Uitpers nummer 75

De Marokkaanse koning Mohammed VI is nog steeds ‘notre ami le roi’


door Wim de Neuter

Jean-Pierre Tuquoi, ‘’Majesté, je dois beaucoup à votre père…’ France-Maroc, une affaire de famille’, Albin Michel, Parijs, 2006, 250 blz., 19,50 euro, ISBN 2-226-17087-1

In de herfst van 1990 barst in Parijs en in de Marokkaanse hoofdstad Rabat een politieke bom. De Marokkaanse monarch Hassan II en zijn minister van Binnenlandse Zaken en trouwste paleiswachter, Driss Basri, ontsteken in een koninklijke woede. Ze slagen er niet in de publicatie te verhinderen van het boek ‘Notre ami le roi’ van Gilles Perrault.

Het boek is één grote aanklacht tegen de wreedheid en de willekeur van Hassan II. Driss Basri, gaat persoonlijk naar Parijs om zijn Franse (socialistische) ambtgenoot Pierre Joxe er toe aan te zetten Perraults boek te verbieden. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine weet dat een democratisch land als Frankrijk niet zo maar een boek uit de rekken kan halen. Ook al is het op vraag van een zeer bevriend staatshoofd als Hassan II. Het belet de socialistische excellentie niet om Perrault de mantel uit te vegen. Hij noemt ‘Notre ami le roi’ een \"onverantwoord boek\".

Hassan II en Driss Basri hopen in laatste instantie dat zij op hun ultieme wapen kunnen rekenen om de publicatie tegen te houden: geld. Uitgever Antoine Gallimard en auteur Gilles Perrault worden door het Marokkaanse hof benaderd. De Marokkanen stellen hen voor om tegen betaling van 10 miljoen Franse frank de integrale oplage van het boek uit de handel te nemen en door de papiermolen te draaien. Beiden weigeren. Perraults boek halt in een mum van tijd – tot grote verrassing van zijn uitgever – 200.000 exemplaren.

Op 2 maart van dit jaar toont de huidige koning van Marokko, Mohammed VI, nog eens aan dat hij graag in de voetsporen van zijn vader loopt. Ook hij verdraagt niet dat er in Parijs auteurs rondlopen, die ‘majesteitschennis’ plegen. Jean-Pierre Tuquoi, journalist bij Le Monde, is er zo één. In 2001 publiceerde hij een weinig flatterend portret van Mohammed VI in ‘Le dernier roi. Crépuscule d’une dynastie’ (1). Tuquoi mocht meer dan twee jaar lang geen voet meer op Marokkaanse bodem zetten. Een fluwelen beroepsverbod van zijne majesteit.

Sinds 1 maart ligt zijn nieuwste boek ‘Majesté, je dois beaucoup à votre père… France-Maroc, une affaire de famille’ in de winkels. Mohammed VI stuurt twee trouwe vazallen naar Parijs. André Azoulay, een veteraan van de Marokkaanse hofhouding en jarenlang economisch adviseur van Hassan II, en de baas van de Marokkaanse radio en televisie, Fayçal Larachi, ‘la voix de son maÎtre’ zoals hij door menig Marokkaan wordt genoemd. Beide heren gaan iets subtieler te werk dan Hassan II en Driss Basri destijds. Ze zwaaien niet met een flink pak bankbiljetten. Ze nemen, zoals het Franse satirische weekblad Le Canard Enchainé ons meldt, een legertje bevriende journalisten onder de arm om hen aan te sporen zo weinig mogelijk melding te maken van het majesteitschennende boek van Tuquoi. Beide heren bepleiten de zaak van hun monarch ook bij Reporters sans Frontières. Het resultaat: Tuquoi’s boek wordt in de Franse pers straal genegeerd.

