gemak nog een hele reeks worden toegevoegd, geheel in lijn met wat het Palestijnse volk is overkomen, sinds de politieke zionisten hun oog lieten vallen op de regio Palestina, vanaf ca. 1860.

Voor een goed begrip wil ik de term politieke zionisten nader verklaren. Zionisme als een geestelijk verlangen van Joden (die buiten het gebied wonen dat zij als het Beloofde Land beschouwen) naar dit gebied, is legitiem. Ook een daadwerkelijk vertrek of opgaan (Aliyah) naar Palestina, door de Olim, hoeft niet veroordeeld te worden als zijnde een inbreuk op de politiek-sociologische c.q. de maatschappelijke verhoudingen in Palestina. Sterker, er valt veel voor te zeggen omdat in goed overleg en in goede harmonie, voor en door Joden en niet-joden in deze regio veel valt te bereiken, op allerlei gebied, zodat welvaart voor allen er gestalte krijgt. Sinds eeuwen woonden er ook Joden (Israelieten) in Palestina. Tot ongeveer 1917 in redelijk goede verhoudingen met hun niet-joodse streekgenoten. Echter was dit niet het beeld dat vanaf ca. 1860 sommige Joden in Oost-Europa voor ogen stond, toen hun idee van een exclusieve Jůůdse staat wortel begon te schieten. Integendeel, de niet-joodse gemeenschappen in Palestina werden als een sta-in-de-weg beschouwd en de vraag rees of het zinvol zou zijn deze gemeenschappen geheel of gedeeltelijk naar elders te verplaatsen. Daarmee verkreeg het idee van zionisme een politieke component van weliswaar de eerste orde maar in ethisch-moreel opzicht ook een orde van zeer bedenkelijk niveau. De in dit betoog gehanteerde term (de) politieke zionisten moet in die zin opgevat worden.

De complexiteit van het IsraŽlisch-Palestijnse conflict maakt dat in het nu volgende pleidooi voor een Palestijnse erkenning van de staat IsraŽl noodgedwongen wordt uitgegaan van aanwezige relevante kennis bij de lezer, want de ruimte hier laat niet toe een volledig beeld te schetsen van wat zich sinds 1860 in maatschappelijke zin heeft afgespeeld met betrekking tot Palestina. Mijn boek Een bijzondere relatie. Het conflict IsraŽl-Palestina nader bekeken -- 1897-1993 (*) bevat gedocumenteerde informatie waarmee iemand die ťcht in deze materie geÔnteresseerd is, zich nader kan oriŽnteren.

Eind negentiende en begin twintigste eeuw deden zich in het Nabije Oosten ontwikkelingen voor die grofweg als volgt omschreven kunnen worden. Er kwam een einde aan de vierhonderdjarige periode van Ottomaans bestuur over het gebied van Marokko (Maghreb, het westen) tot aan Irak (Mishrak, het oosten), het gebied dat nu met Midden-Oosten wordt aangeduid. Tegelijkertijd probeerden de landen die deel uitmaakten van dit Ottomaanse Rijk nu (eindelijk) zelfstandigheid te bereiken. Een en ander werd besproken tijdens de vredesbesprekingen in Parijs (1920). De afwikkeling van de Eerste Wereldoorlog overheerste de onderhandelingen, met name de Duitse herstelbetalingen. Daarnaast werd bekeken hoe de landen in dit Midden-Oosten tot die zelfstandigheid gebracht konden worden. Het waren vooral het Verenigd Koninkrijk (UK) en Frankrijk die daarbij hun belangen trachtten veilig te stellen, wat gezien hun toenmalige positie in de wereld als koloniale machten begrijpelijk was. Als derde kaper op de kust doken (Oost-)Europese joden op die met hun politiek-zionistische project ĎIsraŽlí een deel van de cake trachtten in te pikken. De geografische plaats waar hun beoogde Joodse Staat gerealiseerd moest worden, was op het Eerste Zionisten Congres te Bazel (1897) even een punt van discussie geweest, maar al snel werd besloten dat alleen het gebied ten oosten en ten westen van de rivier de Jordaan de logische locatie voor het Nationaal Tehuis van het Joodse Volk kon zijn. Toen een deel van dit gebied door de Volkenbond als mandaatgebied aan het UK werd toegewezen, Palestina namelijk, kregen vooral de Britten te maken met de politieke zionisten. In 1917 werd met de Balfourverklaring duidelijk dat het UK zich sterk wilde maken voor het object dat het realiseren van een Nationaal Tehuis voor het Joodse Volk in Palestina inhield. Dat de joods-politieke aanspraken zouden botsen met de gevoelens van de overwegend niet-joodse gemeenschappen in Palestina, die over hķn bestemming beslist andere ideeŽn koesterden, lag tamelijk voor de hand. Immers waren het van elders komende Joden (Olim) die in Palestina aan hun Ďnationaleí gevoelens een maatschappelijke vorm wilden geven, welke laatste moest uitmonden in een Joodse staat.

Het grondgebied voor die beoogde Joodse staat omvatte dus zowel het ten oosten als het ten westen van de rivier de Jordaan gelegen gebied; vanaf de Hedjaz-spoorlijn tot aan de Middellandse zee. Maar reeds in 1923 maakte Winston Churchill het de politieke zionisten duidelijk dat hun gebieds-aspiraties niet verder mochten reiken dan westelijk van de Jordaan. Die aderlating moesten de politieke zionisten zich laten welgevallen. Met een plechtige eed zwoeren ze dat hierna geen millimeter meer zou worden afgestaan van het resterende deel van het Britse Mandaatgebied Palestina.

Het lukte de Britten niet de beide partijen in Palestina met elkaar te verzoenen. De politieke zionisten hielden vast aan hun joodse eisen. De overwegend niet-joodse gemeenschappen in Palestina baseerden hun aanspraken op geboorterecht, anders dus dan hun tegenstrevers die Ďvan buitení kwamen. De Britten weigerden in te gaan op het standpunt dat ůůk bijbelse argumenten de joodse aanspraken op Palestina kracht bijzetten; verder dan een historisch recht op Palestina van joodse zijde wilde Lord Balfour c.s. niet gaan. Verdere onderhandelingen (van politiek-zionistische zijde) met ook andere partijen brachten daarin geen verandering zodat er -- voor het toekennen c.q. erkennen van legitieme aanspraken op Palestina -- in juridische zin geen verschil leek te bestaan tussen enerzijds de aanspraken van Olim-zijde (de joodse pioniers) en anderzijds die van de kant van de gemeenschappen in Palestina. [Een opmerkelijke uitkomst: politieke aanspraken van Joden die van ťlders komen -- op een gebied waarmee (enkel) een historische band bestaat -- worden beschouwd als zijnde gelijk aan politieke aanspraken van Ūn Palestina geboren joden en niet-joden. Dat de in Palestina geboren Joden en niet-joden dezelfde politieke rechten hebben, lijkt vanzelfsprekend. De facto woonden sinds mensenheugenis ůůk Joden (IsraŽlieten) in Palestina. Uiteraard geldt (ook) voor hen het geboorterecht, met alle politieke consequenties van dien. En voor de niet-joden daar? Het idem dito ligt voor de hand. Echter maakt de tweede clausule van de Balfourdeclaratie Ďduidelijkí a) dat de niet-joodse gemeenschappen geen politŪeke rechten hebben, en b) dat de daar genoemde civiele en godsdienstige rechten (slechts) voor een deel van het niet-joodse bevolkingsaandeel gelden. Het is zinvol daarbij te bedenken dat in 1917 dit aandeel ruim 90% van de Palestijnse bevolking uitmaakte, want clausule en verklaring wekken de indruk dat het een minderheid betreft. Een knap politiek staaltje, maar ethisch-moreel van een beschamende orde. Zie genoemde verklaring. Voor nadere relevante uitleg, mijn boek.]

In de periode van 1917 tot 1947 verslechterden in Palestina de onderlinge verhoudingen tussen de instromende Joden en de niet-joodse gemeenschappen in hoge mate. Van enige verzoening was absoluut geen sprake. Negen buitenlandse commissies deden in deze periode onderzoek naar de onlusten in Palestina. De slotconclusies vertoonden een grote overeenkomst: Ďhet zijn de politiek-zionistische facts on the ground (gecreŽerde omstandigheden) die tot heel veel maatschappelijke onrust aanleiding geven...í

Het is nůg een wonder dat Engeland pas in februari 1947 het Mandaat (dat de Volkenbond in 1923 aan het Verenigd Koninkrijk verstrekte) teruggaf aan de opvolger van die internationale instantie, de Verenigde Naties. In mei 1947 verzocht de Britse VN-vertegenwoordiger het probleem van een zelfstandig Palestina op de agenda van de VN te plaatsen. Hij kondigde tevens aan dat Engeland op 15 mei 1948 zijn laatste troepen uit Palestina zal terughalen. Daarna begonnen, zowel binnen als buiten de VN, enkele maanden van intensief onderhandelen over The Question of Palestine. Deze term is een grove vertekening van de reŽle situatie ter plekke. Er was, en er Ūs, wel degelijk sprake van een kwestie, maar niet van een Palestijnse kwestie. Het is een kwestie die het gevolg is van de politiek-zionistische poging, in Palestina een staat te vestigen, waarbij weinig of gťťn rekening wordt gehouden met de belangen van de niet-joodse gemeenschappen in dit zelfde gebied. Vanuit het gezichtspunt van de laatsten, zeg de Palestijnen, komt dit neer op: hoe aan het Ďstelení van (een) land een legitieme basis verleend kan worden...

Op 29 november 1947 kwam in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een eind aan het touwtrekken over Palestina. Met een twee-derde meerderheid werd aan Resolutie 181-II legitimiteit verleend: een aanbeveling tot het verdelen van Palestina in een Joodse Staat, een Arabische Staat, en Jeruzalem tot een corpus separatum onder internationaal bestuur voor de tijd van tien jaar. Een juridische basis voor deze aanbeveling was feitelijk niet voorhanden. Een verzoek om het Internationale Hof van Justitie (Den Haag) daarover een uitspraak te laten doen, werd -- zij het met het kleinst mogelijke verschil (21<>20) -- afgewezen. Zodat voor resolutie 181-II enkel de twee-derde meerderheid van de Algemene Vergadering van de VN de juridische c.q. internationaal-rechtelijke basis vormt. (**)

Op 14 mei 1948 riep Ben-Gurion de Joodse Staat IsraŽl uit, waarbij resolutie 181-II mede als rechtsbasis voor die staat werd gehanteerd, althans volgens de schriftelijke onafhankelijkheidsverklaring van IsraŽl. Zůu de Joodse Staat zich aan deze resolutie hebben gehouden, waarmee internationaal-rechtelijk vast ligt op welk stuk van Palestina de Joden aanspraak kunnen maken, wellicht had een modus vivendi gevonden kunnen worden voor ook de niet-joodse gemeenschappen in dit voormalige Britse Mandaatgebied. En zůu de Joodse Staat hebben afgezien van het met geweld verdrijven van circa drie-kwart van die niet-joodse gemeenschappen daar, alsmede van het fysiek uit de weg ruimen van Palestijnse notabelen en/of verzetsmensen (in zín totaliteit een systeem van ethnic cleansing), wie weet zůuden de gemoederen na verloop van tijd dusdanig bedaard zijn, dat de Palestijnen toen al (zeg 1950-1951) genoegen hadden genomen met het in resolutie 181-II tot Arabische Staat bestempelde gebied. Niet dus...

[Na het uitroepen van IsraŽl kwam het tot oorlogshandelingen tussen dit land en troepen vanuit omliggende Arabische landen. Het verschil in sterkte tussen de belligerenten viel in het voordeel van IsraŽl uit. (Dit is onbekend omdat van joodse kant met veel bombast het tegendeel werd en wordt beweerd.) Hoe dan ook, IsraŽl kwam met gebiedsuitbreiding uit de strijd tevoorschijn. Zie verderop meer hierover.]

Na deze lange maar noodzakelijke inleiding lijkt het tijd om uit te leggen waarom de Palestijnen, against all odds, over moeten gaan tot (een) erkenning van de staat IsraŽl. Zoals in de aanvang gesteld: in feite een volstrekte onmogelijkheid, een erkenning die vanuit Palestijnse optiek indruist tegen elk gevoel van rechtvaardigheid, omdat Ďde dief weg komt met een kromme, krakkemikkige verdediging van het door hem gestolen goed, in plaats van bestraft te wordení. Het kan dan ook niet anders of er zal sprake zijn van Ďerkenningí. [ Te vergelijken met het Ďaccepterení van 181-II, door de politieke zionisten, in 1947. ] Thans een door omstandigheden afgedwongen erkenning, omdat er anders geen stukje Palestijns gebied meer over blijft, waar de Palestijnen hun eigen boontjes nog mogen doppen. Maar mijn uitleg is voor een goed begrip van het hierna volgende nog niet volledig. Het gebied dat in 181-II als Arabische Staat wordt aangegeven, werd tijdens de oorlog van 1967 door IsraŽl bezet. [Gelijk met het schiereiland SinaÔ ten zuiden, en de Golan-hoogte ten noorden van IsraŽl.] Deze oorlog werd en wordt door IsraŽl c.s. (in strijd met de realiteit) uitgelegd als een verdedigings-oorlog van IsraŽlische kant. Een uitleg die het volstrekt onlogische (en immorele) IsraŽlische gesteggel verklaart over de Arabische Staat die de Palestijnen toebehoort. Met IsraŽlische controle over dit gebied bestond immers de gelegenheid om het in 1947 van joodse kant accepteren van 181-II in Ďklinkende muntí om te zetten? Echter had ĎIsraŽlí zich zestien jaar lang op zoín confrontatie voorbereid, waaraan bevrijding van Yesha ten grondslag lag. [Yesha staat voor Judea en Samaria. Bevrijding slaat op de lang gekoesterde politiek-zionistische wens het totale gebied ten westen van de Jordaan als rechtmatig grondgebied voor de Joodse staat in het bezit van IsraŽl te brengen.] Genoemd gesteggel zou voor deze schrale these eigenlijk een aansprekende onderbouwing moeten inhouden.

Bezien wij nu het deel van Palestina (in procenten uitgedrukt) dat in 1947 via VN-resolutie 181-II aan de Palestijnen werd toegekend en thans -- door de feiten op de grond -- voor hen resteert. Dat was in í47 42,88% geweest. [Tegen 56,47% voor de Joodse Staat; 0,65% had de VN voor (groot-)Jeruzalem bestemd, als corpus separatum.] Na de bestandsakkoorden tussen enerzijds IsraŽl, en anderzijds Egypte, Libanon, JordaniŽ en SyriŽ (1949), resteerde voor de Palestijnen nog ca. 22%. [IsraŽl Ďveroverdeí (kaapte, in Palestijnse optiek) immers tijdens de oorlog van 1948/49 nog ruim 20% erbij.] Vandaag de dag resteert nog een percentage van rond 10%. Gevolg van de IsraŽlische maatregelen op de Westelijke Jordaanoever: annexatie van gebied; vestiging van nederzettingen daar; tot staatsgronden benoemen van hele stroken land (langs de Jordaan); het oprichten van de Veiligheidsmuur etc. Alles in strijd met internationaal-rechtelijke bepalingen en/of de Vierde Conventie van GenŤve. "Maar IsraŽl mag die gebieden die het vanaf 1948 veroverde toch niet behouden?", zou iemand (met recht van spreken) kunnen opwerpen. Waarmee de verwarring rond het politiek-zionistische project ĎIsraŽlí exact wordt aangegeven. Want vanaf het moment dat in de VN over dit project -- abusievelijk aangeduid met the Question of Palestine, dus -- werd geconfereerd, vergaderd, gedelibereerd, gekonkelfoesd, waarbij beloften werden gedaan en/of bedreigingen geuit, werd duidelijk dat de politieke zionisten werd toegestaan datgene te doen, wat anderen niet mogen. Orwellaanse toestanden... De door de VN ingestelde speciale commissie die in Palestina onderzoek moest gaan doen naar de situatie ter plekke, UNSCOP, had door haar werkwijze min of meer te kennen gegeven dat legitieme aanspraken van de zijde van de daar aanwezige niet-joodse gemeenschappen er slechts ten dele toe deden. Zů resoluut werd de ĎPalestijnseí vertegenwoordiging -- het Arabische Hoge Comitť -- te verstaan gegeven dat van enige internationaal-rechtelijke aanspraak op geheel Palestina van de kant van de niet-joodse gemeenschappen aldaar, niets kon komen! Daarmee stond de uitkomst van het UNSCOP-onderzoek eigenlijk al bij voorbaat vast. Onvoorstelbaar, maar blijkbaar in overeenstemming met Westerse opvattingen van toen ťn ... van nu! Daarmee kan -- het wordt eentonig -- een lang verhaal kort gehouden worden. Arbitraire standpunten ter zake, ingenomen door overwegend de Westerse landen, hielden en houden in dat vooral joodse belangen ertoe doen, en ofschoon Ďiedereení zich op 29 november 1947 verbaasd toonde over het feit dat voor resolutie 181-II, door Sub-comitť 1 van UNSCOP ingebracht, een kwalitatieve meerderheid werd bereikt, viel van verbazing daarover aan ArŠbische zijde niets te merken. Vandaar het Ďiedereení...

- - -

Nadere details m.b.t. de flagrante verkrachting van de legitieme aanspraken van Palestijnen op hun grondgebied bespaar ik u hier. Wie wil kan zich met mijn boek verder verdiepen. Uiteraard blijven de gebeurtenissen in Palestina de aandacht opeisen van de VN. Gedurende de eerste twee decennia in het bestaan van de joodse staat, was die VN-aandacht nog wel meegevallen. Maar toen was er die oorlog van 1967 -- van joodse zijde met veel bombarie de Zesdaagse Oorlog genoemd, alsof het een soort Tiendaagse Veldtocht betrof -- en vanaf nu komen de IsraŽlische VN-vertegenwoordigers steeds vaker onder vuur te liggen, vanwege de halsstarrige houding van IsraŽl, m.b.t. de volstrekt redelijke eisen die door de internationale gemeenschap aan dit land-in-overtreding worden voorgehouden -- let wel, niet opgelegd -- teneinde een regeling of oplossing te bewerkstelligen voor dit al maar voortwoekerende conflict. Telkens moeten de VS met een veto de joodse staat te hulp schieten, anders zou de laatste de facto over moeten gaan tot het treffen van maatregelen, die aan de bezetting van de Palestijns gebieden een eind zouden maken. Daartoe is IsraŽl namelijk niet bereid. Genoemde ĎZesdaagse Oorlogí was (immers) opgezet om de ontbrekende gebieden van wat als het Beloofde Land gold, aan de Joodse Staat toe te voegen. Daar had een geheim echelon zestien jaar lang aan gewerkt. In eerste instantie werd de Suez-crisis (1956) aangegrepen om die gebiedsuitbreiding te realiseren. En had president Eisenhower niet dwars gelegen, wie weet zou de IDF toen reeds hebben uitgevoerd, wat (pas) in 1967 tot stand kon worden gebracht...

Zoals gesteld doen IsraŽl-adepten er alles aan, de achtergronden van de oorlog van 1967 zodanig te schetsen, dat het erop neer komt dat IsraŽl zich moest verdedigen tegen een geallieerde Arabische aanval. Men schrikt er zelfs niet voor terug bijbelse termen te hanteren: David (het kleine, onschuldige IsraŽl) tegenover Goliath (de boze Arabische reus), maar uit de ter beschikking komende documenten (archieven, dagboeken etc.) komt IsraŽl steeds duidelijker naar voren als een land met een oppermachtige, goedgeprepareerde oorlogsmachine, dat in 1967 noch werd aangevallen, noch getalsmatig in het nadeel was. Integendeel, het was immers uit op Yesha, de joodse troetelnaam voor Judea en Samaria? En huidige beschikbare bronnen tonen aan dat IsraŽl qua manschappen en materiaal in die zin beslist niet de mindere was van zijn tegenstanders. De merkwaardige capriolen van Gamaal Abd-al Nasser in de SinaÔ-woestijn konden ĎIsraŽlí (!) niet beter uitkomen. Met ĎIsraŽlí doel ik op genoemd geheim echelon, dat, naar mij waarschijnlijk lijkt, voor een deel gerekruteerd zal zijn uit de Consultancy groep (mensen rond Ben-Gurion) die belast was geweest met het verzamelen van alle mogelijke gegevens over de Palestijnen, o.a. in samenhang met het plan ĎPalestina te ontdoen van ongewenst gespuisí, te weten (de) niet-joodse gemeenschappen in Palestina, en met het verwoesten van hun huizen en dorpen met inzet van alle beschikbare middelen. Die niet-joodse gemeenschappen werden bijna beschouwd als dieren, die naar believen vernietigd konden worden. Nauwkeurige details over Palestijnse dorpen gaven o.a. een instantie als het Joods Nationaal Fonds de mogelijkheid, relevante acties minutieus voor te bereiden. In het holst van de nacht werden huizen opgeblazen, soms met bewoners en al...

De thans vrijkomende gegevens bevestigen de diverse geluiden die bijna identiek van Palestijnse kant naar voren kwamen over de ramp die hen trof, een ramp die de Palestijnen zelf Al Nakba noemen. Het was echter de veel doeltreffender politiek-zionistische propaganda waarmee destijds deze verhalen van Palestijnse kant als verzinsels, of van geheel andere aard werden voorgesteld. Zij die deze propaganda nog steeds voor waar houden, maken zich steeds belachelijker. In het licht van de vrijkomende archieven en dagboeken is die IsraŽlische propaganda eenvoudig onhoudbaar, en door er aan vast te houden verraadt men er een enkel op IsraŽlische belangen gefocuste, onevenwichtige instelling mee. Terwijl de stem, gegeven aan resolutie 181-II nu juist tot een evenwichtige beoordeling en dito beleid dwingt, hoe vervelend en lastig men dit ook moge vinden.

Politiek is in ethisch-morele zin een verre van volmaakt bedrijf. Het compromissen (moeten) sluiten brengt onontkoombaar mee dat belangen van partijen geweld aangedaan wordt. Echter mogen bestaansrecht en bestaansmogelijkheden van een volk nimmer op een dergelijke manier met voeten worden getreden. In samenhang met het ethisch onhaalbare politiek-zionistische project ĎIsraŽlí zijn wat dit betreft grenzen ontoelaatbaar ver overschreden, en het staat voor deze auteur als een paal boven water dat die onhaalbaarheid eens tot uiting zal komen, ůf door krachten van buiten af, ůf doordat het systeem aan eigen onvermogen, van binnen uit dus, te gronde gaat.

Het zou onjuist zijn aan het Palestijnse volk voor te houden dat op termijn aan hun ellende eens een eind gaat komen en dat geduldig moet worden afgewacht tot dit feit zich gaat voordoen. Catastrofes die zich eerder voordeden, kunnen slechts ten dele als voorbeeld worden genomen. Iedere socio-politieke ramp heeft een op zichzelf staande dynamiek. De genocide op het Armeense volk bijvoorbeeld zal nooit zodanig recht gezet kķnnen worden dat (nabestaanden van) de slachtoffers terug zullen kunnen keren naar het (nu Turkse) gebied. Wat de Holocaust, eigenlijk Shoía, betreft, met deze waanzinnige en niet-te-beschrijven ramp hangt ook de Palestijnse Nakba samen, waarmee natuurlijk niet beweerd wordt dat ze onderling vergelijkbaar zijn. Verre van dat. Het navrante van deze zaak is wel dat de Palestijnen de slachtoffers zijn van de slachtoffers van de absoluut criminele en abjecte Nazi-praktijken, die zich in Europa afspeelden. Arabische en Palestijnse leiders die er niet voor terugschrokken gemene zaak te maken met Hitler en zijn trawanten, hebben de belangen aan Palestijnse kant grote, zij het onevenredige, schade toegebracht.

Het unieke aan de Palestijnse Nakba schuilt in de omstandigheid dat internationale bemoeienis er (mede) aan ten grondslag ligt. Dit schept tevens een unieke kans voor de Palestijnen, want op haar beurt vormt die bemoeienis tegelijkertijd de begrenzing van het politiek-zionistische project ĎIsraŽlí dat, alle steun en medewerking ten spijt, niet is uitgemond in een rustig en veilig bestaan van de beoogde Jůůdse staat. Hoe paradoxaal ook, zonder een realistische politieke regeling voor de Palestijnen, zal de staat IsraŽl geen rust kennen. Tegelijkertijd mogen de Palestijnen niet op meer rekenen, dan met resolutie 181-II is aanbevolen.

Hiermee raken wij aan de feitelijke politieke begrenzing van wat met VN-resolutie 181-II internationaal-rechtelijk is aangegeven. Een Joodse staat voor het Joodse volk, en een Arabische staat voor het Palestijnse volk. Beide staten binnen het gebied dat met het Britse Mandaat voor Palestina gegeven is. Noch voor de Joden, noch voor de Palestijnen zit er meer in het politieke vat. Dit uitwerken (door de internationale gemeenschap) zal met zich meebrengen dat bťide volken eindelijk de kans krijgen met een redelijk zicht op zelfontplooiing hun eigen boontjes te doppen. Bťide, want al lijkt het dat IsraŽl zijn eigen broek redelijk kan ophouden, zonder de vijf miljard dollar die de joodse staat jaarlijks o.a. vanuit Amerika en Europa ontvangt, zou het niet lukken. Een bedrag dat neerkomt op 13,6 miljoen dollar per dŠg !

Wie niet kan verliezen, kan (ook) niet winnen. Als de Palestijnen zouden beseffen welk een geducht politiek wapen zij in handen hebben om ook aan de economische ruif van de Westerse mogendheden te mogen snuffelen, namelijk door de staat IsraŽl te erkennen binnen de grenzen van 4 juni 1967, dan zouden ze geen dag langer met het voorstel tot die erkenning wachten, Šls van de zijde van IsraŽl tegelijkertijd het voorstel tot erkenning van Palestina wordt gedaan. Deze stap van Palestijnse kant zal een groot deel van het Palestijnse volk verlossen van hun dagelijkse portie ellende van armoede, gevangenschap en niet-erkenning. Teneinde een erkenning van diť staat IsraŽl kracht bij te zetten, moet een referendum onder Šlle Palestijnen aantonen dat minstens twee-derde van mening is dat die erkenning nogmaals moet worden uitgesproken. Nogmaals? Ja, omdat de PLO in november en december 1988 die erkenning reeds hťťft uitgesproken. ĎHet leverde ons niets opí, zou een Palestijn kunnen opmerken. Toch wel, durf ik te stellen, maar o.a. door acties van Abul Abbas (***) en andere militante Palestijnse moslims die menen dat Palestina islamitisch grondgebied is -- daarmee dezelfde fout makend als godsdienstige joodse zeloten m.b.t. jůůds grondgebied -- hebben de IsraŽliŽrs kans gezien, de gifbeker erkenning van IsraŽl buiten de deur te houden, om zo op de oude voet door te kunnen gaan met de verjoodsing van de Westelijke Jordaanoever. Dit karwei is bijna voltooid. "Palestijnen, weet goed wat er speelt en let op uw zaak!" Voor alle duidelijkheid: genoemde erkenning van IsraŽl door de Palestijnen zal met garanties van de kant van de VS, Rusland, de EU, en de VN moeten worden omgeven, omdat IsraŽlische erkenning van Palestina er tegenover moet staan. Een kwestie van gelijk oversteken, zoals diplomatiek vereist is...

Niet eerder dan nŠ het bereiken van deze mijlpaal, zullen kwesties als de Palestijnse Ďvluchtelingení en Jeruzalem aan de orde kunnen komen.

Hoe reŽel is eigenlijk de kans voor een dergelijk referendum onder de Palestijnen? Het feit dat ze verspreid over alle continenten wonen, maakt dat de organisatie ervan bijna onmogelijk is. Ńls ze het zelf al willen, is internationale hulp onontbeerlijk. Steun van IsraŽlische zijde lijkt zo goed als uitgesloten. Van die kant is (stille) tegenwerking waarschijnlijker. En gezien de krachten die IsraŽl c.s. weet op te roepen, wereldwijd, zal genoemd referendum slechts met de grootste inspanningen te verwezenlijken zijn. Maar er speelt nog iets, waardoor -- zelfs bij een geslaagd referendum, en mťt een twee-derde meerderheid voor de erkenning van dŪt IsraŽl -- het resultaat zonder meer twijfelachtig blijft vanwege de basis van het (politiek-)zionistische project ĎIsraŽlí. Het standpunt namelijk dat onder de ĎPalestijnseí zon enkel plaats is voor ... IsraŽl. Een opvatting die steunt op joods en christelijk gedachtegoed. Vanuit dŪe optiek moet heel de Ďpolitiekí rond dťze Jůůdse staat IsraŽl getypeerd worden met: de leugen regeert...

(Uitpers, nr. 83, 8ste jg., februari 2007)

Noten:

* Een bespreking door Jan Mol verscheen, onder de titel De bijzondere relatie met IsraŽl in Uitpers nr. 81 van december 2006.

** Om een twee-derde meerderheid te verkrijgen voor resolutie 181-II werd een aantal landen omgekocht... De Filippijnen, HaÔti, Liberia, Frankrijk, de Benelux.

*** Eind mei 1990 pleegde Abul Abbas c.s. een aanval vanuit zee op het strand van Tel-Aviv. Daarna geraakten de gesprekken tussen de PLO en de Amerikaanse vertegenwoordiger Robert Pelletrau in het slop.

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 83


Copyright (C) 1999 - 2019. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie