Uitpers nummer 75

Samenwerkingsverbanden in bewapening


door Georges Spriet

De discussies over de Europese militaire industrie zijn op verschillende beleidsniveaus binnen de Europese Unie volop aan de gang. Het is duidelijk dat zowel de Europese Commissie als het Europees Parlement een grotere rol zien voor de Unie zelf ten nadele van de afzonderlijke lidstaten. Een stand van zaken

Eigenlijk is er een lange traditie in bewapeningscoŲperatie in Europa. Een gekend project is de Eurofighter. Maar er bestaan er nog wel enkele tientallen(1) andere.

In de raketsector heb je bijvoorbeeld Hot en Milan als anti-tankraketten, heb je Meteor als luchtraket, en ook nog Polypheme en Scalp. In verschillende samenstellingen gaat ít om samenwerking tussen Frankrijk, Duitsland, Spanje, ItaliŽ, Zweden, en Groot-BrittanniŽ.

Qua helikopters bijvoorbeeld, is er de EH 101 voor militair transport, die intussen in dienst is genomen. Het gaat om een samenwerking tussen ItaliŽ en Groot-BrittanniŽ. De NH 90 ook voor militair transport valt onder Duitsland, Frankrijk, ItaliŽ, Nederland en Portugal. De Tiger is een nieuwe gevechtshelikopter ontwikkeld in Duitsland en Frankrijk.

De reeds genoemde Eurofighter is een gevechtsvliegtuig waarbij Duitsland, Spanje, ItaliŽ en Groot-BrittanniŽ samenwerken. De A400M is een militair transportvliegtuig waaraan Duitsland, BelgiŽ, Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Groot-BrittanniŽ, Portugal en Turkije meewerken

Problemen

Analisten achten deze samenwerking echter helemaal geen succesverhaal. Ze wijzen erop dat de samenwerking beperkt blijft tot de aeronautica en de elektronica. Bewapening voor het landleger, voor de zeemacht blijft erg op de nationale leest geschoeid, zeggen ze. Bovendien gaat het om ad hoc samenwerking door de overheden opgezet, wat ingewikkelde institutionele en industriŽle afspraken met zich mee brengt, met als gevolg vertragingen en overstijging van de kostenramingen. Het belangrijkste argument voor een drastische beleidswijziging, volgens hen, is de fragmentatie of de nationale opdeling van de Europese markt. En bovendien is er geen geld voor onderzoek, zodat de kloof met de VS nog zal groeien.

Inderdaad, men is in Europese economische bewapeningskringen bezorgd om de toekomst. De ontwikkelingskosten van complexe wapensystemen worden alsmaar hoger, en overstijgen duidelijk de financiŽle capaciteiten van afzonderlijke landen, of afzonderlijke nationale industrieŽn. Daarbij komt dat er de laatste jaren bij de meeste nationale legers behoorlijk wat budget wordt weggekaapt door de buitenlandse operaties, waardoor er minder overblijft voor het investeringsgedeelte van de defensiebegroting. Dit alles tegen een achtergrond van sterk gedaalde militaire overheidsuitgaven, klaagt de industriesector. Deze toestand maakt dat het moeilijk concurreren is met de Amerikaanse bewapeningsindustrie die kan surfen op enorme hoge militaire budgetten in een beschermde lokale markt.

Initiatieven

Europese landen hebben al langer een reeks samenwerkingsinitiatieven uitgewerkt, op verschillende niveaus, met wisselende deelname van landen, wat een behoorlijk complex institutioneel landschap produceerde.

Zo heb je van in de jaren 1990 initiatieven als WEAG (Western European Armament Group), WEAO (Western European Armament Organisation), OCCAR (Organisation pour une coopťration commune pour líarmement), en de LOI (Letter of Intent).

Een woordje uitleg.

WEAG: een pan-Europees kader voor samenwerking qua bewapening waar alle NAVO- en EU-lidstaten aan participeren behalve Ierland en IJsland Deze groep wil meer efficiŽntie door harmonisering, de lokale markten openstellen, technologische en industriŽle versterking, samenwerking in onderzoek en ontwikkeling.

WEAO: opgericht in 1996. Is beperkt gebleven tot een onderzoekscel die de lidstaten bijstaat in hun Onderzoeks- en Technologieontwikkeling.

OCCAR(2): opgericht in 1996 door Frankrijk, Duitsland, ItaliŽ en Groot-BrittanniŽ die vooruitgang willen boeken via kleinere multilaterale samenwerkingsverbanden. In 2001 trad de Occar Convention in voege. Totnogtoe is het zuiver een managementagentschap voor multilaterale uitrustingsprogrammaís. De werkmethoden zijn nogal specifiek met transnationale project teams, vereenvoudigde goedkeuringsprocedures en een flexibele berekening van de "correcte industriŽle retour" (ter vervanging van de strikte "kostendeling gelijk aan werkverdeling" in andere multilaterale projecten). De meest gekende projecten zijn de Tiger gevechtshelikopter, de toekomstige generatie luchtdoelraketten, en het A400M militair transportvliegtuig. Via de deelname aan dit A400M programma is BelgiŽ lid geworden van Occar in mei 2003, en Spanje dat ook meedoet met de A400M is toegetreden op 6 januari 2005. Zweden zou ook willen toetreden maar heeft voorlopig geen programma waarmee het in Occar kan stappen.

Letter of Intent (LoI): In 1998 wilden de defensieministers van de zes voornaamste wapenproducerende landen in Europa de defensie-industrie helpen herstructureren via een "Letter of Intent". Het gaat om Frankrijk, Duitsland, ItaliŽ, Spanje, Zweden en Groot-BrittanniŽ. In 2000 tekenden ze een Framework Agreement waarbij een wettelijk en politiek kader wordt opgesteld voor grensoverschrijdende industriŽle herstructurering.

Recente ontwikkelingen

Sedert het werk van de Europese Conventie over de toekomst van Europa, dat uiteindelijk uitmondde in een voorstel tot verdrag voor een Grondwet voor de Unie, zijn er nieuwe belangrijke stappen gezet. Zo is er de oprichting van het Europees Defensie Agentschap (dat in het begin Bewapeningsagentschap noemde), de instelling van een onderzoeksprogramma The European Security Research Programma, en is er nu ook een Green Paper.

Het Defensie Agentschap (EDA) dat als dusdanig opgenomen werd in het tekstvoorstel voor de Europese Grondwet, is intussen al in werking. Men hoopt dat de EDA de band kan leggen tussen militaire planning en de bewapeningswereld, meer specifiek wat onderzoek en bestellingen betreft. Daardoor kan men een betere harmonisering bereiken qua materieel, standaardisering van uitrusting en gemeenschappelijke behoeften vertalen in gemeenschappelijke bestellingprojecten Zo luidt het in leidinggevende Europese kringen. Javier Solana hierover op de EDA conferentie van februari 2006: "Hoe kunnen we onze defensie research en technologie verbeteren? Vooreerst moeten we meer uitgeven. Wanneer het algemene defensiebudget misschien niet kan stijgen, moeten we de deelbudgetten herschikken. Vervolgens moeten we beter uitgeven. Dat betekent een focus op de sleuteltechnologie van de toekomst. Ten derde, en dit is wellicht het belangrijkste, we moeten meer tezamen uitgeven." Tegelijkertijd biedt dergelijk Agentschap de mogelijkheid om het institutionele kluwen qua bewapening in een meer coherente ordening te plaatsen. De verhouding kosten tegenover efficiŽntie zou daardoor drastisch kunnen verbeteren, wordt gesteld.

De beslissing van de Europese Raad op 17 november 2004 identificeerde vier grote doelstellingen voor het EDA:

  • "het ontwikkelen van defensievermogens op het gebied van crisismanagement (Ö);

  • het promoten en verbeteren van de Europese samenwerking op het vlak van bewapening (Ö);

  • het bijdragen tot de identificatie en, indien noodzakelijk, het uitvoeren van een beleid en maatregelen gericht op het versterken van de Europese industriŽle en technologische defensiebasis (Ö) ;

  • het promoten, in samenwerking met de researchactiviteiten van de Gemeenschap waar het past, van research gericht op het waarmaken van benodigdheden voor toekomstige defensie- en veiligheidsvermogens, en daardoor het versterken van Europaís industriŽle potentieel in dit domein (Ö)".

De eerste doelstelling is direct gelinkt met het behalen van de EUís ĎHeadline Goalí, en in het bijzonder met de initiatieven die worden ondernomen onder het European Capability Action Plan (ECAP). De ĎHeadline Goal 2010í is een ambitieus plan dat werd aangenomen door de EU-ministers van Defensie op 17 mei 2004. Door het plan verbinden de 25 lidstaten zich er toe tegen 2010 te kunnen reageren op crisissen overal in de wereld. Het gaat dan om humanitaire- en reddingsacties, crisismanagement, peace-keeping en gezamenlijke ontwapeningsoperaties. Volgens het plan moet de EU klaar zijn om de beslissing te nemen om binnen vijf dagen een operatie te lanceren, en de troepen moeten hun missie kunnen uitvoeren niet langer dan tien dagen na de beslissing van de EU om een operatie te ondernemen.

De andere drie doelstellingen gaan buiten het domein van crisismanagement. Ze zijn een poging om de verschillende inspanningen die gedaan worden op het gebied van bewapeningsbeleid en defensie O&T (Onderzoek & Technologie), die momenteel verspreid zijn onder de lidstaten, te rationaliseren en samen te brengen onder een autoriteit.