Nochtans heeft de auteur een bijzonder sterk journalistiek werkstuk afgeleverd, waarin hij de feodale verhoudingen tussen de Franse presidenten en de Marokkaanse monarchie haarscherp ontleedt. Daarvoor is hij onder meer gaan praten met de man die er wellicht het meest over weet: Driss Basri, bijna een kwarteeuw lang de ‘trouwste dienaar van zijne majesteit’, oppermachtige minister van Binnenlandse Zaken en Informatie, verantwoordelijk voor de bikkelharde repressie en grove schendingen van de mensenrechten in Marokko en de man die zich voor de koning persoonlijk bemoeide met de kolonisatie van de Westelijke Sahara, de voormalige Spaanse kolonie, die in 1975 door de Marokkaanse troepen onder de voet werd gelopen. In november 1999 werd hij tot ieders verrassing door Mohammed VI ontslagen. Sindsdien leeft hij in gouden ballingschap in Parijs. De jongste tijd is hij uitermate gul met interviews. Hij ontvangt zijn gasten in een weelderig appartement van het zestiende arrondissement in Parijs of – zonder de minste schroom – in de Brasserie Lipp op de Boulevard Saint-Germain, waar in 1965 de belangrijkste linkse opposant van het koninklijke regime, Mehdi Ben Barka, werd ontvoerd om voor eeuwig van de aardbodem te verdwijnen.

Koninklijke lobby

‘Les amis du Maroc’, de vrienden van Marokko. Het koninklijk paleis in Rabat kan op een stevige lobby rekenen in Parijs: honderden namen uit de politieke, economische, financiële en intellectuele elite. Heel het politieke spectrum is in deze lobby vertegenwoordigd: rechtse gaullisten, socialisten en zelfs prominenten van het extreem-rechtse, fascistische en racistische Front national. Jean-Pierre Tuquoi herinnert er zijn lezers aan hoe koning Hassan II en Driss Basri – toen ze het boek van Gilles Perrault niet hadden kunnen verbieden of in de papiermolen hadden kunnen laten verdwijnen – een hele plejade van ‘amis du Maroc’ naar Rabat ontboden.

\"De eerste die de reis naar Rabat onderneemt,\" schrijft Tuquoi, \"is Jean-Marie Le Pen. De leider van extreem-rechts wordt geflankeerd door verantwoordelijken van het Front national en hij is heel de rechterzijde voor. Le Pen wordt door de koning in audiëntie ontvangen, wint de sympathie van de monarch, spijkert de Franse media en de anti-Marokkaanse lobby aan de schandpaal – want hij vermoedt dat zij achter het boek van Gilles Perrault zitten. Hassan II luistert zonder zelf een woord in te brengen. De koning is in de wolken. Sinds jaar en dag volgt de monarch de loopbaan van de chef van uiterst rechts. Le Pen is geen vriend, maar een bondgenoot. In zijn donderspeeches hekelt Jean-Marie Le Pen \"de invasie van Frankrijk door immigranten\". De chef van extreem rechts wil niets weten van een assimilatie van de Maghrebijnse bevolking. De koning van Marokko evenmin. Hij vreest dat hij de controle over de Marokkaanse gemeenschap in Frankrijk zal verliezen, waarover hij zo angstvallig waakt. Hassan II is er eveneens van overtuigd dat hij alles te vrezen heeft van Marokkaanse immigranten, die zich de Franse politieke cultuur eigen maken, met ideeën over democratie en verdediging van de mensenrechten.

Jean-Marie Le Pen heeft nog maar net Marokko verlaten of Jacques Chirac landt er – de latere tweevoudige president was op dat ogenblik burgemeester van Parijs. Chirac schopt het zelfs tot persoonlijke vriend van de koninklijke familie. Jean-Pierre Tuquoi noemt Chirac niet zonder ironie ‘El Alawi’ – de Allawieten vormen de traditionele, feodale heersersfamilie in Marokko met een indrukwekkende stamboom (al dan niet verzonnen of aangedikt - de koninklijke familie gaat er prat op de rechtstreekse afstammelingen te zijn van de profeet Mohammed). Chirac, zijn echtgenote Bernadette en zijn hond Sumo brengen het liefst hun vakantie door in één van de vele koninklijke optrekjes in Marokko. Het vijfsterrenhotel ‘La Gazelle d’Or’ (een riant villapark in de buurt van Taroudant) is de favoriete vakantieplek van de Chiracs. Een gewone stervelling betaalt er tot 4000 euro per overnachting. De familie Chirac verblijft er steeds op kosten van ‘notre ami le roi’. De vriendschap van Chirac met het Marokkaanse hof dateert uit de jaren zestig. De toekomstige Franse president had in het koloniale leger in Algerije gediend. Tuquoi weet dat Chirac in Algerije bijna in het foute kamp was terechtgekomen: bij de extreem rechtse (en terroristische) tegenstanders van generaal De Gaulle. De aversie van Chirac voor het onafhankelijke Algerije zit diep. Zijn vriendschap gaat onvoorwaardelijk uit naar de neokoloniale en feodale monarchie in het buurland Marokko.

Chirac staat in nauw contact met de koninklijke familie. Hij belt regelmatig met de zonen en dochters van Hassan II. De Marokkaanse monarch – die eigenlijk in Frankrijk had moeten terechtstaan voor zijn aandeel in de moord op oppositieleider Ben Barka – is voor de opeenvolgende Franse presidenten steeds een unieke bondgenoot en vriend geweest. Hassan II is het enige buitenlandse staatshoofd dat in Parijs ooit de Assemblée générale, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, mocht toespreken. Hassan II was een door de Franse TV in de watten gelegd bevriend staatshoofd. Het Marokkaanse koninklijke paleis beschikt in Parijs zelfs over een weekblad, dat een soort officiële spreekbuis van de koninklijke familie is en regelmatig uitpakt met nieuwe statiefoto’s: het bekende Paris Match.

Enkele weken voor zijn dood was Hassan II op 14 juli 1999 de belangrijkste gast op het defilé van de Franse nationale feestdag. \"Op de officiële tribune op de Place de la Concorde, tijdens een kort en emotioneel gesprek had Hassan II Chirac gevraagd om over zijn zonen en dochters te waken, een vader voor hen te zijn als hij er niet meer was en de toekomstige Mohammed VI te helpen in zijn job als koning, eens hij van de wereld zou zijn verdwenen\". \"En,\" aldus Jean-Pierre Tuquoi, \"de Franse president gaf de monarch zijn woord\".

De koning is een crisis waard

Voor de Franse elite is Marokko een belangrijk wingewest. Maar volgens Tuquoi is er meer aan de hand. \"Waarop is deze goede verstandhouding gebaseerd aan Franse zijde?,\" vraagt hij zich af. Om meteen dit antwoord te poneren: \"Op een angst en op een welbepaald plan. De angst is dezelfde waarmee Parijs in het begin van de jaren negentig de staatsgreep van de Algerijnse militairen heeft gesteund om de weg te versperren voor ‘les barbus’ van het Front islamique du Salut, het FIS. De Franse leiders zijn vandaag bevreesd voor een massale toestroom van Marokkaanse boat people op de Franse kusten, als het avontuur van de monarchie wordt weggeveegd door de islamisten. Het plan bestaat erin van Marokko een soort uitstalraam te maken van de Franse invloed in Noord-Afrika, een model van democratie voor de Arabische-islamitische wereld, die tegenover het Iraakse tegenmodel van de Verenigde Staten wordt geplaatst\".

Dat plan is voor Jacques Chirac echter geen onverdeeld succes. Tuquoi verwijst naar de ernstige crisis, die Mohammed VI in juli 2002 uitlokte. Enkele dagen voor zijn pompeuze huwelijk met Lalla Selma zette Mohammed VI op 11 juli 2002 een militaire operatie in – een potsierlijke operettevertoning – op het rotsachtige ‘Peterselie-eilandje’ (voor de Marokkanen heet dit hoopje rotsen op een boogscheut van de kust het eiland Leila Tourah) (2). Officieel is dit eilandje nog steeds Spaanse territorium, net zoals de twee enclaves aan de Marokkaanse kust, Ceuta en Melilla. Mohammed VI dropte enkele mariniers op dit eilandje, dat een oppervlakte van een tiental hectaren heeft. Leila Tourah is volstrekt onbewoond. Een Marokkaanse boerin laat er wat geiten grazen en haar man gebruikte één van de vele grotten om wat cannabis op te slaan. Volgens Jean-Pierre Tuquoi was de bezetting van dit hoopje rotsen voor de kust \"een verlokkelijk idee\" voor Mohammed VI om \"het grondgebied van het koninkrijk te vergroten en de grenzen te verleggen, zoals zijn grootvader en vader het hem hadden voorgedaan.\" Op enkele dagen voor zijn huwelijk trok de koning nog eens voluit de nationalistische kaart. Een specialiteit van het Marokkaanse koningshuis dat de natie al sinds 1975 als één man pal achter de kolonisatie van de Westelijke Sahara weet te scharen. Het Saharaanse avontuur is voor de monarchie nog steeds het nationale cement om een erg verdeelde maatschappij bijeen te houden. Zelfs de Marokkaanse moslimfundamentalisten steunen het koningshuis in zijn koloniale ambities. Volgens Tuquoi had Mohammed VI erop gerekend dat \"het volk\" dit onnozele militaire avontuur \"wel zou appreciëren, als voorbode van de herovering van de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla\". Mohammed VI had er niets eens aan gedacht dat zijn schertsvertoning voor een ernstige internationale crisis zou zorgen. Spanje mobiliseerde alle bondgenoten. De regering van de rechtse premier José Maria Aznar kreeg meteen de steun van Groot-Brittannië, de meeste EU-lidstaten en de NATO. Ook de Verenigde Staten steunen Madrid, dat een zeer belangrijke bondgenoot is in de antiterroristische kruistocht en in de strijd tegen de Iraakse president Saddam Hoessein. De Franse president Jacques Chirac staat echter pal achter Marokko. Voor hem is dit zelfs een ernstige crisis binnen de toen nog 15 leden tellende Europese Unie waard. De overige lidstaten en de Europese Commissievoorzitter Romano Prodi eisen aanvankelijk de terugtrekking van de Marokkaanse troepen van het Peterselie-eilandje. Onder Franse diplomatieke druk wordt dit standpunt twee dagen later afgezwakt. Waarop Madrid zich tot Washington wendt. Uiteindelijk zorgt de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, eigenhandig voor een oplossing van de crisis. Na enkele woedende telefoontjes verplicht hij de Marokkaanse koning terug te keren naar het vroegere status-quo. Rabat en Parijs bijten in het zand. De Europese Unie staat eens te meer met de billen bloot. De Amerikanen komen nog maar eens een ‘Europese crisis’ eigenhandig oplossen.

Westelijke Sahara

\"Een ander voorbeeld van de geheime verstandhouding tussen beide hoofdsteden – even karikaturaal, maar minder gemediatiseerd, tenminste in Frankrijk, is de toekomst van de Westelijke Sahara,\" stelt Jean-Pierre Tuquoi vast. \"De Franse kranten hebben het maar zelden over dit dossier en ze hebben ongelijk. Als de monarchie op een dag ooit van de kaart mocht worden geveegd, zou het wel eens omwille van de Westelijke Sahara kunnen zijn. Al dertig jaar zorgt de toekomst van de Westelijke Sahara voor een scherpe tegenstelling tussen Marokko, dat het gebied militair bezet en het Polisariofront, dat zijn toevlucht heeft gezocht in het zuiden van Algerije.Voor Marokko is de kwestie allesbehalve anekdotisch. Sinds Hassan II hebben de Marokkaanse autoriteiten van de ‘herovering’ van de zuidelijke provincies, zoals de Westelijke Sahara in de Marokkaanse propaganda heet, een heilige nationale zaak gemaakt.\" Volgens Jean-Pierre Tuquoi wil Parijs in geen geval weten van een gedekoloniseerde, onafhankelijke Westelijke Sahara, want het Polisariofront is voor de Franse autoriteiten een bondgenoot van Algerije en de Westelijke Sahara beschikt over een veel belovende grondstoffenrijkdom. Er is voor Parijs echter een zeer belangrijke redenen om het Marokkaanse koloniale avontuur onvoorwaardelijk te blijven steunen. \"Er blijft het spookbeeld dat de Marokkaanse monarchie wel eens als een veertje zou kunnen worden weggeblazen als de Westelijke Sahara bij toeval de rang van staat zou verwerven. De monarchie heeft al decennialang te veel de nationalistische trom geroerd, te veel financiële middelen geïnvesteerd om Marokkaanse ‘kolonisten’ naar de Sahara te lokken, het koninklijke leger te veel ingezet bij de verdediging van de ‘zuidelijke provincies’ om niet bang te zijn voor de ineenstorting als de Saharanen hun onafhankelijkheid zouden verwerven.\"

\"Parijs beseft ten volle het risico. En omdat te vermijden hebben de president en de minister van Buitenlandse Zaken steeds alles in het werk gesteld om op de hoofdzetel van de VN in New York elk voorstel tot oplossing te torpederen, dat het Marokkaanse regime zou kunnen verzwakken. Zij hebben hun doel bereikt: de oplossing van een referendum over het zelfbeschikkingsrecht wordt stilaan begraven, terwijl ze al herhaaldelijk haar deugdelijkheid heeft bewezen bij andere dekolonisatieprocessen. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Koffi Annan, heeft het erkend: \"de grootmachten geven vandaag toe dat Marokko historische rechten heeft over \"een provincie die met geweld werd veroverd’.\" (3)

Tuquoi beschrijft hoe Parijs een batterij topdiplomaten in stelling heeft gebracht om Marokko te beschermen en de dekolonisatie van de Westelijke Sahara te verhinderen. Jean-Bernard Mérimée was één van hen. Hij wordt op dit ogenblik (samen met andere ‘vriend van Marokko’, de voormalige minister van Binnenlandse Zaken Charles Pasqua, een man met een meer dan gewone belangstelling voor de voormalige Franse kolonies in Afrika) door het Franse gerecht vervolgd. Ze worden ervan beschuldigd smeergeld te hebben opgestreken bij het olie-voor-voedsel-programma van de VN in Irak. Mériméé was eind de jaren tachtig Frans ambassadeur in Rabat en werd later de Franse vertegenwoordiger in de Veiligheidsrtaad, waar hij voor de Marokkanen van onschatbare waarde is geweest bij het blokkeren van het Saharadossier. Mériméé dankt er een persoonlijk fortuin aan: een fraaie chalet in de buurt van de meren van Ouarzazate, een persoonlijk geschenk van Hassan II. Toen hij de VN en het ministerie van Buitenlandse Zaken rond de eeuwwisseling verliet, werd hij door het koninklijk paleis prompt binnengehaald in de raad van bestuur van de BMCE, de belangrijkste Marokaanse privébank.

Tweede belangrijke figuur in het gezamenlijke Frans-Marokkaanse optreden was Bernard Miyet, die van 1997 tot 2000 na Koffi Annan de nummer 2 was van de Verenigde Naties. Zonder blikken of blozen vertelt Miyet aan Jean-Pierre Tuquoi hoe Hassan II en later zijn zoon Mohammed VI zowat iedereen omkochten, die een rol speelde in het Saharadossier. \"De strategie van de Marokkanen kwam erop neer de mensen om te kopen: (sommige) leiders van het Polisariofront, buitenlandse diplomaten, verantwoordelijken van de VN in de Westelijke Sahara,\" aldus Bernard Miyet. Het paleis in Rabat was steeds als eerste geïnformeerd over alle VN-documenten met betrekking tot de Westelijke Sahara. Bij zijn laatste staatsbezoek aan Rabat in de herfst van 2003 liet Chirac er niet de minste twijfel over bestaan: \"Frankrijk steunt Marokko in het dossier van de Westelijke Sahara en zal dit blijven doen.\"

‘Les amis du Maroc’

Tuquoi schets een gedetailleerd en onthutsend beeld van de Franse ‘vrienden van Marokko’. Het kruim van de Franse elite staat pal achter het koningshuis in Rabat. Niet verwonderlijk dat hele takken van de Marokkaanse industrie Franse eigendom zijn: het hotelwezen wordt in ruime mate gedomineerd door de Franse groep Accor, de cementindustrie is in handen van de groep Lafarge, Renault assembleert in Marokko automobielen, de telecommunicatiesector wordt gecontroleerd door de Franse multinational Vivendi en Suez is baas over het geheel van de milieudienstensector (waterzuivering, afvalverwerking…). De Franse firma Bouygues (ook eigenaar van de Franse TV-zender TF1) was ten tijde van Hassan II de belangrijkste bouwheer in Marokko en blijft ook onder Mohammed VI in de prijzen vallen. Typisch voorbeeld van deze Franse economische kolonisatie is het geval Maroc Telecom. Het gaat hier om het belangrijkste Marokkaanse overheidsbedrijf dat de voorbije jaren werd geprivatiseerd. In 2000 wordt Vivendi hoofdaandeelhouder van het bedrijf, alhoewel de Marokkaanse staat nog steeds 51% van de aandelen in handen heeft. Dankzij de ingreep kan Vivendi in Parijs op het nippertje een batig saldo voorleggen en de Marokkaanse overheid slaagt erin een wat rooskleurigere staatsbegroting voor te leggen. De architect van deze voor Marokko uiterst nadelige deal is André Azoulay, een Marokkaanse notabele van joodse origine en de economische raadgever van Hassan II en Mohammed VI.

Ook politiek Frankrijk is behoorlijk vertegenwoordigd in de salons van ‘les amis du Maroc’. De huidige rechtse regeringspartijen zijn er het talrijkst: de voormalige president Valéry Giscard d’Estaing en de huidige Jacques Chirac uiteraard, maar ook de kopstukken van de rechtse regering premier Dominique de Villepin, minister van Binnenlandse Zaken Nicoals Sarkozy en zijn collega Buitenlandse Zaken, Philippe Douste-Blazy.

Maar ook socialistische prominenten behoren tot de kring van de vrienden van Marokko. Onder hen een aantal voormalige excellenties van het Mitterrandtijdperk: Jack Lang (ex-minister van Cultuur), Hubert Védrine (voormalig minister van Buitenlandse Zaken), Jean-Pierre Chevénement (ex-minister en socialistische ‘dissident’ laat zich graag in de watten leggen in Marokko. Na een operatie in 1998 mocht hij op kosten van het paleis komen herstellen in de riante Gazelle d’Or). Elisabeth Guigou en Martine Aubry, twee voormalige socialistische excellenties, verblijven eveneens regelmatig in het koninkrijk en zijn vurige verdedigsters van ‘notre ami le roi’. Guigou is in Marokko geboren, net zoals Dominique Strauss-Kahn, die uit Agadir afkomstig is en in de PS-regering van Lionel Jospin minister van Economische Zaken was.

Het paleis in Rabat kan ook rekenen op de steun van vooraanstaande journalisten. De ster van de Franse TV, Anne Sinclair, heeft zich inmiddels gespecialiseerd in een bijzonder ranzig soort hagiografie van de Marokkaanse dynastie. Ze slijt haar zielig proza voor een fiks honorarium aan het onvermijdelijke Paris Match. Maar ook zeer gerespecteerde journalisten zoals de hoofdredacteur van Le Nouvel Observateur, Jean Daniel, en de veteraan Jean Lacouture behoren tot het selecte royalistische clubje. Geen wonder dat Mohammed VI over een almachtige lobby beschikt in Parijs en in de Franse media met de grootste welwillendheid wordt bejegend. Het plaatje zou niet rond zijn zonder de onvermijdelijke Bernard-Henry Lévy, filosoof en opiniemaker met uitgesproken pro-Amerikaanse, pro-Israëlische, islamofobe en ultraliberale voorkeuren, die in geen enkel Frans televisiedebat mag ontbreken. Bernard-Henry Lévy (BHL) behoort tot de Franse elite. En die elite koopt tegen ijltempo paleizen en luxeappartementen in de adembenemende Marokkaanse steden Marrakech, Fès, Essaoura en Tanger. BHL is een onvoorwaardelijke Marokko-adept. Hij beschikt over een peperdure riad, het paleis van Zahia in Marrakech. Het paleis van de Franse filosoof ligt naast een ander paleis, dat van Mohammed VI – een van de jongste aanwinsten van de vorst. Ook in Tanger beschikt BHL over een riant optrekje in één van de chique wijken van de stad, met uitzicht op de zee. Drie jaar geleden kocht hij er zijn stulpje (vroeger achtereenvolgens eigendom van de rijkste man van de VSA, Paul Getty Junior, gravin La Rochefoucauld en het filmsterrenkoppel Alain Delon en Mireille Darc) om er meteen een gewapende privébewaker voor de poort te posteren. BHL kreeg het meteen aan de stok met de buurt. De filosoof werd in zijn werkzaamheden gestoord door indiscrete blikken vanuit het beroemde café Hafa, een trekpleister voor toeristen. Vanuit het café konden deze toeristen bij de beroemdheid binnenkijken. BHL liet zijn rond zijn eigendom prompt een hoge muur optrekken. De Franse kolonisering van de mooiste stadswijken in Marokko zet heel wat kwaad bloed bij de lokale bevolking. De Marokkaanse moslimfundamentalisten spinnen graag garen uit dit volkse ongenoegen. Maar dat zal een verlichte filosoof als BHL een zorg zijn.

(Uitpers, nr. 75, 7de jg., mei 2006)

Noten:

(1) Zie Uitpers, nummer 29, mei 2002.

(2) Leila is de Arabische naam van het eilandje, Tourah is de Berberse naam.

(3) Dat standpunt werd nogmaals bevestigd in het rapport dat Kofi Annan op 21 april jongstleden aan de Algemene Vergadering van de VN heeft voorgelegd. Het referendum en zelfs het tegenvoorstel van de bijzondere VN-gezant James Baker worden door de VN-baas blijkbaar definitief afgevoerd. Marokko krijgt voortaan volledig vrij spel.

 

U kan dit boek rechtstreeks bestellen bij de boekhandel De Groene Waterman via onderstaande link:

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 75


Copyright (C) 1999 - 2020. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie