Uitpers nummer 63

Het gedachtegoed van mevrouw Hirsi Ali


door Astrid Essed

In tegenstelling tot de onder de Nederlandse intelligentsia en een aantal politici heersende opinie leidt het gedachtegoed van Hirsi Ali niet tot de emancipatie van moslima's, maar tot verdere stigmatisering en radicalisering van de in Nederland wonende moslims.

Op 25 februari 2005 kreeg het VVD Tweede Kamerlid Ayaan Hirsi Ali de prestigieuze Harriet-Freezerring uitgereikt voor haar ''inzet voor de emancipatie van moslimvrouwen''
Ik wil in onderstaand betoog nader ingaan op het gedachtegoed van mevrouw Hirsi Ali, hetgeen ik graag wil uitsplitsen in inhoudelijke kritiek en de vorm waarin deze kritiek gegoten wordt. Hierbij wil ik ter inleiding de opmerking maken, dat mijns inziens ieder kritiek op welke godsdienst ook geoorloofd is, mits met respect voor de gelovigen in kwestie.

A Generalisatie

Hoewel ik er zeker waardering voor heb, dat mevrouw Hirsi-Ali wil opkomen voor mishandelde vrouwen valt mij daarbij haar uiterst ongenuanceerde benadering op.
Zo relateert zij de mishandeling van islamitische vrouwen in Nederland veelal ten onrechte aan de Islam zonder enig oog voor de traditionele en sociaal-gebonden achtergronden in dezen, die hun wortels hebben in de diverse landen van herkomst, maar ook te wijten zijn aan heersende spanningen binnen de Nederlandse samenleving, die de afgelopen jaren zijn
toegenomen door het voortschrijdende racistische klimaat.
Daarenboven maakt zij in haar benadering van de problematiek in de islamitische landen van herkomst weinig tot geen onderscheid noch tussen de grote onderlinge verschillen in positie en behandeling van de islamitische vrouw, de verschillen in sociale klassen en de verschillen tussen stad en platteland.

1 Mishandelde vrouwen in islamitische landen van herkomst:

Hoewel in islamitische landen vrouwenmishandeling in alle lagen van de samenleving voorkomt, is dit veeleer een traditioneel-sociaal verschijnsel met somtijds fundamentalistisch-religieuze aspecten, waarbij daarenboven onderscheid gemaakt dient te worden tussen de landen onderling, het verschil in sociale klasse en het verschil tussen stad en platteland.

In de eerste plaats is er een zeer groot verschil in positie cq behandeling van de islamitische vrouw tussen bijvoorbeeld de Noordelijke Staten van Nigeria en een land als Turkije waarbij sprake is van een veel grotere vrijheid betreffende de positie van de vrouw. Ook is bekend, dat de veelgenoemde zware lijfstraffen en doodstraffen volgens de meest stringente vorm van islamitisch recht, waarvan overigens niet alleen vrouwen, maar eveneens mannen het slachtoffer kunnen worden [zie het handen afhakken van dieven in Saoedi-Arabie] in de meeste islamitische landen niet worden toegepast, maar alleen in uitzonderingsgevallen zoals de reeds genoemde Noordelijke Staten in Nigeria en een land als Saoedi-Arabie.

In de tweede plaats komen vrouwenmishandelingen weliswaar in alle lagen van deze samenlevingen voor, maar hangen de sociale consequenties hiervan sterk samen met de sociaal-maatschappelijke positie van de betreffende vrouwen. Zo is het voor hoger opgeleide vrouwen over het algemeen door hun contacten en invloed gemakkelijker, deze vernederende omstandigheden te doorbreken en de mogelijkheid een nieuw leven op te bouwen dan niet-opgeleide vrouwen, die veelal een sociaal-zwakkere positie in de samenleving innemen.

In de derde plaats is het van groot belang onderscheid te maken tussen de positie van de vrouw uit de stad of het platteland, waarbij plattelandsvrouwen veelal meer blootstaan aan geweld vanwege de sterke sociale en familiale bindingen binnen een dorpsgemeenschap en de vanwege gebrek aan vooropleiding praktische aanwezige onmogelijkheid de streek te
ontvluchten.

2 Mishandeling islamitische vrouwen in Nederland en vrouwenmishandeling in
Nederland in het algemeen


Zoals reeds opgemerkt relateert mevrouw Hirsi-Ali de mishandeling van islamitische vrouwen in Nederland ten onrechte vrijwel uitsluitend aan de Islam en heeft zij te weinig oog voor de hierboven vermelde traditionalistische en sociale componenten, veelal afkomstig uit de landen van herkomst alsmede gevoed door de in Nederland heersende maatschappelijke
spanningen, die veelal samenhangen met het in de Nederlandse samenleving toegenomen racisme.
Evenzeer sluit zij de ogen voor het feit, dat mishandeling van in Nederland wonende islamitische vrouwen weliswaar een ernstig voorkomend verschijnsel is, maar dat een en ander evenzeer in onrustbarende percentages voorkomt bij zowel autochtone Nederlandse vrouwen als allochtone vrouwen van niet-islamitische komaf. De cijfers ontlopen elkaar niet al te veel, is er bij allochtonen [en daarbij zijn eveneens gerekend niet-islamitische allochtone vrouwen] sprake van een op de vijf vrouwen, is er bij autochtonen sprake van 1 op de vier
vrouwen.
Het is uiteraard evident, dat ik hierbij het verschijnsel van de mishandelde islamitische vrouw in genen dele wil bagatelliseren, maar wel wil ik de indruk wegnemen, dat er overwegend sprake zou zijn van mishandeling bij islamitische vrouwen, hetgeen genen dele het geval is.

3 Vrouwenbesnijdenis:

Evenzeer suggereert mevrouw Hirsi Ali veelal, dat het in zowel SomaliŽ als bepaalde streken van Egypte voorkomend ernstige verschijnsel van de vrouwenbesnijdenis zou voortkomen uit een islamitische traditie, hetgeen niet het geval is. Hoewel voorkomend in geheel of gedeeltelijk islamitische landen als SomaliŽ en Egypte, komt dit verschijnsel eveneens voor in een groot aantal Afrikaanse landen, die in het geheel niet islamitisch zijn, maar veelal aanhanger van animistische tradities, al dan niet vermengd met het christendom.
Uiteraard is vrouwenbesnijdenis een van de ernstigste schendingen van de rechten van de vrouw, maar juist gezien tegen dit licht is het van belang, een en ander in zijn juiste verband te zien.

4 Eerwraak:

Recentelijk is mevrouw Hirsi Ali in het nieuws gekomen als verdedigster van door eerwraak bedreigde moslima's, hetgeen ik uiteraard van harte toejuich. Ook ten aanzien van deze problematiek echter maakt Hirsi Ali zich niet alleen schuldig aan verregaande generalisering.
In de eerste plaats is er in het geval van eerwraak lang niet altijd sprake van een vrouwelijk slachtoffer, noch wordt de daad alleen door mannen bedreven. Evenmin is er altijd sprake van moord, maar veelal van mishandeling, opsluiting en bedreiging.
Het belangrijkste is echter het feit, dat eerwraak niet zozeer religieus, maar cultureel gebonden is, aangezien dit verschijnsel  zich niet alleen slechts in enkele islamitische landen zoals bepaalde streken van Egypte en JordaniŽ manifesteert, maar evenzeer voorkomt in niet-islamitische landen zoals enkele Zuid-Amerikaanse landen, de Antillen, ItaliŽ en Griekenland.
Het is mevrouw Hirsi-Ali dan ook verwijtbaar, dat zij ten onrechte de suggestie wekt, dat eerwraak gerelateerd kan worden aan de Islam en slechts in islamitische landen voorkomt.

B Oplossingsstrategie:

1 Ressortering eerwraak onder de anti-terreurwetgeving

Nog los van haar generaliserende standpunten zijn m.i. eveneens haar oplossingsstrategieŽn uiterst dubieus. Zo stelde zij onlangs als maatregel voor, het eerwraak-misdrijf als zodanig
te laten ressorteren onder de anti-terreurwetgeving. Nog afgezien van het al dan niet wenselijke karakter van de anti-terreurwetgeving is hier geen sprake van een als terrorisme te
definiŽren misdrijf en merkte minister Donner van Justitie dan ook terecht op, dat het laten ressorteren van een dergelijk misdrijf onder de anti-terreurwet zou neerkomen op een oneigenlijk gebruik van deze wet.

2 Verbod op islamitische scholen:

Een tweede door mevrouw Hirsi-Ali voorgestelde oplossingsstrategie ter bevordering van de emancipatie van moslima's is het opheffen van islamitische scholen, aangezien een en ander o.a. de basis zou zijn voor het handhaven van ongewenste patronen in de man-vrouw relatie.
Verder geeft zij zelf aan geen gelovig moslim meer te zijn [hetgeen zij ''geseculariseerd'' noemt]
Uiteraard is het haar recht al dan niet belijdend moslim te zijn, maar het sluiten van islamitische scholen vertrekt vanuit een fundamenteel gebrek aan respect voor de geloofsovertuiging van anderen, in casu de moslimgemeenschap. Bovendien is het in strijd met het recht op godsdienstvrijheid, als zodanig een van de grondbeginselen van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens en [nog steeds] verankerd binnen de Nederlandse grondwet.
Verder is de uiterste consequentie van dit gedachtegoed, dat dan eveneens christelijke, Joodse en hindoeÔstische scholen zouden moeten worden opgeheven, aangezien een en ander anders niet alleen getuigt van discriminatie tegenover een groep, maar er ook op christelijke en joodse scholen [zeker de orthodoxen] vrouw-onvriendelijke visies aanwezig zijn. Het is daarom ook niet te verwonderen, dat het CDA bij monde van haar minister van Onderwijs Maria Verhoeven ernstige bezwaren heeft tegen deze door Hirsi Ali geponeerde opstelling.
Nog afgezien van dit gebrek aan respect voor de geloofsovertuiging van de ander is de opstelling van Hirsi Ali ook nog in hoge mate generaliserend, aangezien de al dan niet progressieve benadering van de man-vrouwrelatie niet afhankelijk is van de aanwezigheid van islamitische scholen in het algemeen, maar van de visie van de desbetreffende leerkrachten en het schoolbestuur, dat van school tot school verschilt. Bovendien verliest mevrouw Hirsi Ali uit het oog, dat een groot deel van de opvattingen binnen de man-vrouw relatie via de opvoeding worden doorgegeven, waardoor een en ander veel minder controleerbaar is.

3 Monolitisering Islam

Zoals reeds gesteld valt mij sterk aan de standpunten van Hirsi Ali op haar vergaande generalisatie zowel de Islam in het algemeen als de islamitische landen in het bijzonder.
Zo maakt zij zoals reeds gezegd geen enkel onderscheid tussen stad en platteland, tussen laaggeschoolde en hogergeschoolde vrouwen en families en tussen de diverse richtingen binnen de Islam, die net zo gediffentieerd en gevarieerd zijn als binnen het christendom.
De mythe van de monolithische en eenvormige ''achterlijke'' Islam is een racistisch verzinsel.
Natuurlijk heeft de Islam net zoals ieder andere godsdienst vrouwonvriendelijke componenten, maar dat hebben het christendom en het Jodendom ook. Kritiek op iedere godsdienst is geoorloofd, maar dan wel op feitelijk-aantoonbare en genuanceerde gronden.

4 Stigmatisering:

Opvallend is verder dat Hirsi Ali niet alleen ondanks deze onvolkomenheden in haar redenatie volkomen kritiekloos door ''intellectueel Nederland'' is binnengehaald als de ''Islam-deskundige'' hetgeen zij niet is [niet naar mijn opvatting, maar die van gerenommeerde Nederlandse islamologen], maar daarenboven een rol heeft gespeeld en nog speelt tegen de achtergrond van toenemende stigmatisering van de moslims.
Hiervoor werd zij zowel door politiek als media naar voren geschoven als coryfee, die de veelal verre van frisse oogmerken van politici en sommige nieuwsmedia bevestigde, waardoor haar geventileerde kritiek eerder vooroordelenbevestigend werkte. Het gevolg was, dat vele moslims, die toch al na 11 september te lijden hadden onder toenemende stigmatisering en met een Mcarthiaans vergrootglas werden bekeken de op sommige punten wel degelijk zinnige kritiek van Hirsi Ali verwierpen, omdat zij door haar weinig genuanceerde benadering nog verder in het vakje van vooroordelen en racisme werden gedrongen. Hierdoor ontstonden verdedigingsmechanismen die veelal in de hand gewerkt werden door het feit, dat slechts Hirsi Ali's weinig genuanceerde mening op de TV gehoord werd en iedere kritiek op haar visie bij voorbaat of in het geheel niet op de TV kwam of werd afgedaan als ''extremisme'' of
''fundamentalisme'' zonder vaak enige bereidheid van de kant van media en politiek de gronden voor een dergelijke kritiek aan een serieuze analyse te onderwerpen.

5 Intellectueel Nederland:

Bovendien hield en houdt het leeuwendeel van politiek en intellectueel Nederland vast aan de verkeerde veronderstelling, dat Hirsi Ali ''de eerste'' kritische islamitische vrouw was, terwijl er al tientallen jaren zowel Turkse als Marokkaanse vrouwen binnen Turkse en Marokkaanse
vrouwenorganisaties zeer actief waren betreffende de emancipatie van islamitische vrouwen.
Verder was het evenzeer opvallend, dat zij haar waardering vrijwel geheel kreeg en krijgt vanuit de gevestigde Nederlandse politieke en intellectuele hoek.
Onder de door haar beoogde doelgroep echter, de Marokkaanse en andere islamitische vrouwen, alsmede een grote groep islamitische intellectuelen, kon zij op heel weinig waardering rekenen, hetgeen mijns inziens op zich eveneens te denken geeft over haar werkelijke affiniteit met de doelgroep waaruit zij ook is voortgekomen.
En laten wij eerlijk zijn, in het klimaat na 11 september werd iedere kritiek op de Islam, zinnig of niet [zie Fortuyn] van harte in bepaalde Nederlandse politieke en mediakringen omhelsd.

C Vorm:

Ook de vorm waarin Hirsi Ali haar kritiek doorgaans goot en giet, is veelal niet acceptabel.
Nogmaals, kritiek op iedere godsdienst is geoorloofd, maar dan wel met respect voor de overtuiging van anderen. Haar uitspraken over de Profeet Mohammed, alsmede de vorm waarin de film Submission gegoten is, getuigt daar absoluut niet van. Het valt mij op, dat een en ander vaak gemakshalve wordt afgedaan met ''vrijheid van meningsuiting'' maar eveneens is opvallend, dat dit gezegd wordt door autochtone Nederlanders, die veelal niet of nauwelijks affiniteit hebben met de Marokkaanse of andere moslims.
Wanneer een en ander dan ook nog gebracht wordt in een klimaat van toenemende polarisering, vind ik een dergelijke vorm waarin deze kritiek gegoten wordt getuigen van gebrek aan respect en morele lafheid. Verder zouden de autochtone Nederlanders, die ieder bezwaar hiertegen van islamitische kant vaak afdoen met ''onzin'' of ''het moet kunnen'' zouden zich eens moeten realiseren hoe zij het zouden vinden wanneer voor hen van
groot belang zijnde symbolen of principes stelselmatig worden bekritiseerd met een totaal gebrek aan respect voor hun identiteit. Tegen degenen, die vinden, dat moslims dergeljke kritiek maar ''moeten slikken'' zou ik willen zeggen: Realiseert u, dat u zo een tweedeling in de samenleving creŽert.
Maar vooral:
Realiseert u zich, dat u zich met een dergelijke weinig respectvolle houding schuldig maakt aan impliciet neokolonialisme. Men kan geen respect verwachten voor de dominante veelal niet-religieuze cultuur, wanneer men niet bereid is dat respect eveneens ten opzichte van de
religieuze allochtone cultuur te tonen. Dat geldt zowel voor de Nederlandse intelligentsia als critici als Hirsi Ali zelf.

(Uitpers, nr. 63, 6de jg., april 2005)

Mail dit artikel door naar uw vriend(en)Mail dit artikel door naar uw vriend(en)

Print dit artikelPrint dit artikel

Facebook

S N E L I N D E X

Uitpers nr. 63


Copyright (C) 1999 - 2018. All rights reserved. Voor overname artikels of informatie: Contacteer de redactie