De Europese Commissie lanceerde in maart 2003 een actieprogramma om het Europees industrieel potentieel qua veiligheidsonderzoek te optimaliseren. De 65 miljoen euro moeten eigenlijk een algemeen programma voor Veiligheidsonderzoek voorbereiden dat vanaf 2007 zou in werking moeten treden. De Commissie liet zich ook adviseren door een "groep van personaliteiten"(3) om de prioriteiten te helpen bepalen voor dergelijke research. Haar rapport vormt de basis voor het volgende Framework Agreement. Ze wil voornamelijk capaciteitsgericht onderzoek tot op het niveau van het prototype, en anderzijds meent deze groep dat de kloof tussen civiele en militaire research moeten worden gedicht en de verschillende toepassingsmogelijkheden van de technologie geoptimaliseerd.

De Europese Commissie presenteerde in november 2004 een Groenboek over openbare aankopen van defensiematerieel. Dit werd aangevuld met een rapport(4) van het Europees Parlement dat op 17 november 2005 werd goedgekeurd. (zie kader). Het komt erop neer dat Europarlement een Europese Bewapeningsmarkt wil instellen die meer transparantie biedt, meer efficiŽntie en meer compatibiliteit(5)

Rapporteur Joachim WUERMELING (EVP-ED, DE)

Artikel 296 EG-Verdrag luidt: "Iedere lidstaat kan de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal." Op basis van dit artikel schermen veel lidstaten hun markten af en gunnen zij militaire opdrachten vaak aan nationale producenten. Volgens de rapporteur worden gunningsbesluiten vaak politiek beÔnvloed.
De rapporteur is het met de Commissie eens dat er druk moet worden uitgeoefend op de nationale aanbestedende organen op defensiegebied, zodat deze hun gewoonte om algemene derogaties op grond van artikel 296 toe te laten, zullen veranderen. De rapporteur pleit voor maatregelen om ervoor te zorgen dat defensie-aanbestedingen meer onder communautaire wetgeving gaan vallen in plaats van onder nationale wetgeving. Volgens Wuermeling zou de Commissie moeten komen met een interpretatieve mededeling waaruit haar vastbeslotenheid blijkt om het oneigenlijke gebruik van artikel 296 te stoppen. Tegelijk zou de Commissie moeten beginnen met het uitwerken van een nieuwe richtlijn voor aanbestedingen voor wapens, munitie en oorlogsmaterieel.
De internemarktcommissie roept de lidstaten op om actief met de Europese Commissie samen te werken met betrekking tot de nieuwe richtlijn en als eerste stap het Europees Defensieagentschap (EDA) te belasten met het ontwikkelen van een gedragscode voor defensie-aanbestedingen. Deze gedragscode moet onder andere:

  • informeren over regels voor eerlijke concurrentie en overheidssteun om verstoringen van de mededinging te voorkomen;
  • criteria bieden voor de geschiktheid en de keuze van de contractanten.

De rapporteur stelt ten slotte dat de nieuwe EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten op defensiegebied niet mag worden gebruikt als een instrument om Amerikaanse ondernemingen in staat te stellen de Europese defensiemarkten te infiltreren.

Besluit

In EU veiligheidskringen meent men dat de nood voor hervorming van de bewapeningssector algemeen erkend wordt, en dat bepaalde beleidsfuncties binnen het Unieraamwerk moeten worden gebracht. Maar men verwijst naar de verschillende aankoopfilosofieŽn en industriŽle strategieŽn in de EU lidstaten. De discussies over leveringszekerheid, het betrekken van de Commissie en relaties met derden, heel specifiek met de USA, blijft zeer controversieel, heet het daar. Daarbij komt nog dat niet-producerende landen dikwijls Amerikaans militaire materieel aanschaffen, en "aarzelen om het belang te erkennen van een Europees bewapeningsbeleid". Men is er echter stellig van overtuigd dat de fianciŽle en militaire (multilaterale operaties) argumenten de zogenaamde hindernissen zullen kunnen uitschakelen.

(Uitpers, nr. 75, 7de jg., mei 2006)

 

Dit artikels verschijnt ook in het tijdschrift Vrede van mei 2006 (http://www.vrede.be/tijdschrift.html)

Noten:

(1) Dit artikel is gebaseerd op "Armaments cooperation in Europe" van Burkhard Schmitt, Institute for Security Studies van de EU

(2) www.occar-ea.org. Wat het A400M programma betreft, hebben de deelnemende landen gezamenlijk 180 vliegtuigen besteld: Duitsland 60, Frankrijk 50, Spanje 27, Turkije 10, Groot-BrittanniŽ 25, BelgiŽ 7 en Luxemburg 1. De leveringen zijn gespreid van 2007 tot 2020

(3) waaronder vertegenwoordigers van verschillende bewapeningsindustrieŽn (Finmeccanica, Eads, Thales, Bae Systems) maar ook Diehl Stiftung, Siemens, etc.

(4) http://www.europarl.eu.int/news/expert/briefing_page/

(5) http://www.uni-kassel.de/fb5/frieden/themen/Europa/gruenbuch-ruestung.html

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 75


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie